Geloven we het wel? (9)

1987-11-27
  • Jaargang 31
  • nummer 45
Deze (voorlaatste) aflevering gaat verder in op de positie van (vooral) de opgroeiende jongere binnen het gezin. en de taak die de gemeente als gemeenschap heeft ten opzichte van jongeren; in het bijzonder ook van hen die aan de rand van de kerkelijke gemeente funktioneren.

Een krisis in het gezin
Tijdens de puberteit ontstaan er vaak spanningen in het gezin. Puberteit en adolescentie zijn perioden van krisis.
Het op eigen benen leren staan gaat met vallen en opstaan. Spanningen zijn in deze fase een normaal verschijnsel, zelfs de beste opvoeder zal ze niet kunnen vermijden.
Tegelijkertijd moet hierbij ook worden opgemerkt dat het moeilijk kan zijn voor ouders en kinderen (wederzijds) om met elkaar te spreken. Ze staan in emotioneel opzicht erg dicht bij elkaar.
Daarmee wordt geen waardeoordeel uitgesproken over de kwaliteit van de relatie, maar wel een feitelijke kon statering.
Het is vaak gemakkelijker om met iemand te spreken die ons in emotioneel opzicht minder nabij staat. In onderzoeken geven jongeren vaak aan weinig met hun ouders te spreken: de gesprekken vinden meer plaats met goede vrienden (1: blz. 136).

Gezin en gemeente
Wat is het verband tussen de voorgaande konstateringen en het onderwerp' 'kerkverlating': Wanneer een jongere steeds minder de kerkdiensten blijkt te bezoeken, is het belangrijk dat niet alleen de eigen ouders hem of haar missen. Dat zou dan nog altijd kunnen worden verklaarduit het feit dat vader en moeder altijd 'zo bezorgd zijn'. Juist tijdens de volwassenwording kan een jongere zich dan nog wel eens extra gaan verzetten: hij wil immers eigen keuze maken, los van de ouders!
Het is van zeer groot belang dat de gemeente in dat opzicht gemeenschap is, dat jongeren ook buiten het eigen gezin een thuis kunnen vinden. Veel mensen hebbende band met de kerk behouden, mede dankzij kontakten met andere gezinnen binnen de gemeente waarin ze opgroeien.

Kerkeraad en gemeente
Het voorgaande betekent dat het 'aan de rand' funktioneren van jongeren een verantwoordelijkheid is van heel de gemeente.
Nadrukkelijk moet hier gesteld worden: niet alleen van de ouders, maar evenmin alleen van de kerkeraad.
Uiteraard is het toezien op de kerkgang wel een taak voor de kerkeraad. maar, nogmaals: niet alleen van hen. Bovendien gaan veel kerkeraadsleden gebuktonder een (te) grote werkdruk. Dit wijst ook op een onevenredige verdeling van de verantwoordelijkheden binnen de gemeente ...
Wanneer het kontakt beperkt blijft tot eenmaal per jaar huisbezoek, en wanneer dan tijdens dat huisbezoek de kerkgang ter sprake wordt gebracht, wordt dit vaak gezien als een synoniem voor externe dwang (2, blz. 73). Een predikant of ouderling kan dan - hoe sympathiek hij ook is - gezien worden als een vertegenwoordiger van 'het gezag'.
Die 'autoriteit' roept tijdens de volwassen wording vaak weerstand op.
Voor veel jongeren is het echter wel belangrijk dat er iemand naar hen omkijkt, even informeert hoe het gaat, laat merken dat ze gemist worden. Vanuit die relatie kunnen dan ook - vaak onverwacht - het geloof of de kerkgang aan de orde komen. Dat kàn de taak zijn van een predikant of een kerkeraadslid maar evenzeer van andere gemeenteleden!
Bijzondere aandacht vragen die gemeenteleden die werkzaam zijn in een 'total institution’ (een term van de socioloog Goffmann: wonen, werken en vrije tijd vinden in dezefde omgeving plaats. Te denken valt aan bv. verpleging, militaire dienst, soms ook het studentenleven).
Dit leidt tot een zeer 'massieve beïnvloeding' tijdens een kritieke levensfase, waardoor veranderingen in de levenshouding vaak al in de eerste 3 maanden plaatsvinden, Het is dan pok belangrijk dat de 'ontvangende kerkelijke gemeente' snel van een verhuizing op de hoogte wordt gesteld.

Nabijheid met behoud van distantie
Er zijn jongeren die het als bedreigend ervaren wanneer de ander hen in emotioneel opzicht (te) dicht wil benaderen. Toch vragen ook zij om erkenning.
En die erkenning is het beste antwoord op de schuldgevoelens die zo kenmerkend kunnen zijn voor opgroeiende jongeren (2, blz. 72).
Wanneer mensen geruisloos de kerk kunnen verlaten, kan hen dat het gevoel geven dat ze niet eens gemist worden.
Misschien is dat tijdelijk plezierig ('geen gezeur'), op den duur blijft het idee hangen dat de kerk toch kennelijk ook niets om hen gaf... Daarmee ontstaat ook een gevoel van niet gemist en dus niet erkend worden.
We zouden in. dit verband kunnen spreken van een behoefte aan 'nabijheid met behoud van distantie'. Erikson wijst erop dat tijdens de volwassenwording geleerd moet worden om met 'intimiteit' om te gaan, (bedoeld in de betekenis van 'de' ander toe te laten in je leven: 3, blz. 78). Het onderwerp 'relaties' houdt veel jongeren bezig (4, blz. 60). Het werkelijk de ander toelaten in' emotioneel opzicht kan dan echter nog als te bedreigend worden ervaren. Daarom zouden ook de wat kortere, maar regelmatige bezoeken bij jongeren, samen' met een open deur en open oor bij een aantal gemeenteleden binnen deze leeftijdsfase wel eens van zeer groot belang kunnen zijn.

Troost
De gereformeerde kerkleer vormt een groot goed. We kunnen echter zo bezig zijn met de leer, dat de troost wel eens achter de horizon dreigt te geraken.
Daarmee wordt niet bedoeld dat er geen grenzen gesteld mogen worden, maar wèl dat God van ons vraagt om mei ontferming bewogen te zijn. Dat is heel wat anders dan vanuit een gemakkelijke stoel met een vinger te wijzen naar ontwikkelingen waar we het niet mee eens zijn.
We kennen soms een geharnast taalgebruik en een scherpe pen. Datzelfde taalgebruik en diezelfde pen hebben het sommige mensen ook wel moeilijk gemaakt binnen de kerk.
Jongeren 'beoordelen' de kerk ook op dat aspekt. Een harde veroordeling van andersdenkenden zonder enige voelbare betrokkenheid maakt het voor hen moeilijk de werkelijke betekenis van de christelijke naastenliefde te ervaren.

Gemeenschap
In de eerdere afleveringen van deze serie kwam al naar voren dat de wijze waarop ouderen over de kerk spreken van invloed is op het beeld dat jongeren van de kerk ontwikkelen. Het is daarbij eveneens belangrijk dat jongeren ervaren dat het lid-zijn van de kerk niet vrijblijvend is, een soort 'konsumptieartikel' (de 'electronische kerk') in de Verenigde Staten is daar voorbeeld van). Ook in ons eigen leven kan het lidmaatschap van de kerk te vrijblijvend, te konsumptief zijn ... We hebben altijd gezegd: de kerk is daar waar het Woord en de sacramenten zuiver bediend worden. Maar wat ook tot het wezen van de kerk behoort is de onderlinge gemeenschap.
Maar de kerkgang lijkt vaak meer op: 'ik kom naar de kerk, ik zit hier een uur, liefst met mijn jas aan, en ik ren weer weg" (5).
Gemeenschap vormt, mèt de bijbelgetrouwe prediking, de basis voor de kerk, ook in de komende decennia. Duizenden jongeren (maar zij niet alleen) stikken in de moderne westerse samenleving bijna in hun eenzaamheid. Mensen hongeren naar gemeenschap. Zelfs daar waar mensen niets meer van de boodschap van de kerk willen weten, kunnen ze toch jaloers zijn op de gemeenschap.
Laten we als christelijke gemeente dan ook die gemeenschap vormen!

Literatuur
(1) Drs L. van Driel en drsA. Kole: Bij tijds leren geloven (Kok. Kampen 1987) Aan dit onderzoek deden o.a. ongeveer 1000 leerlingen van het voortgezet onderwijs mee, die lid zijn van de 'rechterflank' van de Nederlands Hervormde Kerk en van de Gereformeerde Gemeente. Van de ondervraagden gaf maar 50% aan wel eens over problemen met moeder te spreken en slechts 40% met vader.
(2) Roger Wind. Geloof in Wording (serie Pastorale Handreiking. no. 33: Voorhoeve) ,
(3) Erik H. Erikson: Identiteit (Aula Pockets. nr. 454)
(4) Aalt van de Glind, Om een jonge kerk (Kok. Kampen,1987).
(5) Trouw.1 juni 1987 (n.a.v. RISK '87).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief