EEN BIJZONDER KIND (BIJ ZONDAG 6)

1987-12-04
  • Jaargang 31
  • nummer 46
Er was eens een zieke meneer.
Hij lag in het ziekenhuis en de dokters probeerden hem beter te maken.
De ene dokter zei: Meneer heeft pijn in zijn buik. Hij mag beslist geen vast voedsel hebben, geen brood of aardappels. Alleen vloeibaar, water of melk. De andere dokter zei: Meneer heeft last van zijn armen en benen. Hij moet beslist kalktabetten eten. Of de eerste dokter het nu goed vindt of niet, het moet!
Toen zei de zuster: Weet je wat ik doe? Ik geef die zieke meneer water- dan is de eerste dokter ook tevreden. En ik los de kalktabletten in het water op - dan is de tweede dokter ook tevreden.
Zo werd de zieke beter en hij leefde nog lang en gelukkig.

Er was eens een arme koning.
Hij had een heleboel ministers en ambtenaren, maar hij had geen geld om ze te betalen.
Toen werden ze boos op hem en joegen hem weg. Zo woonde de koning in het buitenland. En hij was heel verdrietig: Hij had wel een troon. maar hij mocht er niet op zitten.
Toen dacht de koning: Ik weet wat! ik ga trouwen. Ik ga trouwen met een heel rijke mevrouw. En dan? - hij lachte een beetje in zichzelf - dan zal ik die ministers en die ambtenaren wel krijgen!
De koning trouwde in het buitenland met een heel rijke mevrouw. Een jaar later werd er een baby geboren. een prinsje. De prins groeide en groeide, en werd een grote man.
Toen riep de koning de prins. Hij zei: Jij moet teruggaan naar ons land. Jij moet daar koning worden. Je mag het, want je hebt de troon van je vader. Je kunt het, want je hebt het geld van je moeder.
En zo gebeurde. De prins kreeg de troon van zijn vader en het geld van zijn moeder. De ministers en ambtenaren waren tevreden. En de jonge koning regeerde nog lang en gelukkig.

De zuster uit het eerste verhaaltje en de koning uit het tweede losten hun probleem op dezelfde manier op. Ze deden twee verschillende dingen bij elkaar: water en kalktabletten, troon en geld.
Eigenlijk ben jezelf, meisje of jongen, man of vrouw, ook zo'n oplossing. De mensen zeggen wel eens: Wat lijk jij op je vader zeg! Of: Je bent sprekend je moeder!
En dat kan natuurlijk best. Je bent een kind van je vader en je bent een kind van je moeder. Je hebt van allebei alles.
In jou zijn je vader en moeder één geworden.
Net zoals twee beekjes in elkaar stromen en samen één rivier worden.
Je kunt niet meer zien welk water uit het ene beekje komt en welk water uit het andere beekje: ze zijn helemaal één geworden.
Zo is het met de Here Jezus nu ook.
Evenals wij allemaal heeft de Here Jezus een vader en een moeder.
Zijn vader - dat is God. En zijn moeder - dat is Maria.
In de Here Jezus zijn God en mens één geworden. De goddelijke en de menselijke beek monden in elkaar uit en worden één rivier. En je kunt ze niet meer uit elkaar houden. De Here Jezus lijkt dan ook sprekend op God: De bijbel noemt dat: “Hij is het uitgedrukte beeld van de Vader. En de Here Jezus lijkt sprekend op Maria: Hij is net zo mens als wij allemaal.
Vandaar dat men in de bijbel tegen Jezus zegt: “Mijn Here en mijn God" maar ook: “Onze oudste Broeder".
Hij is onze God en Hij is onze Broer, en dat is iets dat je nooit kunt begrijpen. Je kunt je er alleen maar over verwonderen.
Verwonderen, dat de Here God zó het probleem van de zonde heeft opgelost: door twee verschillende dingen bij elkaar te doen: het Goddelijke en het menselijke.
Want het was net als met dat eerste sprookje: de ene 'dokter' zei: De mens heeft gezondigd. dus moet de mens ervoor boeten. Wie breekt betaalt.
En de andere 'dokter' zei: De mens kan niet voor de zonde boeten. dus moet God het doen. Een ander betaalt het gelag. En toen kwam de oplossing van de 'zuster': Weet je wat we doen? We maken iemand die echt en recht mens is. want de mèns is in de fout gegaan. de mens móét het gelag betalen, En die tegelijk echt God is. want God moet ervoor opdraaien.
God kàn het gelag betalen.
Kortom: zo maakte God het plan om de Here Jezus geboren te laten worden.
Net zoals in het tweede sprookje: de koning mocht wel regeren. hij had de troon: maar de koning kon niet regeren, hij had geen geld.
En toen bedacht de koning een middel om de troon en het geld in één hand te krijgen. Hij moest een rijke vrouw trouwen en een kind krijgen.
De mens was zelf zondaar en kon dus niet voor andere mensen betalen. Niet eens voor zichzelf, laat staan voor anderen: Daarom moet de verlosser mens en God tegelijk zijn. Opdat hij uit kracht van Zijn Godheid de zware last van Gods boosheid zou kunnen dragen. en ons de gerechtigheid en het leven zou kunnen teruggeven.
God is draagkrachtig genoeg om ons pakje te kunnen dragen. Dankzij de Here Jezus leven wij lang en gelukkig!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief