Kind en geloof
1988-10-28
De vraag of kinderen op een speciale manier bij de kerkdienst betrokken moeten worden, wordt in veel Nederlands Gereformeerde Kerken regelmatig aan de orde gesteld. Wie zijn oor te luisteren legt in de gemeenten krijgt heel verschillende antwoorden te horen.- Jaargang 32
- nummer 40
Friezen in Brabant
In een radioprogramma vergeleek Prof. dr. W. ter Horst onlangs de geloofsoverdracht met de wijze waarop een kind de taal leert. Vroeger kon deze overdracht vergeleken worden met de situatie van een fries kind dat in Friesland opgroeide.
Het kind nam vanzelf van jongsafaan de friese taal over; niet alleen de ouders spraken fries, ook de buren, ooms en tantes, de vriendjes. De huidige tijd kan vergeleken worden met de positie van een fries gezin in Brabant. Het is niet voldoende dat de ouders fries tegen elkaar spreken. Als dieouders willen dat hun kind ook de friese taal (aktief) machtig wordt, zullen ze dat kind doelbewust moeten trainen in het leren van die taal.
Zo is het - aldus Prof. Ter Horst - ook met de overdracht van het geloof in onze tijd; alle mogelijkheden moeten doelbewust gebruikt worden om kinderen te leren wat het geloof in het leven betekent.
Kerkdienst steeds belangrijker
In de westerse gesekulariseerde wereld dringt de betekenis van het geloof nauwelijks meer door. Kinderen komen veel minder dan vroeger in aanraking met andere mensen voor wie het geloof richting geeft aan het leven. Doordat andere meer (toevallige) vormen van geloofsoverdracht (de buren, andere familie, vriendjes uit de buurt) zijn weggevallen komt de nadruk bij de geloofsoverdracht steeds meer te liggen bij het gezin, positief-christelijk onderwijs en de kerkelijke aktiviteiten. Eigenlijk kan men zeggen dat de kerkdient (naar verhouding; vergeleken met vroeger) ook steeds belangrijker wordt: een plaats waar christenen, jong en oud, elkaar kunnen ontmoeten.
De Reformatie
In de bundel 'In de kerk - uit de kerk' geeft dr. W. Verboom een schets van de positie van jongeren in de vroege reformatorische kerken.
De Reformatie is de tijd geweest van de herontdekking van het kind in de kerk.
Zowel Luther als Calvijn bepleitten speciale aandacht vanuit de kerk voor de jongeren en zetten zich ook in voor het schrijven van speciale leerboeken voor' de jeugd. Uit deze leerboeken werd o.a. op school onderwezen. In de reformatorische kerken was de speciale aandacht voor kinderen en jongeren ,mede geworteld in de leer van het verbond: jong en oud zijn samen in dat verbond opgenomen.
De voorgaande gegevens toepassend kan als konklusie worden getrokken dat aandacht voor de kinderen past binnen de reformatorische traditie. De vraag is welke konsekwenties we - juist in deze tijd - verbinden aan de leer van het verbond, waarbij ook de kinderen helemaal bij de gemeente horen.
Kinderen apart
In veel kerken bezoeken kinderen aparte 'kindernevendiensten'. Vaak (maar niet altijd) maken de kinderen een klein gedeelte van de dienst mee en gaan dan - als de dominee met de preek begintnaar een aparte ruimte. Meestal verlaten de jonge kinderen de kerkzaal; toch komt het ook voor dat er voor jongeren van ongeveer 15jaar 'kinderkerk' wordt gehouden. Opvallend is dat er in kerken waar al langer sprake is van het scheiden vanjong en (oud)ertijdens de preek' sprake is van een tegenbeweging. Er gaan ook stemmen op die weer integratie tijdens de kerkdienst bepleiten.
Kinderen in de kerkdienst
Vooral in de kerken aan de 'rechterflank van de reformatorische gezindte' is het gebruikelijk dat de kinderen met hun ouders de (hele) kerkdienst bezoeken.
Men zou dit kunnen zien als een logisch gevolg van de leer van het verbond: de kinderen horen er gewoon bij.
De vraag of tijdens de kerkdienst speciaal aandacht moet worden besteed aan de kinderen blijkt in onze kerken nogal eens polariserend te werken (dit geldt ook voor vragen rond de kindernevendienst).
Er ontstaan dan felle diskussies.
Voorstanders van speciale aandacht voor kinderen beweren dat het geen wonder is dat de kerken leeglopen, immers: de jeugd wordt niet aangesproken.
Tegenstanders beweren precies het tegenovergestelde: vroeger besteedde men geen aandacht aan de jeugd en ging iedereen naar de kerk; tegenwoordig lopen de kerken juist leeg vanwege die ('verwennende') aandacht voor jongeren. Men kan zich afvragen of in deze diskussies de nadruk niet te gemakkelijk verschuift naar menselijke faktoren.
Apart, maar ook samen ...
Wie kinderen op jonge leeftijd een goe-
, de gewoonte aanleert, heeft een goede start gemaakt. Het bezoeken van de kerkdienst is zo'n goede gewoonte. Het is - zo werd eerder opgemerkt - zelfs een belangrijker gewoonte geworden dan (b.v.) een halve eeuw geleden. kinderen moeten al op jonge leeftijd wennen aan het ritme van de kerkgang.
Wanneer ouders hier zelf slordig in zijn en daarmee in feite aangeven andere zaken belangrijker te vinden, is het geen wonder dat kinderen op den duur helemaal niet meer het ritme van de kerkgang overnemen.
Kindernevendiensten kunnen als nadeel hebben dat kinderen niet voldoende het ritme van de 'gewone' kerkdienst op kunnen pakken. Helaas moet worden opgemerkt dat sommige gezinnen alleen naar de kerk gaan als er 'iets is voor de kinderen'. Is dat niet hef geval, dan blijven ook de ouders weg. Op die manier wennen kinderen nooit aan de 'gewone' kerkdienst en gaan ze denken dat 'zoiets' niet voor hen bestemd is..
Soms verdwijnen ze zelfs door de achterdeur van de kerk: ze gingen trouw tot hun 16ejaar naar de kindernevendienst maar hebben zelden of nooit een 'normale' kerkdienst bijgewoond.
De 'kinderkerk' als zodanig behoeft niet te worden afgewezen. Deze aparte diensten kunnen passen in het proces van de (in deze tijd broodnodige) bewuste geloofsöverdrachtz ' Kinderen moeten echter ook (zeker als ze al wat ouder zijn) de 'riormale' kerkdienst leren bijwonen; de 'kinderkerk' mag nooit . volledig de (andere) erediensten vervangen.
Preken: voor wie?
Hoewel de 'kinderkerk' een plaats kan hebben in de zondagse eredienst illustreert de gezamenlijke kerkdienst met jong en oud veel beter datgene wat ook de Reformatoren wilden benadrukken: jongeren én ouderen horen er in de gemeente van Christus helemaal bij. Toch roept deze uitspraak ook vragen op. Zo luisteren veel ouders onwillekeurig (ook) met de oren van hun kinderen en vragen zich 'bezorgd af 'wat er over komt'. Is de dienst alleen voor 'boven de 18' en zitten de kinderen 'er maar wat bij?' Anderzijds blijkt het vaak moeilijk te zijn om een goede manier te vinden waarop de kinderen kunnen worden aangesproken in de kerkdienst. Onze kerken hebben weinig traditie opgebouwd in het (s)preken voor kinderen, de preekstoel is (didaktisch gezien) vaak een onding (hoog en op grote afstand van de gemeente), er zitten kinderen van heel verschillende leeftijd in de kerk.
Bovendien leidt het speciaal aandacht geven aan kinderen soms tot weerstand vanuit de gemeente. Kortom: niet alleen ouders maken zich zorgen, ook de voorganger heeft zijn vragen.
Samen!
Christenen vormen in veel plaatsen in . Nederland een minderheid. Daarom moet gezocht worden naar nieuwe wegen om het geloof op kinderen over te dragen. Liepen Luther en Calvijn in hun tijd vóór bij het denken over mogelijkheden om kinderen te leren wat het geloof betekent, in onze tijd zijn het vaak juist de media die heel gericht proberen kinderen op hun nivo te beïnvloeden.
Daarom is het van belang om te kijken welke mogelijkheden de kerkdienst in onze tijd biedt om het geloof op kinderen over te dragen. Dit geldt zeker voor jonge kinderen, want de basis van het geloof wordt al voor het twaalfde jaar gelegd, terwijl het cathechetisch onderwijs van de kerk dan vaak pas begint.
De vraag welke mogelijkheden er binnen de kerkdienst zijn laten we hier overigens verder rusten.
Toch moeten we in dit verband uitkijken voor overdrijving, alsof een kerkdienst alleen zinvol voor kinderen zou zijn als er speciaal voor hen gepreekt wordt. Kinderen kunnen soms - zonder dat de woorden precies begrepen worden -de betekenis van bepaalde gedeelten uit de preek overnemen. Ze kunnen ook enthousiast reageren als er een lied wordt gezongen dat zij kennen, als er gebeden wordt voor een onderwerp dat hen ter harte gaat, als de dominee hen een knipoog geeft.
Een ander gevaar is dat er gedacht wordt dat de overdracht van het geloof op zondag alleen van de kerkdienst afhankelijk is. Uit een onderzoek van het Nederlands Dagblad kwam naar voren dat er slechts in 2 van de 30 vrijgemaakt gereformeerde gezinnen thuis met de kinderen over de preek werd gesproken (antwoord van 10-jarige kinderen). "In de meeste gezinnen wordt er op zondag niet met de kinderen over de preek gepraat.
Er wordt zeker niet bewust tijd voor uitgetrokken" (Nederlands Dagblad, 28 september 1985). Deze cijfers zullen in onze kerken niet veel anders liggen.
Konklusie
Nu veel vroegere mogelijkheden tot overdracht van het geloof wegvallen, wordt de kerkdienst in relatief opzicht
steeds belangrijker. Daarom is in onze tijd (evenals ten tijde van de Reformatie) hernieuwde bezinning op de wijze
waarop de (héIe) gemeente wordt aangesproken
van groot belang. Voor die overdracht is de hele gemeente (samen!) verantwoordelijk en dus niet alleen van de voorganger. Ook het gezin heeft daarin nadrukkelijk een plaats. En God vult ónze middelen aan