Een Christelijk Gereformeerd Gedachteniswoord bij het overlijden van ds G. Mul
1987-11-20
- Jaargang 31
- nummer 44
Onlangs hebben de lezers van ons blad kennis kunnen nemen van het een door één onzer predikanten ter nagedachtenis van ds G. Mul bij gelegenheid van diens begrafenis gezegd is. Wij publiceren nu opnieuw een gedachteniswoord dat bij die gelegenheid gesproken, werd; en wel van de Christelijke Gereformeerde predikant ds J. Plantinga uit Leeuwarden.
Niet dat wij in ons blad altijd naar een dergelijke volledigheid kunnen streven, maar voor deze uitzondering bestaat een goede reden.
Ds Mul was de voorzitter van de 'Kommissie voor Kontakt en Samenspreking met andere Kerken' en heeft in die hoedanigheid, maar toch ook als predikant in zijn tegenwoordige en vroegere gemeente, veel gedaan voorde eenwording van de Chr. Geref. en de Ned. Geref. Kerken.
Het leek ons daarom gepast ook het woord van ds Plantinga in ons blad een plaats te geven. Om mede hierdoor het eenheidsvuur dat ds Mul zo zeer ter harte ging, brandende te houden. Dat deze vlam wat staat te flakkeren, zo na het overlijden van prof. dr. J. P. Versteeg eerst en van ds G. Mul nu, en door andere kerkelijke ontwikkelingen zelfs met uitdoving bedreigd wordt; staat wel vast.
De redaktie
Meditatie in de Dienst van Woord en Gebed bij de begrafenis van ds G. Mul
God heb ik lief (Psalm 116)
Familie, vrienden, gemeente,
Het is onmogelijk om onder woorden te brengen, wat nu in ons hart leeft. We waren verslagen, toen we hoorden, dat jullie man en vader, onze vriend en predikant Gijsbert Mul, was overleden.
Wij hadden hem zó graag ons midden gehouden: in jullie gezin en familiekring, in de gemeente en m onze belde kerken, die hij m het zoeken naar samenwerking en éénheid zó vol geduld met liefde en beslistheid heeft gediend.
Wij hadden nog zo veel van hem verwacht en van hem willen leren.
Na bijna 28 jaar dienst als predikant kwam aan zijn leven en werken een einde.
Het waren bepaald niet altijd gemakkelijke jaren; lichamelijk heeft hij veel meer geleden dan wij vaak beseften; de zorgen zijn hem niet bespaard gebleven. Ook aan de kerk heeft hij veel geleden; de scheuring in Deventer heeft een groot litteken m zijn leven gebracht. En de moeizame samensprekingen tussen de Chr. Geref. Kerken en de Ned. Geref. Kerken hebben hem intens veel verdriet gedaan.
In zijn preek op 3 september 1972 in Lelystad, toen onze beide kerken daar samen verder gingen, zei hij: "Er is veel sneller een scheur in Gods gemeente dan hechte éénheid." En toch bleef hij met een niet te begrijpen geduld, Iiefde en vrede doorgaan met zijn werk. Wat kon hij veel genieten: van zijn vrouwen kinderen. Wat kon hij een blijdschap uitstralen.
Wie hem in Lelystad meemaakte toen de samenwerking tot stand kwam werd enthousiast door zijn enthousiasme.
Wat genoot hij ervan om kinderen en verstandelijk gehandicapten de boodschap door te geven van Gods liefde.
Waar haalde hij de kracht vandaan?
Nu, dat heeft hij in diezelfde preek gezegd: "Waar hebben wij het aan verdiend, dat wij het eigendom van Jezus Christus mogen zijn? Wat is God groot, wat een liefde heeft de Here aan ons kwijt gewild, dat Hij naar ons, zondige mensen, wilde omkijken.” Dat was het geheim van zijn leven en daarvan heeft hij getuigd met de kerk en daar buiten.
“God heb ik lief, Hij is mijn liefde waard."
Die liefde tot God straalde hij uit in zijn omgeving.
"God heb ik lief”, dat was ook het geheim van de dichter van Psalm 116.
Deze dichter heeft heel wat achter de rug. Als hij eraan denkt, slaat hem nog de schrik om het hart. Banden van de dood hadden hem omvangen; angsten van het dodenrijk hadden hem aangegrepen, zodat hij het uitschreeuwde naar God.
Hij vertelt niet, wat precies de ellende was, waarin hij verkeerd heeft. Misschien was het een ernstige ziekte of onderdrukking door een vijand.
Maar hij ontdekte in zijn leven, dat God hem niet uit het oog verloor; dat de Here hem bewaarde en kracht gaf.
In vs. 10 zegt hij: "Ik heb geloofd, zelfs toen ik sprak: ik ben zeer verdrukt." Dat geloof heeft hem nooit ontbroken; ook met, toen de mensen hem teleurstelden; ook niet, toen de stormen door zijn leven gingen. Dat geloof in de liefde en kracht van God hield hem staande.
En dat was ook het geheim van jullie man en vader, onze ds Mul.
Het was zijn kinderlijk geloof, dat hem de kracht gaf om te zijn, wie hij was. In dat geloof mogen ook wij met alle verdriet en vragen, die ons vervullen, verder gaan.
Een gelovige kan het heel moeilijk hebben; hij kan zich benauwd en bedreigd voelen.
En waar moet je het dan zoeken?
Bij mensen? We hebben wel geleerd, dat mensen niet echt kunnen helpen; ze hebben immers niets in eigen hand. zelfs het leven niet. Maar wat mensen niet kunnen, dat kan God!
Is dat wel waar? Kan God wat doen tegen de dood! Stelt God belang in een mensenleven. Lijkt het er vandaag niet op. dat ook voor Hem een mensenleven niet telt? Gelovigen hebben het toch ook moeilijk? Er sterven toch ook gelovige mensen?
De dichter van Psalm 116 zegt: ja. voor God telt een mensenleven: Kostbaar is in Zijn ogen de dood van Zijn gunstgenoten ."
Hun dood, ook de dood van ds Mul. is voor Hem niet iets. dat Hem niet interesseert. De Here speelt niet met het leven van hen.
die Hem liefhebben. Hij heeft er juist alles voor ingezet. Hij, Die Zijn eigen Zoon heeft overgegeven in de dood., hoe zou Hij ooit kunnen vergeten of verachten een leven waarvoor Zijn Zoon de prijs van zijn leven heeft betaald?
Een gelovige mag weten: mijn leven is duur betaald en daarom laat Hij mij ook in de dood niet los. Om de dood zijn prikkel te ontnemen, moest Jezus Christus de angst van de hel doorstaan.
Met de dood is het niet afgelopen. maar na de dood gaat het leven door: zonder ziekte, zonder zonde, zonder verdeeldheid. Dan mogen wij samen vol verwondering God zien en Hem samen aanbidden: "God, ik heb u lief!" Hiervan getuigde ds Mul en daar verlangde hij naar.
In zijn preek in Lelystad zei hij het zo: "die éne hoop koesteren wij, die verwachting, dat Jezus komt en dat Hij ons met elkaar op de nieuwe aarde wil zetten. Een gescheiden avondmaalstafel wordt steeds meer een pijnlijke zaak. wanneer we geloven - en dat geloven we toch - dat wij eens samen de Bruiloft van het Lam zullen vieren."
In dat geloof en met dat perspektief gaan we straks naar de begraafplaats.
In jullie gezin en familie, in de gemeente, in onze vriendenkring is een lege plaats gekomen en dat doet pijn. Wij, mensen, kunnen elkaar niet missen. vooral niet. als we veel van elkaar houden.
Maar ik mag u en jullie vandaag wijzen op die God. Die in Jezus Christus vlakbij u komt staan en Hij zegt: “Ik ga met u mee." Hij wil u bij de hand nemen, zoals Hij het deed in het leven van ds Mul.
Laten wij verder gaan in het spoor van uw man, onze broeder en predikant.
Dat was zijn diepste verlangen, dat ouderen en jongeren de weg met de Here zouden gaan. In Lelystad besloot ds Mul zijn preek zó: “Laten wij dan met het oog gericht op de éne Heer, de éne Geest, de éne Vader samen de weg verder gaan. waarop de Here ons gezet heeft." De weg naar de Bruiloft van het Lam.
Ziende naar de omstandigheden blijft het lied ons vandaag in de keel steken. Maar ziende op dat machtig perspectief kunnen wij vandaag toch samen zingen: “God heb ik lief!" Want Hij brengt al Zijn kinderen thuis in die éne kudde. onder die éne Herder. Bij alle verdriet gedenken wij vandaag dankbaar wat de Here ons in ds Mul gaf en hoe kunnen wij onze dankbaarheid beter tonen dan door in dat spoor, op die weg verder te gaan.
Want daardoor ontvangt onze God de eer. En daarvoor leefde Gijsbert. Daarom: in dat spoor samen verder.
J. Plantinga.