DE HERE IS GOD!

1988-10-28
  • Jaargang 32
  • nummer 40
Oneindigheid tegenover verbondenheid?
Niet zo lang geleden was er voor de TV een interview met een Engelse professor in de Astronomie. Zijn lichamelijke conditie was verschrikkelijk.
Hij was zozeer verlamd, dat hij in een rolstoel moest zitten. Die rolstoel was van een ingenieuze apparatuur voorzien.
Die apparatuur moest het zelfs mogelijk maken de professor te verstaan, want hoorbaar spreken kon hij niet meer. Maar' zijn brein stond in een buitengewone tegenstelling tot zijn machteloze lichaam. Over sterren en melkwegen en "zwarte gaten" wist hij zo veel te zeggen en uit te denken, dat zijn bewonderaars hem maar met één man wisten te vergelijken, met Albert Einstein.
Aan de professor werd gevraagd, wat hij dacht van het bestaan van God.
Hij zei, dat hij in ieder geval niet kon geloven, dat er een God zou zijn, die met de mens werkelijk in contact kon treden. Een dergelijke neerbuiging van God naar de mens toe kon hij niet aannemen! Bij het woord "God" dacht hij kennelijk aan "iets" àchter of in de oneindigheden van kracht en van gewicht, welke hij in het heelal tegenwoordig wist, "iets" àchter of in de oneindige diepten en hoogten en snelheden, die hij met zoveel intellect wist te overdenken. En hij was er zeker van, dat dat "iets" nooit kon worden gedacht in een persoonlijke verhouding met die kleine mens die . hier op aarde rondloopt! De "God" van de professor was in ieder geval een god zonder gelaat, een god zonder oog voor ons, een god zonder verbond met ons. De oneindigheden van het heelal dreven voor de professor elke gedachte aan een ,verbond met die kleine mens uit!

De hartstocht van de dichter
Wat blijkt dan ineens die oude psalm modem te zijn! Iets dat je telkens weer ontdekt in het Woord van God!
Het spreekt voor onze tijd! Natuurlijk, de dichter heeft het allereerst tegen zijn tijdgenoten. En die hadden ook allemaal - niet alleen binnen Israël maar ook daarbuiten - een concrete gedachte over het woord "God". Ook voor hen was dat woord verbonden aan oneindige macht en kracht, aan oneindige hoogte en diepte, aan oneindige verhevenheid boven de kleine mens! En we moeten goed zien, dat de dichter hun deze gedachte helemaal niet wil afnemen. Alleen maar, aan Wie geven ze nu de eer van die oneindige macht? Hier zijn er, die deze eer geven aan de Baäls; dáár zijn er, die het goddelijke toekennen aan Marduk; ginds zijn er, die Amon-Re met de eer-van-God-en-van-het-goddelijke begiftigen. En het ellendige is, dat die dienaars van de afgoden ookin Israël telkens weer volgelingen hebben gevonden!
Met grote kracht en hartstocht zegt nu de dichter, dat al de eer, die in het woord "God" besloten Iigt,moet worden toegekend aan de HERE, aan de God van Israël, aan Hem die zijnheerlijke tegenwoordigheid heeft geopenbaard, toen Hij zijn volk uit Egypte leidde!
Niet aan de Baäls, de grillige goden van storm en onweer en regen. Niet aan Marduk, de babylonische oppergeweldenaar.
Niet aan Amon-Re, de onbereikbare en ongenaakbare god-van-de-zon. Ook niet aan het wonderlijke stelsel en de wonderlijke struktuur van het heelal. Neen, aan de HERE! Aan de God en Verlosser van Israël. Aan de God van het Verbond!

God van Verbondenheid!
Tot Mozes zegt de HERE: "Daarom ben Ik nedergehaald om hen (Israël) uit de macht der Egyptenaren te redden".
En na al die grote verlossingswerken klinkt zijn stem: "Ik ben de HERE; uw God, die u uit het land Egypte; uit het diensthuis, geleid heb" (Ex. 3 : 8, 20 : 2). De God van het Verbond. De God van de genade.
Denk aan het bloed van het Paaslam.
Hij is echt gekómen. In zijn Naam kwam Hij tot zijn volk. En in die Naam kan het volk komen tot Hem: " ... dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht" (Ex. 3: 15).
Alle volken hadden heus wel het besef van een oneindige macht. Zoals de moderne professor dat besef ook had op een indrukwekkende wijze.
Maar die volkeren kenden het verbond niet. Zij waren altijd bezig de gemeenschap met hun goden zèlf te veroveren - denk aan de beelden, aan de bezweringen, aan de magie. En de professor verwierp elke gedachte aan een verbond. Dat kon niet! Je kunt die oneindigheid niet koppelen aan de kleine mens!
Maar de dichter zegt in de oude èn in de nieuwe tijd: "Erkent dat de HERE God is en datje alle eer van dat woord "God" alleen maar aan de HERE -' moogt toekennen". Aan onze God.
Aan Hem die gekómen is en zich heeft geopenbaard. Aan Hem die ons tot áánroepen en tot léven in het verbond geroepen heeft. Aan Hem, die we nu mogen kennen als de God en Vader van onze Here Jezus Christus, als de God van onze doop! Zijn gelaat ... in gunst tot ons gewend!
Wat kan een supergeleerde toch helaas dwaas zijn. Hij kan de oneindigheid niet koppelen aan een nietig mens! Is die oneindigheid daar dan toch te... bepèrkt, te' 'eindig voor?
Onze God doorbreekt alle gedachtenspinsels.
Hij heeft werkelijk alle macht. Maar Hij heeft naar ons omgezien!
Wat zegt gij, Israël: God kent mij niet, mijn reentzaak gaat aan Hem voorbij?"
Der eeuwigheden Heer is Hij, de hele schepping is zijn rijksgebied.
Maar aller heem'len orde doet Hem niet moede worden om voor u in te staan.
Hebt gij het niet gehoord?
Weet gij het niet? Het woord zal altijd met u gaan.

(Liedboek Gez. 30: 6; bewerking van Jesaja 40: 12-31).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief