Geloven we het wel? (5)
1987-10-30
Over kerkverlating - Jaargang 31
- nummer 41
Vorige week werd gesproken over de huidige complexe samenleving, die o.a. tot gevolg heeft dat het proces van volwassenwording langer duurt. Ook werd gekonstateerd dat de positie van de kerken en van hef christelijke gezin in veel gevallen minder duidelijk is geworden. Deze week wordt o.a. aandacht besteed aan het onderzoek van Van der Ploeg ( 1) en aan de vraag in hoeverre we zijn ingespeeld op een veranderde samenleving (de gegevens van Stoffels en Dekker). in het vijfde en zesde deel van deze serie zijn tevens reakties verwerkt naar aanleiding van de inleiding op de predikantenkonferentie.
Van der Ploeg
Na het verschijnen van het "Lege Testament"
van Piet van der Ploeg verschenen er in de christelijke pers tientallen ingezonden brieven. Het dagblad 'Trouw' bundelde zelfs een aantal reakties tot een apart boekje (2). Vaak kwam de kritiek erop neer dat de schuld door Van der Ploeg te eenzijdig naar de ouders toe werd geschoven. De auteur was immers tot de konklusie gekomen dat zij er niet in waren geslaagd de betekenis van het geloof over te dragen aan hun kinderen. Bovendien betreft het onderzoek van Van der Ploeg een kleine en 'selekte' groep jongeren. Ds M. H. T. Biewenga heeft in 'Opbouw' aandacht besteed aan het onderzoek van Van der Ploeg. Ook hij wijst op eenzijdigheden in de opzet en de uitkomsten van het onderzoek (3). Niettemin is de Zoetermeerse predikant van mening dat we goede aandacht moeten besteden aan de uitkomsten van het onderzoek.
Ik ben dat helemaal met hem eens. Immers: de konklusies die in 'Het Lege Testament' getrokken worden zijn hard, maar kunnen helaas ook harde realiteit zijn.
Gewoonten en betekenis
Kerkverlating, zo konkludeerde Van der Ploeg, wordt niet veroorzaakt door de bedoelingen van de ouders; zij willen het geloof wel overdragen aan hun kinderen.
De ouders van de 16 ondervraagde jongeren zijn daar echter niet in geslaagd. Daar waar wèl 'christelijke' gewoonten aanwezig waren, lukte het niet om de betekenis van die gewoonten over te dragen. (Dezelfde gevolgtrekking zou men ook ten aanzien van de kerken kunnen trekken). Opvallend was tevens dat er in het merendeel van de gezinnen niet over het geloof werd gesproken.
Daarmee ontstond de situatie van goedbedoelde ouders, die er niet in slaagden de betekenis van het geloof over te dragen aan hun kinderen. Duidelijk werd tevens dat niet het 'huis uitgaan' een oorzaak is van kerkverlating, maar dat de wortels van die kerkverlating al veel eerder liggen.
In het derde deel van deze serie werdgeschreven dat gewoonten erg belangrijk zijn binnen de opvoeding.
Wanneer de betekenis van de gewoonten niet mee wordt overgedragen, verliezen ze op den duur binnen de opvoeding hun waarde, 'werken' ze niet meer.
Voor alle duidelijkheid moet hier nogmaals worden gezegd dat er uit deze resultaten nooit de konklusie getrokken mag worden dat er 'dus' geen betekenisvolle overdracht is geweest in gezinnen waar kinderen de kerk de rug toekeren.
Vroeger en nu
Nu kan men zich afvragen waarin dan het verschil zit tussen de westeuropese kultuur van 'onze' jaren tachtig en van vroeger jaren. (We moeten het verleden - ook in dit opzicht - trouwens niet gaan idealiseren: kerkverlating bestaat al sinds Kaïn).
Wanneer Stoffels en Dekker schrijven dat er sprake is van een verminderde godsdienstigheid, van een verminderde reikwijdte van de godsdienst en van een aanpassing van de godsdienst (4; zie 'Opbouw' van vorige week), dan betekent dat dat de godsdienst minder herkenbaar is geworden. Dat kan een probleem zijn voor de jongeren, maar ook voor ouderen. Voor jongeren omdat zij -langduriger dan vroeger - bezig zijn met het zoeken naar een eigen weg.
Voor ouderen betekenen de vele veranderingen niet zelden een ontworteling van oude zekerheden, met alle teleurstelling van dien.
De verminderde herkenbaarheid van de godsdienst heeft tot gevolg dat de geloofsopvoeding bewuster moet plaatsvinden, en dat het aksent binnen deze opvoeding veel meer bij het gezin komt te liggen. Vroeger waren er - als het ware - meer mensen en meer organisaties die van betekenis waren bij de opvoeding in het geloof. Daar waar de geloofsoverdracht in het gezin faalde, waren er altijd nog andere 'strukturen' die die betekenisvolle overdracht mee-bepaalden. Om het iets anders te formuleren: daar waar de geloofsopvoeding in het gezin faalde, waren er meer kansen dat anderen die opvoeding 'haast vanzelf overnamen (andere gezinnen, belangrijke mensen in de omgeving, de school). Die invloeden zijn in onze tijd veel minder vanzelfsprekend geworden; ,je kunt er niet meer op rekenen".
In zekere zin is de huidige opvoeding in het geloof moeilijker geworden, want de overdracht van het 'waarom', van de betekenis van het geloof is in onze samenleving minder vanzelfsprekend geworden.
Daarmee is het kernpunt van de christelijke opvoeding meer bij de christelijke gezinnen komen te liggen.
De vraag is of we ons dat voldoende hebben gerealiseerd.
Een les in stilte
Misschien legt de huidige 'tweede golf van kerkverlating' wel een zwakte bloot: hebben we geleerd om als christenen te leven in een samenleving waar de christelijke elementen steeds verder op de achtergrond zijn geraakt? Of legt deze tijd tevens geestelijke armoede (een gebrek aan geestelijke wapenrusting) bloot? Hebben we de opvoeding niet te gemakkelijk toevertrouwd aan allerlei organisaties? Die organisaties zijn zeker van grote betekenis, maar kunnen nooit de taak van de opvoeding zo overnemen als in het gezin gebeurt (een school is b.v. in de eerste plaats een onderwijsinstituut). Wanneer we ons dat realiseren, kan ook het besef groeien dat we heel 'bewust' met de geloofsoverdracht bezig moeten zijn. Dat zou zelfs winst in geloofshouding en -praktijk kunnen betekenen. Ik noem één voorbeeld: het leren van een psalmvers wordt gemakkelijk naar school 'gedelegeerd' ... waarom niet in het gezin?
"Het is niet mogelijk een antwoord op de vragen rond het binnen de kerk blijven of de kerkverlating te vinden, zonder het voorafgaande besef van de konsekwente trouw van God aan wat Hij ouders en kinderen beloofd heeft. Voor dat besef lijkt een "les in stilte" onontbeerlijk. Eerder kunnen ouders en gemeente niet tot aktie overgaan"
(5).
Literatuur
(1) Piet van der Ploeg, Het Lege Testament (Wever, 1985) .
(2) Bert de Jong (redaktie): De lege kerk, een grote zorg (Trouw, 1985)
(3) Ds M. H. T. Biewenga: Over jonge kerkverlaters en oude regels (Opbouw, 25 oktober 1985 tot 15 november 1985)
(4) Drs M. C. Stoffels en Dr G. Dekker: Geloven van huis uit? (Kok, 1987)
(5) Dr J. Stolk: "Een les in stilte" (Bulletin Evangelisch Welzijns Beraad, november 1985).