Pastorale notities

1987-11-13
  • Jaargang 31
  • nummer 43
In een TV-programma zag ik een fragment uit een film van de begrafenis van de Sovjetleider Breznjev in 1982. De open kist werd door soldaten tussen twee rijen van mensen doorgedragen, die allemaal hun best deden, een blik in de kist te werpen. Op de film zag je heel even het levenloze gezicht, in een wolk van rode stof; waarmee de kist gevoerd was.
Ik vond het een beetje schaamteloos.
Dat zou misschien niet zo bij mij zijn opgekomen als ik niet op dezelfde dag in een streekkrant had gelezen dat in het Drents Museum in Assen de veenlijken te zien zijn, die bij de vervening van Drente in de loop van deze eeuw zijn aangetroffen. Toen ik dat las kreeg ik datzelfde gevoel.
Met het oog op dit stukje ben ik even gaan kijken. Geen dank! Met mijn seniorenkaart op zak kwam ik voor 50 cent binnen.
Het veen heeft een conserverende werking, in het bijzonder op de menselijke huid, die wel verkleurt en verschrompelt, maar toch herkenbaar blijft. Het is net een niet helemaal geslaagde begrafenis, dacht ik.
Een stel meisjes van rond de veertien boog zich giechelend over een nis, waarin een man en een vrouw lagen uit de Romeinse tijd. De arm van de man lag uitgestrekt onder het lichaam van de vrouw. Een kaartje met informatie vertelde dat zij zonder kleren in' het veen waren neergelegd of misschien vermoord.
Ik kreeg datzelfde gevoel: schaamteloos.' Nee, niet vanwege het ontbreken van de kleren, maar vanwege de dood, die hier zomaar open en bloot tentoongesteld werd.
Het is een hoge eer dat wij er als mensen zijn.
Van Ruler kwam eens op de merkwaardige gedachte dat wij er ook niet hadden kunnen zijn en er zou dan geen haan naar ons gekraaid hebben. Maar wij zijn er omdat de almachtige God wilde dat wij er zouden zijn.
De tijd tussen sterven en opstanding is de meest oneervolle periode van ons bestaan. Gaat u op dit zinnetje niet zuigen tot u er een stukje ketterij in proeft. Ik geloof ook dat wij in de dood geborgen zijn, maar dat neemt de schande van die tijd niet weg. In het stille graf zingen wij Gods lof ook niet meer. Niet door onze stem en niet door ons bestaan. Wij worden begraven in oneer en die schande duurt tot wij worden opgewekt in heerlijkheid.
Daarom noemde ik dat dode gezicht in dié open kist een beetje schaamteloos, te triomfantelijk.
Ik hoop dat na mijn sterven (dat is iets anders dan na mijn dood!) alleen zij die mij het allernaast zijn mij nog mogen zien. De anderen moeten dan maar even wachten tot na mijn dood, als ik weer ben aangekleed (1 Kor. 15:53).
Voor mijn dood schaam ik me meer dan voor mijn blootje

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief