Geloven we het wel? (7)
1987-11-13
Vragen stellen hoort bij het opgroeien en volwassen worden. We moeten ons zorgen maken, wanneer jongeren geen vragen meer stellen. Dit gedeelte legt uit waarom.- Jaargang 31
- nummer 43
Een andere wereld
Rond het twaalfde jaar verandert er veel in het leven van kinderen. Het denken verandert van (nog) betrekkelijk konkreet naar abstrakt. Mede in verband hiermee treden ook veranderingen op in de manier waarop het geweten funktioneert: minder gebonden aan de gezinsnormen.
meer aan eigen denkpatronen (1). Ook de kijk op zichzelf, op anderen en op de ouders wijzigt zich. De invloed van leeftijdgenoten wordt belangrijker (de 'peergroup'). Vanuit de relatief wat veiligere kleinschaligere basisschool wordt een nieuwe schoolwereld betreden. Een moeder deed in verband met deze ontwikkelingen een uitspraak die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: "Eigenlijk gaan ze met twaalf jaar de deur al uit ... " Men kan zeggen dat dán de basis voor geloofsopvoeding afgerond moet zijn.
Niet in de puberteit komt het erop aan, daarvóór kwam het er al op aan, is een boodschap die in de eerste afleveringen van deze serie meegegeven werd.
Het voorgaande wil niet zeggen dat jongeren hun ouders niet meer nodig hebben.
Juist in perioden waarin veel verandert, zijn ouders - en vooral in emotioneel opzicht - bijzonder belangrijk.
Vragen stellen
In een levensfase waarin veel verandert worden ook veel vragen gesteld. Koppige peuters stellen eindeloos de waaromvraag. Ook pubers en adolescenten stellen voortdurend vragen, al is dat niet altijd in de vraag-vorm. Soms door toetsende opmerkingen " ... Ik wou dat ik kon geloven dat Jezus de Verlosser was, dan zou het leven tenminste nog zin hebben!" zegt Adriaan in "De Jacobsladder", en die opmerking vráágt om een antwoord. Soms uiten zich die vragen niet door woorden, alleen maar door gedrag. Jongeren kunnen bijzonder kritisch zijn. Die kritiek heeft de funktie van het toetsen: staan jullie wel achter datgene wat je zegt uit te dragen. Daarom is het zo belangrijk dat gewoonten en betekenis met elkaar in overeenstemming zijn (vandaar de nadruk in het vijfde en zesde deel van de serie op de betekenisvolle overdracht). Ook het gedrag van de 'ouderen' wordt aan diezelfde kritische analyse onderworpen. "Daar zat ik in het schemerige licht van de schoolkapel te luisteren naar een preek over het Lam Gods en over genade en vergevingsgezindheid, en mijn jonge geest raakte totaal in de war. Ik wist, maar al te goed hoe weing genade en vergevingsgezindheid deze predikant had getoond toen hij de avond tevoren een klein jongetje had afgeranseld, voor een kleine overtreding. Door dit alles begon ik te twijfelen aan de godsdienst en zelfs aan God... " Aldus de bekende Engelse schrijver Roald Dahl in het voor kinderen geschreven Boy.
Vragen oproepen
AI, in het begin van de bijbel worden vragen van jongeren beschreven. "En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u.. ?" Exodus 12 vers 26) "Wanneer later uw zoon u vraagt: wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en verordeningen ... ?" (Deuteronomium 6 vers 20).
In een referaat voor ouderlingen in Groningen heeft Ds. G. Visee erop gewezen dat ouderen er in deze teksten toe worden opgeroepen om vragen van jongeren te stimuleren (2). Dezelfde funktie hebben bv. ook gedenkstenen.
" Wanneer uw kinderen later vragen: wat hebben deze stenen voor u te betekenen ?... " (Jozua 4 vers 6 en vers 21). Met andere woorden: in de opvoeding moet het stellen van vragen gestimuleerd worden. Vragen zijn van grote pedagogische waarde!
Ds C. G. Geluk schrijft dat opvoeders zich juist zorgen moeten maken wanneer jongeren geen vragen meer stellen.
wanneer dat gebeurt zijn jorigeren kennelijk hun gezonde (levens- )nieuwsgierigheid kwijt (3, blz. 90 e.v.), "Wat een zegen als jongeren vragen stellen!
Laten we hen ertoe uitnodigen en hen prikkelen ...!"
Vragen serieus nemen
Jongeren kunnen leeftijdgenoten, ouderen de kerk bevragen op een assertieve wijze. Soms roept dat weerstand op. De emoties die hierdoor ontstaan maken een rustig overwogen gesprek onmogelijk.
Vaak ontaardt dit in 'tegenkritiek', die meer een reaktie op de persoon is, dan een werkelijk antwoord op de vraag (er wordt dan bv. gesproken over onwil van de persoon). Os Van der Leest (4) schrijft dat men in dergelijke situaties ook snel de neiging heeft om zijn mening op de bijbel te funderen, zonder dat dit voldoende beargumenteerd kan worden ('evident-bijbels' is).
Daarmee wordt het standpunt van de ander (en daarmee ook de persoon van de ander) buitengesloten.
Kennelijk is het heel moeilijk om met die - vaak als kritiek ervaren - vragen om te gaan. Toch is het belangrijk om enigszins door de wijze van vraagstelling heen te kijken. Binnen het groeiproces naar de volwassenheid heeft immers iedere generatie zijn eigen wijze (eigenwijze) van vraagstelling gekend...
Het alleen maar antwoorden met tégen-kritiek blokkeert de kommunikatie, en roept vervreemding op.
Door het ontkennen van vragen worden , mensen niet binnen de kerk gehouden.
Uiteraard wil het voorgaande niet zeggen dat alle standpunten van jongeren positief gewaardeerd moeten worden (dat wordt doorgaans ook niet gevraagd), Wel vormt dit gedeelte een pleidooi voor een goede omgang met elkaar.
"De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd. "(1 Corinthe 13 vers 4 en 5). Dat is een heel oud antwoord...
Binnen die liefdeband kan ook serieus worden ingegaan op vragen...
Van elkaar leren
Wanneer ouderen jaar-in, jaar-uit gekonfronteerd worden met dezelfde vragen, kan een zekere vermoeidheid optreden. Het kan immers vervelend worden om steeds weer dezelfde vragen te moeten beantwoorden? Ondertussen vergeten we dan dat we weer een nieuwe 'generatie' jongeren voor ons hebben, die opnieuw vragen stelt (trouwens: welke vragen stelden vroeger generaties?
Er is wat dat betreft ook weer niet zóveel nieuws onder de zon ... ).
In feite past steeds weer hetzelfde antwoord: dankbaarheid dat er kennelijk nog zoveel idealisme bestaat, dat er ook vragen gesteld worden! Dat jongeren zich steeds weer afvragen wat de bijbel voor hun eigen leven betekent (5).
Tenslotte nog dit: juist door de vragen van jongeren kunnen ook de ouderen zich opnieuw bezinnen op de inhoud van regels, tradities, van hun eigen geloof.
Wat dat betreft kunnen ouderen ook heel wat van jongeren leren! En daarmee leren de jongeren ook weer van de ouderen ...
(1) Opbouw. 5 februai 1982,
(2) Ds G. Visee: De opvoeding van de jeugd der Kerk in huisgezin. school en catechisatie.
In: Dienst. 7e jaargang. 1953,
(3). Ds C. G. Geluk: "Hoe houden we de jongeren bij de kerk!" (Kok, Kampen. 1987),
(4) Ds C. van der Leest: “Wat is Gereformeerd?”
(De Vuurbaak. Barneveld, 1983),
(5) Geciteerd in: Denken over godsdienstonderwijs (Kok, Kampen. zj.).