Verantwoording (5-slot)

1987-10-16
  • Jaargang 31
  • nummer 39
bij de principiële uitspraak van de Nederlands Gereformeerde Kerk te Eindhoven dat de toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten op bijbelse gronden in principe verantwoord en gewenst is.

Achtergrond
Waarom sluit Paulus de vrouw daarvan uit? Waarom zegt hij o.m.: "het staat lelijk", dat wil zeggen het wekt afkeer op, het wordt als beschamend ervaren? Het antwoord is vrij simpel: in de toenmalige maatschappij was de positie van de gehuwde vrouw weinig benijdenswaardig.
In tegenstelling tot haar man bezat zij vrijwel geen enkel recht en geen enkele vrijheid. "Zij was alleen maar bestemd om kinderen voort te brengen en de huishouding van haàr man te regelen.
Van het openbare leven was zij geheel en al uitgesloten".
"De enige vrouw die in de griekse oudheid vrijuit in het openbaar met marinen discussieerde was de hetaere (een publieke vrouw uit de hogere klassen) ... de motieven tot diepgaande gesprekken waren bij deze dames "velerlei", zoals Paulus dat in 2 Tim. 3:6 opmerkt; "naast geestelijk zochten zij ook sexueel contact".

Het huwelijk in geding
Het was dus eenvoudig ondenkbaar dat een gehuwde vrouw in het openbaar optrad en een discussie aanging. Wanneer Paulus op dit ene punt aan de gehuwde vrouw een beperking oplegt, is dat niet om haar in de positie van "practisch slavin" te laten blijven. Daar wijst hij de mannen duidelijk op, met verwijzing naar "de wet", het "in den beginne" (Ef. 5:25-3 3). Maar evenmin wil hij dat de vrouw haar eigen man passeert, voorbij ziet, en op eigen gezag (met negering van de "in den beginne" gegeven eenheid) gaat handelen. Het in 1 Tim. 2: 12 door "gezag hebben (over de man)" vertaalde griekse werkwoord betekent in feite: "op eigen gezag handelen (nl. met passering van bevoegde instanties), het recht in eigen hand" nemen, eigenmachtig beslissen, eigen baas zijn, niet aan een ander ondergeschikt zijn."
Het laat zich denken dat getrouwde christen-vrouwen nieuwe hoop kregen en het licht zagen gloren bij de verkondiging: in Christus is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk (Gal. 3:28; hetzelfde gold m.n. van slaven!)

Kennelijk nemen ze daar een voorschot op, zij het niet in de stijl van het Koninkrijk van God. Ze willen forceren (te goeder trouw), met alle geweld (zonder de situatie te doorzien), daar waar Woord en Geest het werk moeten doen en harten - ook van mannen - veranderen.
Maar zo doende doorbreken zij wel de grenzen van het (toen) betamelijke en geven zij aanstoot: men spreekt er schande van ("het staat lelijk"), waardoor de goede boodschap in een kwaad daglicht kan komen te staan. Licht kon gezegd worden: die christen-vrouwen hebben geen enkel respect voor haar man en steken de draak met het huwelijk.
Dat zou eerst goed feministische emancipatie zijn!

Eenheid naar "de wet"
Publiek consult geven, dan wel vragen, met de daarbij behorende openlijke discussie, kon dus m.b.t. gehuwde vrouwen grote problemen met zich meebrengen.
Een daarvan was dat een vrouw "over haar man heen liep".
Daarmee negeerde zij publiekelijk en uitdagend de eenheid met haar man, de door God "van den beginne" gegeven eenheid (Gen. 2:23-25). Let wel, een evenwichtige eenheid: de vrouw staat niet achter haar man (als mindere), noch voor hem - zij staat "aan zijn zijde" (Gen. 3: 12) als "een hulpe tegen hem over" (Gen. 2: 18 St. Vert.). Er was, noch is sprake van meerdere of mindere.
Wanneer nu op dit ene punt (publiek consult geven dan wel vragen) ontsporingen dreigen te komen, ontsporingen in de onderlinge verhoudingen tussen man en vrouw, dan brengt Paulus "de wet" in geding. In 1 Cor. 14:34 voert hij aan: "zoals ook de wet (thora) zegt". De vrouw moet aan haar man "ondergeschikt" blijven: zij mag hem niet passeren, over hem heen lopen (1 Tim. 2: 12). "En ook bij dat laatste brengt Paulus dan "de wet" (thora) ter sprake: "want eerst is Adam geformeerd, en daarna Eva. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen: Dat risico zat er opnieuw in: de bij de schepping, in den beginne, gegeven eenheid mag niet weer in gevaar komen. Het passeren van haar eigen man typeert Paulus als het zich niet schikken in de"bestaande "orde", een niet-onderdanig-zijn. Een publiekelijk optreden van de vouw met passering van haar eigen man zou in het toen bestaande cultuurpatroon als uitdagend en beschamend worden ervaren. Het zou huwelijken schaden, de gemeente in een kwaad daglicht stellen en de voortgang van het evangelie belemmeren.
Tegelijk laat Paulus (net als Petrus, 1 Petr. 3:1-7) weten, dat deze onderschikking deel uitmaakt van de onderlinge schikking in de gemeente: "weest elkander onderdanig" (Ef. 5:21-33).
Paulus wijst de vrouw die de eenheid met haar man publiekelijk negeert door haar optreden, op de van den beginne door God gegeven eenheid. Precies zo wordt de man, terwille van diezelfde eenheid, op punten gewezen waarbij ook de "wet" wordt geciteerd (Ef. 5:25-33; m.n. vs 31; vgl. 1 Petr. 3:7).

Betamelijkheid als kader
Het kader waarin Paulus dit alles plaatst, is dan ook: "laat alles betamelijk en overeenkomstig de goede orde geschieden" (1 Cor. 14:40). Alsook: men moet "weten hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God" (1 Tim: 3: 15 - zijn eigen typering voor wat hij schreef in 1 Tim. 2:1-3:13).

Samenvatting
Samenvattend valt er dus steeds op drie belangrijke punten te wijzen bij de aan de orde zijnde en andere vragen:

1. een vasthouden aan de doorgaande lijn in de heilshistorie: de geleidelijke ontplooiing van het heil;

2. een nauwkeurige bestudering van uitspraken in het evangelie: verrijkte kennis van de talen van de bijbel en de toenmalige achtergrond;

3. een in rekening brengen, dat het Koninkrijk van God niet komt met geweld, met omverwerping van de toen bestaande structuren.

De factor van de geleidelijkheid staat de verwerkelijking van het heil niet in de weg. Gaandeweg kan in de gemeente van Christus zichtbaar worden, hoe God zich de samenleving in Zijn koninkrijk had gedacht. dat geldt dus ook inzake de plaats van de vrouw in de gemeente.

Aanbevolen literatuur: Een bredere behandeling van 1Cor.14:34, 35 is te vinden in de Opbouwartikelen van dr D. Holwerda, in de brochure "De plaats van de vrouw in de gemeente" en in een apart artikel ,,1 Timotheüs 2 en Numeri 30" in Opbouw, jaargang 30, nr. 6, d.d. 7-2-'86).
Hiervan is in het bovenstaande gebruik gemaakt.
Zie van dezelfde schrijver ook het artikel: "Kent de Schrift vrouwelijke diakenen?" in Opbouw jaargang 30 nr.14 en 15 d.d. 4 en 11-4-'86.


Bovenstaande "Verantwoording" is toegezonden aan de e.k. Landelijke Vergadering, met het verzoek deze te toetsen en een uitspraak dienaangaande te doen.
Opdat in de kerken een bredere kring dan alleen de afgevaardigden (en de kerkeraden) zich een oordeel zou kunnen vormen, is de "Verantwoording" in Opbouw geplaatst.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief