Eeuwigheid en alomtegenwoordigheid
1988-10-21
Mattheüs 18 : 10 - Jaargang 32
- nummer 39
"Want ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is. "
Dogmatisch en vervelend?
Het is wel mogelijk, dat iemand bij het lezen van de titel bij zichzelf zegt: Dat wordt een dogmatisch en vervelend artikel. Ik lees het dus maar niet. Daar hebben de dogmatici het in de loop van de tijden eerlijk gezegd ook wel wat naar gemaakt! Indertijd moesten wij ons bij de studie ook uitvoerig bezighouden met de "eeuwigheid Gods". En daarbij werd dan een centrale positie ingenomen door de "definitie" van een zekere meneer Boëthius: Gods eeuwigheid is "een alles tegelijk omvattend en volmaakt bezit van een oneindig leven". Je kunt het ook nog anders vertalen, maar dat laat ik maar zitten. Een prachtige formule.
Maar ..... wie het snapt mag opstaan!
Ook over de "alomtegenwoordigheid Gods" kwamen geleerde zaken naar voren. Die laat ik maar weg, anders houdt u zéker op met lezen! Dan is het toch ook wel begrijpelijk, dat "eeuwigheid" en "alomtegenwoordigheid" door de kerkmensen werden opgeborgen op de zolder-van-de-theologen! Laten die zich er maar druk over maken! Voor ons gewone mensen is het toch een onvruchtbaar zaakje! Wij gaan ons niet te buiten aan de hersengymnastiek van de theologen. Maar zo kunnen we een paar prachtige woorden toch helemaal kwijtraken!Woorden die helemaal niet "theologisch" zijn en die een veel groter bereik mogen en moeten hebben dan een functie in de hersengymnastiek van de geleerden!
Geen belet bij God voor de kleinen
In Matth. 18 waarschuwt de Here Jezus zijn discipelen, dat ze de kleinen onder de gelovigen niet mogen verachten. Ze mogen niet worden als de vorsten van deze wereld, die eerst de belangrijkste zaken afdoen, dan de wat minder belangrijke zaken, om dan misschien aan het einde ook nog toe te komen aan het verzoek van een onbelangrijk mannetje dat uiteindelijk óók nog tot hun rijk behoort. Zo mag net in de kerk niet zijn. Dan zou ook het gevaar dreigen, dat die kleinen worden ontmoedigd, dat ze boos worden, dat ze afhaken en zo ten val komen. Om dat vreselijke te verhinderen zegt de Here Jezus hoe het bij zijn Váder gesteld is ten aanzien van de kleinen die in Christus geloven. En dan komt dat prachtige vers 10!
Je zou hier kunnen denken aan de "ladder van Jakob" (Gen. 28: 12-15). Ook daar de engelen die terwille van Jakobs zaak opklimmen tot God en van Godweer afdalen. Engelen als dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven (Hebr. 1 : 14). En de Here bedoelt nu te zeggen, dat er voor de engelen, diejuist deze kleinen hebben te dienen, bij de Vader nooit 'een verhindering is, nooit "belet". Zij kunnen met de noden van die kleinen altijd en onverwijld bij de Vader terecht!
Volgens waanwijze uitleggers hebben we hier te doen met een "primitievevoorstelling", alsof God de engelen zou nodig hebben om achter het lot van de kleinen te komen! Deze opmerking is eigenlijk nogal dom! De Here bouwt zijn rijk, Hij alleen. Maar Hij schakelt ons in in de arbeid voor zijn Koninkrijk. Wij mogen zinvol ar-,beiden! Maar als we dat doen trekken we onze arbeid toch niet àf van de eer en de heerlijkheid van de Vader?
Geen sprake van! Maar zou de Here dan aan zijn engelen-knechten niet een prachtige en zinvolle dienst kunnen geven zonder dat dat in aftrek moet worden gebracht van zijn Goddelijke eer en heerlijkheid? Die gedachte kan alleen maar opkomen als je God en mens, God en engel ziet als concurrenten! Een gedachte van haat en hoogmoed, alsof de Here God moet aftreden, als wij ergens aan het werk gaan. Neen, laten we elke gedachte aan een "primitieve voorstelling" met kracht van ons afwerpen!
Het wonderlijke
Maar nu het wonderlijke! Als kind vroeg ikme altijd al af, hoe dat nu mogelijkkon zijn. Hoeveel kleinen zijn er niet! En hoezeer zijn ze verspreid over de hele wereld! En hoeveel engelen hebben zich ten dienste van hen niet in te spannen! En hoe kunnen die engelen nu àllemaal voortdurend het aangezicht van de Vader zien? En hoe kan de Vader nu voortdurend al die zaken aanhoren? Kan Hij dan alle
dingen tegelijk? Kan Hij dan met zijn Goddelijke aandacht overal tegelijk zijn? Hoeveel gebeden worden er ook niet op één en hetzelfde moment naar Hem opgezonden?
Met dergelijke vragen zat ik dan. En ik heb ze ook wel eens gesteld! Kan God dan alles tegelijk? Kan Hij dan overal tegelijk zijn met zijn aandacht?
En toen werd het me gezegd: Ja, Hijkan het. Want Hij is eeuwig en alomtegenwoordig!
En zo kwamen deze woorden van de theologenzolder af. Ze kwamen tot leven! En ze werden tot een levende troost voor de kleinen, ook voor het nog jonge kind dat met die vragen zat!
Ja, Hij kan het, want Hij is eeuwig en alomtegenwoordig! Praktische troost.
Als je bidt behoef je niet bang te zijn, datje gaat lijken op een bewoner van bepaalde landen, die in de rij moet gaan staan om - zo mogelijk! - een stukje brood te bemachtigen en die dan zo vaak mismoedig wordt in die lange rij, zodat hij in zijn moeheid maar afhaakt! Het aantal bidders is groter dan die lange, lange rij. Het aantal engelen is groter dan de grootste massa wachtenden. Maar toch komt onze nood rechtstreeks bij de Vader! Want Hij is zo anders dan die winkelier in dat hongerland! Hij is eeuwig en alomtegenwoordig!
Merkwaardig! Nu zitten we niet eens zo erg ver van Boëthius af. Ook wij hadden het in onze vraag over "alles tegelijk" en hoe de Here dàt kon!
Maar het is zo'n groot verschil of je dat in een starre formule tegenkomt of in de overdenking van het levende Woord van onze vertroosting!
Bij het levende Woord moeten we altijd blijven. Dan komen de starre woorden zo vaak tot echt leven. Dan komen ze van de theologenzolder af om ons te troosten! Ja, Hij kan het, want Hij is eeuwig en alomtegenwoordig!
En als we dan de omgekeerde volgorde voor ons hebben, waarbij we dus van die woorden hebben uit te gaan en waarbij we die woorden hebben uit te leggen? Laten we dan nagaan hoe ze in het evangelie (de Goede Boodschap) tot onze troost naar ons toekomen: de Here die altijd en overal tegelijk en allen tegelijk nabij kan zijn!