Een huisbezoek-verslag (1)
1987-11-06
Het kleine boekje van de profeet Maleachi zou je een 'huisbezoekverslag' kunnen noemen, waarin èn de profeet èn het volk uitgebreid aan het woord komen.- Jaargang 31
- nummer 42
In een zevental gesprekken gaat Maleachi diepgaand in op Israëls geloofsleven.
Het optreden van de profeet Maleachi valt in de tijd na de ballingschap.
De teruggekeerde Joden waren aanvankelijk met veelgeestdrift begonnen aan de wederopbouw van de tempel en van Jeruzalem, daarbij bemoedigd door mannen als Haggaï en Zacharia, die het volk weidse perspektieven boden.
Maar men kreeg nogal wat teleurstellingen te verwerken. Politiek bleef men afhankelijk van buitenlandse machten. En ook ekonomisch ging het barslecht.
Het land werd geteisterd door droogte, ziekten in het gewas en sprinkhanen.
Identiteitscrisis
Door dit alles raakte Israël in een identiteitscrisis. Ze kwamen met zichzelf overhoop te liggen. Ze meenden het volk van God te zijn. Maar alles schijnt dat tegen te spreken. Ze vragen zich af wat de zin van hun, godsdienst is en wat er terecht komt van de mooie beloften van hun profeten.
En van lieverlee raakt Israëls geloofsleven door en door verziekt. De tempeldienst raakt verwaarloosd.
Het volk brengt ondeugdelijke offers (1 :7, 8) en de priesterschap laat dat toe. Op de tienden voor de eredienst wordt zwaar bezuinigd (3:8 vv). Het huwelijks- en gezinsleven raakt in diep verval (2: 10 vv) en de broederschap valt uiteen. Rijken buiten armen uit (3:5). De band met God wordt niet ervaren en daarom niet beleefd.
Geloof contra ervaring
Het eerste wat Maleachi het volk in deze situatie te zeggen heeft, is, dat de HE ERE hen liefheeft. Dat God in zijn liefde voor het volk niet in het minst veranderd is. Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE. En Hij heeft hen nog lief.
Maar daar zijn de Joden niet zomaar van overtuigd. Moedeloos en weerbarstig sputteren ze tegen: En waar mag dat dan wel uit blijken? Wat is dat voor een liefde die hen zo in de misère laat?
Een merkwaardig aktuele vraag. Ook vandaag ligt deze vraag velen voor in de mond. Want wat merk je van Gods liefde? Als gekeken wordt naar de situatie van kerk en wereld of als we als enkeling ons levenslot in ogenschouw nemen, dan hebben we zo onze twijfels.
Gods beloften zijn wondermooi.
Maar wat komt ervan terecht? We staan voor de kloof tussen geloof en ervaring.
Geloof en verkiezing
God beantwoordt· Israëls vraag bij monde van Maleachi met een tegenvraag: Was niet Esau Jakobs broeder? Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.
Eigenlijk gaat God op Israëls vraag niet in. Hij gaat niet op allerlei tekenen wijzen om zo zijn liefde te bewijzen.
Maar Hij wijst op het ondoorzichtige en onbegrijpelijke geheimenis van Israëls verkiezing. Waarom koos God Jakob uit i.p.v. Esau? Is die keuze natuurlijk en vanzelfsprekend?
Nee, dat is Gods koninklijke vrijmacht geweest. God bepaalde zijn keuze nog voordat de kinderen geboren waren, dus nog voor ze goed of kwaad gedaan hadden (Rom. 9: 11).
En God bleef trouw aan deze keus.
Hij bleef voor Jakob kiezen, ook al ontpopte deze zich als bedrieger. God bleef Israël kiezen, ook al trapte het Hem voortdurend op het hart.
Verkiezing vraagt om verwondering
Hier past maar één reaktie: dankbare verwondering. We hebben immers geen recht op Gods liefde. God is het toch niet aan ons verplicht?
Verdienen we dan tekenen van zijn liefde?
Deze manier van denken ligt ons totaal niet. Als we tegenslagen te verwerken krijgen zijn we veel eerder geneigd te denken: waaraan hebben we dat verdiend! We vinden voorspoed vaak veel vanzelfsprekender dan te genspoed. Maar in wezen hebben we nergens recht op.
Waarom staat Jakob niet in plaats van Esau? Waarom gaat Gods liefde uit naar Jakob en niet zijn háát? Toch heeft God Jakob liefgehad en Esau gehaat.
Dit is wel één van de meest omstreden woorden uit de Bijbel. Volgens mij hoeven we toch niet te denken dat God al in zijn woord tot de zwangere Rebekka Esau heeft voorbestemd voor de hel.
We moeten ons realiseren dat het woord 'haten' in de Bijbel niet altijd de puur negatieve betekenis heeft die wij eraan geven. Vaak betekent het niet meer dan 'iemand op de tweede plaats zetten'. Zo lezen we in Gen.
29:31 in de Statenvertaling dat Jakob Lea haatte. Maar de kanttekeningen zeggen dan al, dat het woord 'haten' soms wordt gebruikt voor 'minder liefhebben' .
En Jezus heeft eens gezegd (Luk. 14: 26), dat we onze ouders en familieleden en vrienden moeten haten als we Hem willen volgen. Het is zonneklaar dat hier alleen bedoeld kan zijn, dat we dezen niet mogen liefhebben bóven Hem. Nu, zo gaf God in zijn verlossingsplan de voorkeur aan Jakob boven Esau. En als Esau zich naar dat plan had willen voegen, was hij in Jakob ook deelgenoot geworden van het heil. Maar Esau heeft dat niet gewild, evenmin als zijn nakomelingen, de Edomieten. Edom heeft het broedervolk Israël de eeuwen door vijandig bejegend. En toen Israël in ballingschap werd gevoerd wreef Edom zich in de handen. Over die weinig fraaie rol van Edom lezen we bij Obadja. En zó heeft Edom zich uiteindelijk Gods haat in de meest verschrikkelijke vorm op de' hals gehaald.
Edom zal worden verwoest en geen herstel meer zien. (vs. 4)
En wat moet nu Jakobs reaktie zijn?
Op zijn beurt vol leedvermaak Edom toeroepen: Net goed? Is er voor Israël ook maar enige reden om bij Maleachi's profetie over Edom glimlachend vast te stellen: Wij zijn in Gods ogen dan toch maar de 'ware Jakob'?
Nee, laten ze zich herinneren wat Amos ooit eens heeft gezegd (Amos 9:7-10). Er is geen enkele reden om te roemen, alleen tot verwondering.
Verwondering leidt tot verootmoediging
Niets is onbegrijpelijker dan Gods liefde voor ons. De hoofdoorzaak van de geloofscrisis van Israël in Maleachi's tijd is het ontbreken van de "vreze des HEEREN", het besef van de oneindig grote afstand tussen God en ons.
Die vreze Gods ontbreekt bij ons ook maar al te veel. We doen vaak alsof we. met God op voet van gelijkheid om kunnen gaan. We gaan vanzelfsprekend uit van zijn liefde. En we zullen zelf wel even zeggen hóe God ons moet liefhebben, en wáár en wanneer en door wie of wat. En als God ons niet op dié manier liefheeft, dan begrijpen we Hem niet meer. Dan vinden we Hem oneerlijk. En dan roepen we Hem ter verantwoording: Hoor eens even, beste God - klopt dit of dat wel met uw veelgeprezen liefde?
Ik had het me toch wel anders voorgesteld.
Maar is dat juist niet vaak onze fout?
We maken ons van Gods liefde een bepaalde voorstelling, een beeld - een afgodsbeeld. En we verlangen, dat God ons zal liefhebben naar ons beeld van God.
Maar Maleachi wijst ons dan onze plaats onder God. Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE .. En nergens is dat duidelijker geworden dan op Golgotha (zie Rom. 8:31 vv). In Christus, die zich in onze plaats heeft laten verwerpen en Gods eeuwige toorn onderging.
Daarom - ook al is in ons eigen leven misschien het bewijs van Gods liefde nog niet geleverd Of nog niet opgemerkt, laten we komen tot de vreze des HEEREN. Dat betekent: ophouden met direkt klaar te staan met onze eisen en oordelen. En in plaats daarvan ons volledig aan Hem uitleveren in aanbidding en vertrouwen, vol verwondering dàt God ons liefheeft.