Evenwichtig evangelisatiewerk (1) 1
1987-11-06
Kort na de buitenverbandzetting lezen we in het jaaroverzicht van één vim onze gemeenten: "Op de vraag of (door ons) iets gedaan is aan evangelisatie zal het antwoord moeten luiden - zoals meestal antwoorden luiden wanneer in de classis een desbetreffende vraag aan de verschilleride kerken gesteld wordt: geen direkte evangelisatie ... " 2).- Jaargang 31
- nummer 42
Wie zich verdiept in het evangelisatiewerk van onze kerken voor 1968 zal toegeven, dat dit citaat een goede typering van heel de situatie is: hoewel uitzonderingen aanwijsbaar zijn is de gerichtheid hoofdzakelijk binnenkerkelijk.
Na de breuk vindt er echter een kentering plaats, overigens ook binnen de Geref. Kerken (Vrijg.)! In het denken en doen van onze gemeenten zien we het evangeliesatiewerk een steeds centralere plaats innemen. Momenteel houden vele kerken zich bezig met georganiseerd evangelisatiewerk. Een m.i. verheugende inhaalmanoeuvre.
Of we het bij deze positieve waardering moeten laten ...?
Eén van de konklusies die ik geneigd ben uit het onder noot 1 genoemde onderzoek te trekken is, dat de huidige omgang met evangeliesatiewerk onder ons mank gaat aan een zekere eenzijdigheid.
Waaraan namelijk denkt de gemiddelde Nederlands Gereformeerde bij het woord "evangelisatiewerk'"!
Aan het organiseren van een wervende aktiviteit. Zo stelden we aan de scriba 's van onze kerken de volgende - breed geformuleerde - vraag: "Welk beleid voert de kerke raad om de gemeenteleden te stimuleren en toe te rusten tot het benaderen van de hen omringende ongelovigen met het evangelie?". Steevast antwoordden de scriba's uit de gemeenten met georganiseerd evangelisatiewerk: "Er is een Evangelisatie Commissie".
Hieruit blijkt, dat de eerste associatie bij het woord "benaderen van buitenstaanders met het evangelie"
voor zeer velen "gemeentelijk-georganiseerd evangelisatiewerk" is.
Meerdere voorbeelden uit de enquête zouden dit kunnen aantonen.
Het is de vraag of dit een evenwichtige omgang met evangelisatiewerk is. Reikt de Schrift niet veel meer vormen van evangelisatiewerk aan?
In een tweetal artikelen, die de vorm van een uitgewerkte Schriftstudie hebben, hoop ik een viertal kanten aan het evangelisatiewerk naar voren te brengen, die mogelijk aanleiding kunnen zijn voor een evenwichtiger omgang met evangelisatiewerk.
Het gemeente-zijn
Het eerste wat in gedachten mag komen bij het woord "evangelisatiewerk" is m.i.: gemeente-zijn. Te denken valt aan een werkelijk funktioneren van de gemeenschap der heiligen. De vrucht van de Geest -liefde, blijdschap, vrede enz.die gestalte krijgt in het gemeenteleven is van direkt evangelisatorisch belang.
Ter ondersteuning van deze stelling gaan we in op Psalm 67. We zullen dan zien, dat bovengenoemd gegeven zich zowel in kritische als in bevrijdende zin laat uitwerken.
Om met het eerste te beginnen: in Psalm 67: 2, 3 lezen we: "God zij ons genadig en zegene ons, Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten; opdat men op aarde Uw weg kenne, onder alle volken Uw heil."
De dichter spreekt uit: moge God ons zegenen, opdat de aarde kenne.
Hij ziet de ontvangen zegen hier als middel waarmee God op de volken mikt. Zegen is geen doel in zichzelf - zo staat het hier geformuleerd - maar "slechts" middel. Zo vol is de dichter van de volkeren, dat hij hier enkel met het oog op hen over de zegen spreekt.
Hoewel deze woorden op zich niet kritisch bedoeld zijn kan er wel een kritiek van uit gaan. Het is heerlijk om de gemeenschap der heiligen te mogen ervaren als een eiland van rust te midden van de kolkende wereldzee. Wat een zegen is dat! Deze zegen kan echter zozeer doel in zichzelf worden, dat we al te introvert worden, dat we onszelf losmaken van het verband waarin God ons tot de wereld gesteld heeft. De gemeente ontvangt de zegen - de vrucht van de Geest - echter mede in het perspektief "Dat de volken U loven, 0 God, dat de volken altegader U loven" (:4, 6). Zo bezien werkt Psalm 67 kritisch in op de wijze waarop wij met ons gemeente-zijn· om kunnen gaan.
In Psalm 67 zit echter ook een heel bevrijdend element. In vers 8 vinden we het gezegend worden opnieuw in relatie met de volkeren gebracht. Zij het niet op de wijze zoals het N.B.G. dat aan-: geeft. Het N.B.G. vertaalt:8 precies als :3: "God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen". Het hebreeuws legt echter wel degelijk een accentverschil, zodat we beter kunnen vertalen: "God zegent ons, en alle einden der aarde zullen Hem vrezen".
De strekking van het vers verandert wel door deze vertaling. Nu spreken de slotwoorden vol vast vertrouwen uit, dat het gezegend worden overtuigingskracht in zich heeft. Spreekt :3 uit, dat Gods zegen het kennen van God onder de volken bedoelt, :8 spreekt uit dat Gods zegen de vrees voor God onder de volken vanzelfsprekend met zich meebrengt.
Gods zegen spreekt voor zich.
Een heel mooi voorbeeld hiervan is de eerste christen-gemeente te Jeruzalem.
Hand. 2:41-47 spreekt van wonderen en tekenen, het alles gemeenschappelijk hebben, het uitdelen aan allen, het eendrachtig verblijven in de tempel, het breken van het brood aan huis, het gebruiken van de maaltijden met blijdschap en het loven van God. Het gevolg is, dat de gemeente in gunst komt te staan bij het hele volk.
En zo kan deze overgave aan God en aan elkaar een middel worden om de Kerk uit te breiden. De onderlinge betrokkenheid blijkt van direkt missionair belang.
Dit is een bevrijdend gegeven. Juist nu onder ons de drang zo groot is om gemeentelijk-georganiseerd evangelisatiewerk te doen. Het gevolg van deze drang kan een kramphouding zijn. Alsof een gemeente pas -dan missionair is wanneer ze het evangelisatiewerk organiseert.
Het gevolg hiervan is, dat we onszelf heel gauw al te introvert vinden.
Mogelijk zelfs gaat onze betrokkenheid op de gemeente gepaard met schuldgevoelens: ben ik soms op een oneigenlijke manier bezig?
Bevrijdend is het dan om te zien, dat de betrokkenheid op de gemeenschap der héiligen, het gezamelijk ontwikkelen van de vrucht van de Geest, een belofte in zich draagt: ...en alle einden der aarde zullen vrezen.
Het door laten werken van de vrucht van de Geest in het leven van de gemeente is van missionair belang. Laten we er gerust tijd voor nemen!
Prediking en eredienst
De wekelijkse eredienst. met z'n Woordverkondiging is een volgend middel van evangeliserend bezig zijn.
M.i. is het zelfs zo" dat de gewone eredienst een beter middel is dan de "buitengewone" evangelisatiediensten!
Van belang is 1 Kor. 14:23-25: "indien dan de gehele gemeente bijeengekomen is en allen in tongen spreken, en er komen toehoorders of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat gij wartaal spreekt? Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, dan wordt hij door allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is".
Het boeiende van deze verzen is, dat de inrichting van de samenkomst ter wille van de toehoorders en ongelovigen gewijzigd moet worden.
Aan het publiek karakter van de samenkomst ontleent Paulus zijn argument om de invloed van tongentaal in de samenkomst terug te dringen ten voordele van de profetie. De korinthische inrichting van de samenkomst was een sta-in-de-weg om ongelovigen te bereiken.
Daarom moest er wat aan veranderd worden. Gods Woord moet niet in wartaal, maar in voor buitenstaanders toegankelijke bewoordingen verkondigd worden.
Vervolgens legt Paulus een accent op het "ontdekkende" karakter van de profetische prediking. De profetie is "relevant" voor de toehorende mens, hij herkent zichzelf daarin. Uit Paulus' woorden blijkt, dat door de profetie de toehoorder voor een glasheldere spiegel geplaatst wordt. De goddeloze zondaar in die mens komt aan het licht, wordt geplaatst voor Gods troon en uitgedreven naar het kruis van Christus, Relevante prediking is Christusprediking!
liet gaat hier dus niet om infantiele of modernistische prediking. Het gaat om een prediking waardoor de "naakte mens" - niet alleen de kerkmens of de toegewijde christen - bekritiseerd en opgebouwd wordt. Betekent dit nu, dat we van de wekelijkse samenkomsten evangelisatie-diensten moeten maken?
En dat we elk kerkelijk taalgebruik afschaffen?
Dat is niet alleen onmogelijk, maar ook hoogst onverstandig. Primair dient de eredienst de gemeente van Christus op te bouwen. Dit neemt echter niet weg, dat we het feit, dat de kansel midden in de wereld staat wèl gestalte moeten proberen te geven.
Waarom zouden we niet beginnen met het inbouwen van· "missionaire momenten” in de dienst? Niet een onnatuurlijk aanspreken van de ongelovige mens, maar wel een moment van verwoording, waarin héél de gemeente - van jong tot oud, van gelovig tot ongelovig - zich in kan herkennen?
Ook de hele sfeer in de dienst is van belang: is die dusdanig, dat ook buitenstaanders zonder enige schroom meegenomen kunnen worden door familie en vrienden, omdat ook zij zich thuis zullen voelen en omdat er ook voor hen "iets te halen valt"? Te denken valt ook aan de wijze waarop we de bijbeluitleg verwoorden. Zonder aan kracht in te boeten moet het mogelijk zijn middels kreatieve, beeldrijke taal niet alleen de bijbelkenners tevreden te stellen.
Hoe de uitwerking ook is, de vraag naar het missionair gehalte van onze kerkdiensten lijkt een vraag, die we onder ogen zullen moeten zien.
1) Deze artikelen zijn een eerste uitwerking van een onderzoek dat ondergetekende binnen de N·ed. Geref. Kerken deed naar het evangeliserend bezig zijn van onze kerken. Dit onderzoek vond plaats in het kader van de doktoraalstudie aan de Theologische Hogeschool van Chr. Geref. Kerken te Apeldoorn" onder begeleiding van Prof. Dr. W. H. Velerna. Gezien het nog niet behalen van het doktoraal vormen deze artikelen meer de prolegomena op dan de inhoud van de skriptie.
2) Ds. J. H. Kamerbeek in "Het kerkblad van de Gereformeerde Kerk te Apeldoorn en omgeving".
7 maart 1969.