Het open vizier van J. Kamphuis (slot)

1987-10-09
  • Jaargang 31
  • nummer 38
In het vorige artikel hebben we gezien dat in de jaren van de Vrijmaking de kerkrechtelijke kwestie de onderhouding van art. 31 K. O. centraal is gesteld.
Ook wie zich in de leeruitspraak over het houden voor wedergeboren wel kon vinden werd tot vrijmaking opgeroepen.
Terecht spreekt J. Kamphuis van wat hij noemt het diffuse in de Vrijmaking, want er ontstaat een vreemde situatie, wanneer er een kerkscheuring zich voltrekt. op voornamelijk kerkrechtelijke gronden.

De eenheid van de kerk is allereerst een eenheid van geloven en belijden in Jezus Christus.
Er is ons in die dagen voorgehouden dat het niet geoorloofd is bij eenheid van belijden zich vrij te maken.
Wie echter geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor het onrecht in synodale handelingen van bindingen en schorsingen had toen en nu geen keus.
Wanneer er bij een conflict geen duidelijke confessionele bassis is en kerkrechtelijke handelingen de toon aangeven, ontstaat et een vertrouwenscrisis, waarin wortels der bitterheid welig kunnen opschieten. Vallen er schorsingen en wordt er een spel gespeeld met de kerkelijke regels dan geeft dit een enorme verwijdering tussen broeders en zusters.
Lezen we de kerkelijke pers van die dagen dan 'horen we allerlei klachten over wat ons is aangedaan; er is een zwarte lijst van geschorsten aangelegd?; de synodocraten zouden ons buiten het koninkrijk der hemelen gesloten hebben; Prof. K. Schilder is in het buitenland zwart gemaakt enz. enz.
Een artikel onder het hoofd: het mes van de kerkmoord begraven, laat zien hoezeer het vertrouwen zoek was.
Eénzelfde situatie is er na de scheuring van 1967: veel broeders en zusters hebben de Open Brief niet getekend, aanvaarden van harte de belijdenis, hangen geen dwalingen van zieleslaap e.d. aan, zijn voorstanders van een kerkverband dat art. 31 onderhoudt, maar kwamen door allerlei kwalijke handelingen met inbreuk op de regels buiten de kerken te staan.
Zette in 1944/45 de synode tot grote verontwaardiging een kerk buiten verband, in de zestiger jaren overkwam dit een heel provinciaal ressort! Wordt een ambtsdrager geschorst, afgezet of uit een classicale, evt. synodale vergadering weggestuurd dan is de gemeenschap zo geschonden dat een herstel menselijk onmogelijk wordt.
In de christelijke kerk, die een gemeenschap van geloof, hoop en liefde is, mogen we ons echter niet neerleggen bij een verscheuring van het lichaam van Christus.
Is er, zoals bij de Vrijmaking, geen confessionele basis voor het uiteengaan, welke houding moeten we dan innemen tegenover de broeders en zusters van wie we kerkelijk gescheiden zijn geraakt.
Op dit punt zien we de wegen in de vrijgemaakte kerken uiteengaan. Men kan een confessionele basis gaan zoeken b. v. in een leer van de kerk, die in 1944 (en in 1967?) niet is gescheurd, maar door Christus uitgeleid uit het diensthuis en zo bij de eenheid bewaard. In de Open Brief is de aandacht gevestigd op wat ik nu maar een soort theologie van de vrijmaking noem.
Er is dan geen scheuring. maar reformatie, men kan weer kerk zijn en wie zich in Christus' kerkvergaderend werk wil zien opgenomen moet zich bij deze ware kerk voegen.
Er is ook een andere weg, die wel vol moeite is en veel zelfverloochening vraagt, maar naar bijbelse maatstaf uitnemender is.
Zo waren er van gevoelen dat we, gezien het feit dat er in feite geen confessioneel conflict was, geroepen waren alles te doen om na een periode van afkoeling te komen tot verzoening met hen die ons buitengesloten hadden.
In de jaren 1944/45 waren de Geref. Kerken (syn) belijdenis en schriftgetrouwe kerken, die niet in diep verderf verkeerden.
Er waren mogelijk ondergrondse ontwikkelingen in oecumenische zin, maar juist om ongunstige verwikkelingen tegen te houden zouden pogingen tot hereniging en vereniging van de gereformeerde belijders in ons land positieve invloed kunnen hebben.
Wanneer men roemt in de “genade van de vrijmaking" zal men anderen daarin toch laten delen; we zien ook op wat van anderen is.
Er waren broeders en zusters die, gelet op wat de Schrift ons leert over de verzoening in Christus bloed. hebben gesteld dat de verdeeldheid zo klein mogelijk moest blijven en de breuk zo haastig mogelijk worden geheeld.
Om allerlei oorzaak is er geen verzoening tot stand gekomen en kwam er onderlinge verdeeldheid in de vrijgemaakte kerken.
In de Geref. Kerken (syn) heeft zich na 1960 een diep te betreuren ontwikkeling voorgedaan.
We kunnen daar breed de staf over breken, polemiseren en tot bekering roepen, maar onszelf ook afvragen wat wij hebben gedaan om hen in het goede spoor te houden. Moet het ons niet ter harte gaan dat kerken die tot zo grote zegen voor ons land zijn geweest hun gereformeerd karakter al meer kwijtraken.
Naast deze kerken leven nu zo'n tien soorten gereformeerde belijders die maar niet tot eenheid kunnen komen.
Zouden we niet treuren en ons verootmoedigen over de breuk van Sion? Bij het schrijven van deze dingen ben ik mij er van bewust dat ik geen "totaal-beeld" van de ontwikkelingen in de vrijgemaakte kerken heb gegeven. In kort bestek is dit niet mogelijk.
De weg van de kerken onder leiding van Prof. J. Kamphuis en zijn medestanders is duidelijk: zij gaan voort van Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking en moesten ons loslaten om met Christus voort te trekken.
Voor ons is het kerkvergaderend werk van de Here Jezus Christus veel meer genuanceerd met als centrum de prediking van het bloed der verzoening.
Daarom hebben we geen vrede met 1944 en 1967.
Overigens is een belangrijke vraag niet aan de orde gekomen: Wie zijn er kerkrechtelijk in het spoor van de vrijmaking gegaan.
Dit laat ik gaarne ter beoordeling aan de lezers over.
Er zou nog veel te zeggen zijn over de interviews met J. Kamphuis.
Ds v. d. Brink heeft terecht in ons blad geprotesteerd tegen diverse uitlatingen over voorgangers die ons lief zijn. Gelukkig is het weinig overtuigend.

Het boek is uitgegeven bij de Vuurbaak, heeft 128 pagina's en kost f 19,90.



Correctie

Mijn reeks over het Open Vizier van J. Kamphuis eindigde aldus:
Ds. v.d. Brink heeft terecht in ons blad geprotesteerd tegen diverse uitlatingen over voorgangers die ons lief zijn.
Gelukkig is het weinig overtuigend.

Hoewel de lezers begrepen zullen hebben dat de woorden "weinig overtuigend" niet sloegen op wat ds v. d. Brink schreef, wil ik - mogelijk ten overvloede - er op wijzen dat het mij ging over de beschuldigingen van J. Kamphuis, die, niet alleen bij ons, diepe verontwaardiging hebben gewekt.

H. J. v. d. Kwast


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief