Henoch
1988-10-28
Hoewel Henoch overvloedige informatie geeft over de zondeval, zowel oorsprong als gevolgen, beginnen we met de schaarse Schriftgegevens. We kennen immers Genesis 3.- Jaargang 32
- nummer 40
De slang was listiger dan al het gedierte des velds. Ze zei tot de vrouw: "heeft God gezegd, dat ge niet zult eten van de bomen in deze hof?" - De vrouw antwoordde: "van de vrucht der bomen van deze hof zullen wij eten" - "maar van de boom der kennis van goed en kwaad zullen we niet eten, opdat wij niet sterven". - Toen zei de slang: "ge zult de dood niet sterven maar God weet, dat als ge van die boom eet, gij net als God kennis van goed en kwaad zult hebben". - De vrouw zag de boom anders aan, wilde die kennis eigenlijk wel hebben; ze nam van zijn vrucht en at.
Ze gaf er ook van aan haar man en die at ook. Meteen kwam de ongekende kennis: ze bemerkten dat ze naakt waren .....
Aldus vrij weergegeven de tekening van de eerste zondeval. Het trekt de aandacht, dat de "slang" - uit de Schrift weten we dat de slang een naam voor Satan, de duivel, Gods tegenspeler iseerder in de zonde was gevallen dan de mensheid; en dat hij kans zag de mensheid in zijn zondeval te betrekken en daarmee het beeld van God te bederven.
We kunnen ons geen duivelser opzet voorstellen.
Met voorbijgaan van de verleiding van Eva door Satan, beschrijft Henoch meteen de massale zondeval, die op een later tijdstip plaats vindt. Hij schrijft dat een geordende hemelse legermacht bewust in de zonde stapte en de totale mensheid meetrok. In Genesis 6 vinden we dit verhaal, in enkele raadselachtige volzinnen. Toen de mensen zich vermenigvuldigden, kregen ze aantrekkelijke dochters. Gods zonen (lees: een aantal engelen) zagen die jongedochters aan, vonden ze aantrekkelijk en..... namen zich haar "tot vrouwen". Een gruwelijke vermenging dus van geestelijke wezens en vleselijke mensen. Van die bastaardproducten staat dan ook geen errkei goed woord opgetekend: reuzen, geweldigen, mannen van naam; het was de Heere een gruwel, het smartte Hem aan zijn hart (Gen. 6:1-6). Het beeld Gods was mismaakt.
Hoewel de idee van deze tegennatuurlijke vermenging ook in de geesten der heidenvolken speelt, denk aan de halfgoden, willen de meeste theologen er niet aan. Die zien in Gods zonen gewone menselijke jongemannen. Maar dan ontbreekt, de verklaring, waarom uit zulke natuurlijke en van God gewilde huwelijken beestmensen (tyrannen, zegt Henoch) geboren zouden worden.
Ook ontbreekt de verklaring waarom jongemannen "zonen Gods" en jongedochters "kinderen der mensen" genoemd zouden moeten worden. Vandaag heet dat discriminatie.
-0-
Henoch beschrijft die tegennatuurlijke vermenging met pijnlijke nauwkeurigheid, plaats en datum. Hij weet dat hier een massale 'zondeval openbaar wordt: ongehoorzame engelen slepen de mensheid in hun val mee. Luister maar.
"En het geschiedde dat, toen de mensenkinderen zich vermenigvuldigden, knappe en aantrekkelijke dochters werden geboren. En (een aantal) engelen, kinderen des hemels, zagen en begeerden haar en zeiden tegen elkaar: "komaan, laten wij ons vrouwen kiezen uit de mensen en daar kinderen bij krijgen".
En Senjaza, hun leider, sprak: "ik vrees dat jullie het niet aandurft en dat ik straks alleen voor de gevolgen insta".
Allen antwoordden: "we zullen ons met een eed verbinden" (een wederkerige vloek) "dit plan niet los te laten, maar uit te voeren". Dat deden ze dan. Ze waren met tweehonderd en daalden in de dagen van Jered, Henoch's vader, af naar de top van de berg Hermon, wiens naam hun onderlinge eed weergeeft. Dit zijn de namen van de leiders: Semjazaz de leider, Arakiba, Rameël, Kokabiël, Tamiël, Ramiël, Danel, Ezeqeël, Baraqijal, Asaël, Armaros, Batarel, Ananel, Zaqiël, Samsapeël, Sarael, Turel, Jomjael, Sariël; dit zijn de hoofden van tien" (Henoch 6 : 1-8).
Het valt op dat bijna alle gevallen engelen de naam El voeren. En voorts dat de naam Satan hier niet voorkomt. Ook dat we slechts 19 leiders aantreffen; een naam ontbreekt. Satan misschien?
Henoch vervolgt zijn treurig verslag.
"En allen namen zich vrouwen, naar hun lust, en ze gingen tot haar in en gaven zich met haar af. Ze leerden haar te bekoren en te verleiden, en wortels te zoeken en kruiden. En ze werden zwanger en baarden grote reuzen, met een, hoogte van duizend ellen, die alle bezit van de mensen opaten. Toen de mensen ze niet langer konden voeden, keerden de reuzen zich tegen hen en.verslonden mensen. En ze zondigden tegen vogels, dieren, reptielen en vissen, en vraten elkaars vlees en dronken mensenbloed.
Toen schreeuwde de aarde om wraak over deze wetteloze schepsels" (7: 1-6) ... Over de lengte van duizend ellen zal niemand willen twisten, die begrepen heeft dat "duizend" in het O.T. andere betekenis(sen) kan hebben dan 10 x 100. En wat kruiden en wortels betreft: we kunnen denken aan de dudaim (vruchtbaarheidswortel, Gen., 30) en aan alruin (verdovend tovermiddel).
-0-
Met die gruwelijke vermenging was het natuurlijk nog niet afgelopen. "Azazel leerde de mens, zwaarden, messen, schilden en kurassen te smeden; kortom metaal te bewerken; ook armbanden, ornamenten, het gebruik van antimoon, het verfraaien van de ogen, het gebruik van mooie stenen en alle schminktincturen.
Toen kwam er steeds meer goddeloosheid. De mensen bedreven ontucht, ze verloren alle normen en werden volslagen corrupt. Semjaza leerde hun het toveren en snijden van wortels; Armaros het opheffen van een bezwering; Baraqujal onderwees astrologie, Kokabel de dierenriem, Ezequël de kennis van volken, Araqiel de tekenen van de aarde, Shamsiël de zonnevlekken en Sariël de omloop van de maan. En toen de mensen aan hun zonden ondergingen riepen ze, en hun kreet klom op tot de hemel" (8 : 1-4).
In het 9e hoofdstuk beschrijft Henoch hoe de heilige engelen Michael, Uriël, Raphaël en Gabriël op deze aardse wetteloosheid reageerden: ze brachten de klacht van de aarde aan de Allerhoogste over. "U ziet wat Azazel heeft aangericht: die op aarde louter ongerechtigheid heeft onderwezen en eeuwige geheimen onthuld, die alleen in de hemel thuishoren" (9: 1-6). "En nu, zie, de zielen van de gedoden roepen hun aanklacht tot de hemelpoort" (: 1O.)'En ze vroegen de Allerhoogste, wat te doen.
Toen zond de Allerhoogste Uriël naar de zoon van Lamech en zei: "ga naar Noach en zeg hem in Mijn naam: "verberg u" en vertel hem van het naderend einde; dat de hele aarde zal worden vernietigd, dat er een zondvloed komt die alles wat leeft zal doen omkomen" (10 : 2, 3). En tot Raphaël zei de Heer: "bind Azazel aan handen en voeten en werp hem in de duisternis; maak een put in de woestijn, in Dudael, en werp hem daar in. En stapel stenen en rotsen over hem heen, bedek hem met duisternis en laat hem daar eeuwig zitten, zonder 'het licht te zien. Op de dag van het grote oordeel zal hij in het vuur geworpen worden" (10 : 4-6).
-0-
De eerste zondeval in het paradijs (Gen. 3) en de tweede (Gen. 6) zijn niet met elkaar in strijd. Ze kunnen twee tekeningen van dezelfde zaak worden geacht: gevallen engelen veroorzaken een gevallen mensheid. Al schijnen beide verhalen verschillend te zijn gedateerd.
Toen het oordeel aan de gevallen engelen was aangezegd ("geen vrede, geen vergeving") sidderden ze van vrees en schaamte. Ze vroegen Henoch tussenbeide te treden bij God. Dit deed Henoch. Maar de Heer antwoordde: "Jullie behoorden de mensen tot steun te zijn - zal een mens nu voor jullie tussenbeide komen? Waarom hebt ge de hoge heilige hemel verlaten, en bij vrouwen gelegen, en u afgegeven met mensendochters, en gedaan als stervelingen en u reuzen als zonen gewonnen?
En hoewel ge heilig, geestelijk, begiftigd met eeuwig leven waart, hebt ge u afgegeven met mensenbloed en u kinderen van vlees en bloed gewonnen, zoals de stervelingen doen. Want daartoe heb Ik hun vrouwen gegeven: dat ze kinderen zouden krijgen en het o~ garde nooit aan mensen zou ontbreken ..Maar jullie waart (vroeger) geestelijk, met eeuwig leven en onsterfelijk. Daarom heb Ik u geen vrouwen gegeven, want voor geestelijke wezens is de hemel een woonplaats. Maar nu zullen de reuzen, voortgekomen uit geest en vlees, boze geesten worden genoemd en ze zullen de aarde bewonen" (15: 2-8). Denk aan Matth. 12 en Lucas 11.
De Allerhoogste gaf zijn getrouwe dienaren ook een boodschap van genade mee: "genees de aarde die door de engelen bedorven is, boodschap het herstel van de aarde. Zeg dat de mensen de ramp te boven zullen komen en dat niet alle mensenkinderen behoeven onder te gaan vanwege de geheimen, die de gevallen engelen aan hun bastaardkinderen hebben geleerd" (: 7), en vernietig de geesten der goddelozen en der bastaarden, omdat deze de mensheid verdorven hebben. Vernietig alle kwaad van de aarde, en laat alle boze werk ophouden; en laat de plant van recht en waarheid opschieten als een zegen: de werken van gerechtigheid en waarheid zullen geplant worden in waarheid en vreugde voor eeuwig" (10 : 15, 16).