Geloven we het wel? (6)

1987-11-06
  • Jaargang 31
  • nummer 42
In het vorige nummer werd opgemerkt dat het aksent van de geloofsoverdracht in onze tijd (weer) meer bij het gezin is komen te liggen. De vraag werd gesteld ofwe ons dat wel in voldoende mate hebben gerealiseerd, en of we niet te gemakkelijk hebben 'getekend' op de positieve invloed van allerlei christelijke organisaties.
Deze week opnieuw de vraag of we ons in ons denken over kerkverlating met teveel laten afleiden van het hart van de zaak waar het werkelijk omgaat.

Traditie of vernieuwing?
Bij de diskussie over kerkverlating wordt er nogal eens op gewezen dat in vroeger jaren veel minder mensen de kerk de rug toekeerden. Indirekt draagt deze gedachte dan vaak nog een andere stellingname met zich mee: het zouden juist de veranderingen in de kerk zijn die de grootste rol spelen bij de kerkverlating. Dit kan zelfs een argument worden dat gebruikt wordt tegen iedere verandering in kerk en eredienst. Wie op die manier de traditie als hefboom tegen veranderingen gebruikt, laat zich in wezen ook leiden (zij het in omgekeerde richting) door de huidige kultuur.
Deze oneigenlijke argumentatie kan gevaarlijk zijn, omdat het gemakkelijk de aandacht van belangrijkere oorzaken van kerkverlating afleidt. Ook de traditie - die misschien tijdelijk veiligheid biedt - kan uiteindelijk de kerkverlating niet tegengaan. In die tradities is de identiteit van de kerk ook niet geworteld. De herkenbaarheid moet blijken uit het luisteren naar Gods Woord (de les in stilte), het leven door de Geest, en de wijze van omgang met elkaar.
In dit verband moet trouwens evenzeer worden opgemerkt dat ook het voortdurend veranderen en vernieuwen de jongeren niet vanzelfsprekend binnen de kerk houdt. Ook die gedachte leidt af van datgene waar het werkelijk op aan, komt. Ook dan dreigen we te spreken voordat we in stilte geluisterd hebben.
Beide invalshoeken - traditie èn vernieuwing - kunnen haast een geloof worden waarop de mens zijn vertrouwen zet.
De vrijgemaakt-gereformeerde ds C. van der Leest ( 1) merkt op dat de kerk dan van geloofs-eenheid tot denk-eenheid kan worden. Mensen verstarren in hun denken en wijzen iedere andere mening direkt af. De emotioneel geladen diskussies die hier het gevolg van kunnen zijn ontmoedigen helaas maar al te vaak jongere en oudere gemeenteleden ...

Doorleefd geloof
Uit het onderzoek van Van der Ploeg is duidelijk geworden dat gewoonten-zondermeer onvoldoende zijn om de jongeren de betekenis van het geloof te doen ervaren. We zullen ons bewust moeten zijn van de betekenis van die gewoonten.
Ook zal voor een jongere generatie duidelijk moeten zijn welke betekenis het geloof voor de ouderen heeft. Het gaat bij het geloof wel om kennis (God dienen met mijn verstand), maar evenzeer om het hart. Geloof is niet hetzelfde als een denkpatroon, een doorwrocht en kloppend systeem. "Ik kan een gedrevene zijn, een gereformeerd geweldenaar, een hartstochtelijk reformator, terwijl ik toch het kruis van de Here Jezus, Hemzelf als de gekruisigde Heiland, niet gevonden heb.
als het centrum van mijn boodschap" (2). Daar waar de overdracht van het geloof niet meer is dan het verwoorden van een aantal leerstellingen en morele leefregels wordt de betekenis van dat geloof niet overgedragen, Geloofsoverdracht betekent niet in de eerste plaats: spreken óver het geloof, maar spreken vanuit het geloof.

Kritiek op de dominee
Wanneer aan een jongere generatie de betekenis van het geloof wordt overgedragen, zal die overdracht geworteld moeten zijn in dankbaarheid (vgl. Deuteronomium 6 vers 20 tot 23).
Helaas is de praktijk van het kerkelijk leven nogal eens anders. De voortdurende kritiek op de dominee, de kerkeraad, de organist, de gang van zaken in de eredienst en in de kerken in het algemeen kan de indruk wekken dat het geloof eerder een last is, dan iets waardevols.
Als deze kritiek een overheersend patroon wordt in het gezin - dat kan ook de tragiek zijn van een kerkscheuring - wordt het- beeld van God gemakkelijk verduisterd, en de betekenisvolle overdracht bemoeilijkt.
Het voorgaande betekent uiteraard niet dat alle kritiek maar ingeslikt moet worden; wèl dat we er- zeker in de nabijheid van kinderen - uitermate voorzichtig mee moeten zijn, èn dat we moeten proberen in ons spreken over geloofszaken de dankbaarheid te doen overheersen.

Een persoonlijke God
In de huidige (vak-)literatuur kan steeds meer de opmerking worden gelezen dat het vaderbeeld in onze samenleving bezig is te verdwijnen (3). In het beeld dat de mens van God heeft, zien we soortgelijke veranderingen. De persoonlijke God verdwijnt, God wordt een Iets, misschien nog 'handig' in tijden van krisis (4). Binnen dit patroon past ook Kushner's godsbeeld. " Uw idee van een goede, maar beperkte God mag dan onmiddellijk incasseerbare troost aan mensen bieden, maar op rentetermijn wordt de prijs zó hoog, dat ieder ideaal, iedere hoop op een betere wereld verdwijnt" (5) merkte een predikant van de Pinkstergemeente op tijdens een IKON-uitzending met Kushner. God is afwezig, is geen vader, of is machteloos: de wereld zonder Vader.
Ook in ons geloofsleven dreigt de aanwezigheid van God minder duidelijk te worden, doordat de afhankelijkheid van God minder op de voorgrond treedt.
Daardoor wordt er minder gesproken over Gods leiding in het leven. We spreken gemakkelijker over onze verzekering dan over Gods zorg. Dit betekent in de geloofsopvoeding dat voor de kinderen de betekenis van het geloof minder gemakkelijk zichtbaar wordt.
Het moet ook voor de kinderen duidelijk zijn dat hun 'ouders de leiding van God in hun leven ervaren.
Een gemeentelid dat onder niet gemakkelijke omstandigheden was opgegroeid, vertelde het geloof te hebben behouden omdat hij had gemerkt dat zijn ouders steeds weersteun konden putten uit het geloof Dàt is betekenisvolle overdracht: kinderen mee laten ervaren wat het geloof voor de ouderen betekent.

Literatuur
( 1) Ds C, van der Leest. Wat is gereformeerd'!
(De Vuurbaak. 1983).
(2) Ds G. van den Brink: Pastorale Notitie Martyn Lloyd-Jones (Opbouw. 11 september 1987).
(3) Het zou tever voeren om in dit verband nader in te gaan op de vaderloze kultuur. Verwezen kan worden naar het 10de hoofdstuk van “Het kind in gezin en samenleving" (Dr R. W, M. Croughs ) en naar het tweede hoofdstuk van “Geloof in wording" (Roger Wind).
(4) Tom ter Bogt: Opgroeien in Groenlo (De Horstink. 1987).
(5) Ds J. J. Suurmond in "Daar sta ik voor"
(IKON-krant december 1986).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief