Verantwoording (4)

1987-10-09
  • Jaargang 31
  • nummer 38
bij de principiële uitspraak van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Eindhoven dat de toelating van vrouwen tof de kerkelijke ambten op bijbelse gronden in principe verantwoord en gewenst is.

Behandeling van enkele belangrijke Schriftgedeelten.
Natuurlijk zijn er vele vragen te stellen naar de betekenis van een aantal concrete Schriftgedeelten voor de plaats van de vrouw in de gemeente. Enkele belangrijke komen hier aan de orde.

1. Eerst Adam, daarna Eva...
Is het juist om te stellen dat aan het begin van de mensheid nergens wordt gesproken over ongelijkheid in rang en positie tussen man en vrouw?
Op een aantal plaatsen wordt Adam als representant van de mensheid gesteld, niet Eva. Hoewel Eva het eerst zondigde, wordt de zonde van Adam centraal gesteld (Rom. 5:14; 1 Cor. 15:22,45).
Ook in Genesis wordt deze verantwoordelijkheid van Adam duidelijk. Na de zondeval roept de Here God "de mens" ter verantwoording (Gen. 3:9).
Direct daaraan voorafgaand staat: "de mens en zijn vrouw" (3:8). De Here God roept dan alleen "de mens" en "de mens" zegt: "de vrouw die Gij ..... Ligt in de benaming "de mens" dus ook niet een aanduiding dat Adam de totale mensheid representeert'?

Inderdaad wordt soms "de mens" (Adam) onderscheiden van ..zijn vrouw" (Eva); zo in Gen. 2:25; 3:8, 21.
Even terecht kan worden gezegd, dat Adam (en niet. Eva) representatief is voor de gehele mensheid. Ongeacht of hij één (Eva) dan wel velen vertegenwoordigt.
Eén wordt aangesproken voor allen. Dat ligt al opgesloten in de wijze waarop Adam is geschapen. Adam was geformeerd uit het stof der aarde, Eva werd "gebouwd" uit de rib van Adam: zij was bij wijze van spreken al "begrepen" (besloten) in Adam. Allen die daarna ter wereld kwamen werden verwekt en gebaard - geboren. Zo is Adam ("de mens", Gen. 2:7,'8,15,16, 18-23) het begin, de origine, het hoofd der mensheid - dus ook het hoofd (origine, begin) van Eva.
Als "hoofd" is Adam representatief en aanspreekbaar, misschien zelfs aansprakelijk m.b.t. het overtreden van het "proefgebod". Adam immers kende het proefgebod uit de eerste hand (God legde het hem op toen hij nog alleen was, Gen. 2: 16, 17). Eva kende het proefgebod denkelijk via Adam, dus uit de tweede hand: zij had het niet rechtstreeks van de Here God gehoord.
Daarom wordt tot Adam (en niet tot Eva) gezegd: .....waarvan Ik u verboden had te eten", Gen. 3:11.
Bovendien was Adam bij de verleiding door de slang en de overtreding van Eva aanwezig: ..en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at", Gen. 3:6. Dat maakt zijn overtreding des te kwalijker: hij greep niet in, weerhield Eva niet van het eten van de verboden vrucht en nam zelfs deel aan het kwaad. Als eerstgeschapene, als begin, als hoofd roept God hem ter verantwoording. Alle nadruk valt daarbij op het hoofd-zijn (en niet op het man-zijn). Bij de "vergelijking" Adam-Christus (tweede Adam) wordt noch Adam noch Christus als man opgevoerd in Rom. 5 en 1.Cor. 15 (vgl daarentegen de beeldspraak in 2 Cor. 11:2). Niet als man maar als eerste en tweede mens karakteriseert Paulus hen. Is de eerste Adam hoofd van de mensheid, de tweede Adam, Christus, is het hoofd (begin, origine, eerste) van de nieuwe mensheid.

Maar is nu het rechtstreeks verantwoordelijk gesteld worden ( representatief zijn) van Adam doorslaggevend en normatief voor de verhouding manvrouw alle eeuwen door? Zegt dat iets over een eventuele ongelijkheid van man en vrouw in rang en positie? En dat in die zin, dat aan de vrouw het uitoefenen van een (regeer)ambt in de gemeente voor altijd ontzegd moet worden? Is dat inderdaad een onwrikbare scheppings-ordinantie. Gezien de vele, ook leidinggevende, functies die vrouwen in het O.T. en N.T. van Godswege kregen toegewezen, kan men uit de Schriften niet als een absoluut gegeven afleiden, dat het een vrouw verboden is in de gemeente leiding te geven, een regeerambt te bekleden.

2. Moeten de vrouwen in de gemeente zwijgen...
Is daarmee niet volledig in tegenspraak wat Paulus betoogt in 1 Tim. 2 en I Cor. 14? Aan Timotheüs schrijft hij: "een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft: zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen" (1 Tim. 2: 11-14).
En aan de gemeente in Corinthe laat hij weten: "de vrouwen in de gemeente moeten zwijgen; want het is haar niet vergund (toegestaan) te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. En als zij iets willen te weten komen (onderricht ontvangen), moeten zij thuis haar mannen (om opheldering) vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente" (I Cor. 14:34b, 35).
Hij beroept zich op de de wet als bewijs dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen. Hij schrijf immers: ..ik sta niet toe ... ", "het is haar niet toegestaan ... ".
Dat is toch duidelijke taal?
Maar maken we op dit punt geen denkfout"! We moeten ons realiseren dat voor ons Paulus' woorden alleen maar vanzelfsprekend zijn omdat we bij een bepaalde eeuwenoude traditie zijn grootgebracht. Wij weten niet beter dan dat een vrouw in de gemeente geen geordende (laat staan leidinggevende) dienst vervult. Die vanzelfsprekendheid is zo groot. dat we niet eens verbaasd opkijken bij Paulus' woorden. En dat is nu precies wat we wel zouden moeten doen! Ons is immers verteld dat beperking naar geslacht sinds "Hand. 2" is opgeheven.
We lezen: in Christus is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk" (Gal. 3:28). We horen dat vrouwen. in de tijd van het N.T. allerhande diensten hebben vervuld in de gemeente (Rom. 16: I. 2: Phil. 4:2. 3: enz. enz.). We nemen er kennis van. dat het bijvoorbeeld een vrouw wel toegestaan is te bidden en te profeteren (zij het niet met ongedekt hoofd - dat was naar de zeden van die tijd. onbehoorlijk) in de bijeenkomst der gemeente ( I Cor. 11:5). Maar verbazen doen we ons niet... In feite was de vrouw in de gemeente zo onmondig. dat eerst in deze eeuw aan haar het aktief kiesrecht (mogen kiezen) werd "toegestaan ". in de Nederlands Hervormde Kerk ingaande 1-1-1923. in de Gereformeerde Kerken in Nederland in 1952 en in de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1968. Om over het passief kiesrecht (gekozen mogen worden) maar niet te spreken! Met name wie dat laatste verdedigt wordt argwanend aangezien en wekt de indruk de Schrift te weerspreken: het staat er immers heel duidelijk.

Wat staat er eigenlijk?
Het is de grote verdienste van dr D. Holwerda, dat hij heeft onderkend dat het in I Tim. 2: 11-14 en I Cor. 14:34b-35 in wezen om hetzelfde probleem gaat. In het eerste geval gaat het om vrouwen die onderricht geven. in het tweede om vrouwen die onderricht krijgen.
Keerzijden van dezelfde zaak.
Natuurlijk verbiedt Paulus aan vrouwen niet elke vorm van onderricht.
Waarvoor zouden ze dan anders nog de samenkomsten bijwonen?
Het gaat hem om een heel speciale vorm van onderricht. Dat verraadt het woordje "vragen" in I Cor. 14:35 (de Nieuwe Vertaling vult dat aan tot: om opheldering vragen).
Dat woordje "vragen" laat zien wat Paulus bedoelt. Het betekent nl. zoiets als "consulteren". Dat blijkt b.v. uit Luc. 3: 10-14. Johannes de Doper predikt in de Jordaanstreek. "Na afloop van de preek komen dan de verschillende groepen van luisteraars. de scharen.
de tollenaars: de soldaten. om Johannes te consulteren over de practische toepassing van zijn boodschap voor hen in het bijzonder. in hun concrete situatie.
Het laat zich denken. dat ten tijde van Paulus in de kerkdiensten naast andere vormen van onderlinge stichting ook een dergelijke gelegenheid tot "consult" heeft bestaan. waarbij gemeenteleden hun eigen moeilijkheden naar voren brachten en zo mogelijk aanwijzingen en adviezen ontvingen voor de toepassing van het evangelie in hun bizondere situatie."
Op dit ene punt consult geven of vragen brengt Paulus beperkingen aan voor de vrouw: hij staat het haar niet toe. het is haar niet toegestaan.

(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief