Terloops ...

1988-10-21
  • Jaargang 32
  • nummer 39
Ik ging naar Bommel...
Eén van de bekendste gedichten van Martinus Nijhoff is hel volgende: Ik ging naar Bommel om de brug te Zien, Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden, werden weer buren. Een minuut of tien dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken, ' mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd-
laat mij daar midden uit de oneindigheid een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer.

En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
0, dacht ik, 0, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren Over de uitleg van dit gedicht is al heel wat geschreven. Hierop kom ik later nog eens terug. Ik wil nu even wijzen op enkele andere gedichten van NijhofT, zijn psalmberijmingen.
Nijhof Thield van het groene landschap, dat hem goed bekend was. Hij had een zus in Bommel wonen, die hij regelmatig bezocht. Het is waarschijnlijk, dat hij op de stadsdijk wel eens heeft staan kijken naar de bouw van de verkeersbrug.
De bouw van deze brug was destijds voorpaginanieuws: de eerste grote verkeersbrug in Nederland van ruim 900 meter. Toen de grootste, vandaag de smalste en gevaarlijkste verkeersbrug.
Over het groene landschap staat in de berijming van Psalm 23: 'Groen is het land waarin Hij mij doet komen ... ' God wijst de gelovigen rechte wegen en daarom moeten we 'Hem ... prijzen om zijn zegen' (slotregel Ps. 23: 1). De vrouw aan dek deed dat. Zij zong: 'Prijs God ...' Belangrijk is het ook te letten op de achtste regel. In 1 Samuël 3 : 11 lezen we (oude vertaling)! '... dat al wie het hooren zal, dien zullen zijn beide ooren klinken.' Een weinig voorkomende uitdrukking, waaraan NijhofTongetwijfeld gedacht zal hebben.
De woordkeus in het gedicht van NijhofTis dus ook in andere gedichten van hem terug te vinden. Om nog een voorbeeld te noemen: In Psalm 16 : 1zingen we: Bewaar mij, want ik schuil bij U, of God, Gij zijt mijn Heer, en mijn geluk is zeker.
Gij maakt bestendig mijn voorspoedig lot, Gij zijt mijn heil, mijn erfdeel en mijn beker; Gij deelt mij toe zo lieflijke landouwen dat mijn hart in mij opspringt bij 't aanschouwen.
In die liefelijke landouwen bevond de dichter zich, toen hij in 't gras lag bij Bommel, zijn hoofd 'vol van het landschap wijd en zijd'.

-O-

Het gedicht van NijhofT is een merkwaardig gedicht en de vraag is wat letterlijk moet worden genomen en wat niet. In hoeverre ging het echt om de nieuwe brug? De twee overzijden, die elkaar vroeger schenen te vermijden, zouden dan de Bommeierwaard en de West-Betuwe zijn. Van een vermijden was eigenlijk geen sprake, want een veer heeft beide zijden van de rivier al meer dan 1100 jaar verbonden. Maar, zoals gezegd, hoop ik op de uitleg nog eens terug te komen.
Het gedicht is ook een vroom gedicht; het spreekt van Gods bewarende hand.
Als je vandaag over deze, soms levensgevaarlijke, brug rijdt, is het goed daaraan te denken. Over een aantal jaren wordt deze brug afgebroken, nadat er een nieuwe is gebouwd. Ook dan kun je nog naar Bommel gaan om de brug te zien. Maar de schippersvrouwen op het dek zijn er niet meer. En als er nog psalmen gezongen worden op de schepen, die er varen, zalhet niet meer te horen zijn. Vandaag al overheerst het lawaai van het verkeer en straks zijn er geluidswanden, zodat je vanaf de brug geen gras en landouwen meer kunt ontdekken.
Zelfs zal de mooie Sint-Maarten niet meer te zien zijn vanaf de verkeersweg.
Maar in gedachten kunnen we het 'de moeder de vrouw' blijven na zeggen: 'Prijs God, Zijn hand zal u bewaren'.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief