Moeten wij lid worden van het OJEC? (3)
1987-12-04
Het stuk van Mevr. Noordhoek- de Putter wordt gedragen door een gedachtengang die m.i. geheel verwerpelijk is en die nauw aansluit bij de theologie van de bekendste woordvoeder van het OJEC, dr S. Schoon. Het is een ook van elders wel bekende theologie die deze wereld tot middelpunt gekozen heeft en derhalve, met een woord aan de apostel Paulus ontleend, als aardsgezind gekarakteriseerd moet worden (Philip. 3: (9). En omdat het een aardsgezinde theologie is, is het ook een politieke theologie. Want het brandpunt van deze wereld is de politiek, terwijl het zwaartepunt van het Koninkrijk der Hemelen in de toekomende eeuw ligt. Deze aardsgezinde, politieke theologie nu treedt in alle duidelijkheid aan de dag in het jongste boek van dr Schoon, LEVEN IN EEN WERELD, een uitdaging voor joden en christenen (Kampen, (987). Aan dit boek wil ik nu enige aandacht schenken om zo tot een negatief antwoord te komen op de vraag die ik in de titel van deze artikelen-reeks heb gesteld. Want het lijkt mij niet buiten de orde om de publikaties van dr Schoon te beschouwen als de 'uitkomende stem' in het OJEC-gebeuren - Jaargang 31
- nummer 46
Het zoeken der heidenen
De apostel Paulus leefde, werkte, sprak en dacht coram Deo, met de Here God voor ogen. "Daar wij dan weten hoezeer de Here te vrezen is ... " (2 Kor. 5:11), - dat woord typeert hem helemaal.
Zijn streven was erop gericht de Here God en de Here Christus welbehagelijk te zijn. Bij een man als Luther vinden we dat precies zo. In de politieke theologie is dit evenwel heel anders. Niet God, maar het behoud van deze wereld is daar het voorwerp van de vrees geworden. 'Zoek éérst deze wereld en haar overleven ...' is het parool.
Luister maar naar wat dr Schoon op het eind van zijn boek schrijft: "De wereld van vandaag is klein geworden. Joden en christenen vormen een minderheid temidden van een steeds groeiende wereldbevolking.
En de uitdagingen in die wereld zijn zo groot en bedreigend geworden, dat de oude geloofsgemeenschappen zich overvraagd voelen en zich pogen terug te trekken in een veilig isolement. Maar het isolement blijkt geen remedie meer te zijn om de problemen buiten de deur te houden. De vragen van de wereld laten zich niet verdringen.
Vrouwen eisen hun rechten op.
Milieu-problemen zijn levensgroot geworden.
Vragen van oorlog en vrede bepalen het wereldnieuws. De confrontatie met het religieuze pluralisme van de instelling verstaat hij de nadruk die aan joodse zijde op het ethische en het praktische en het leven wordt gelegd (pg 103/ 4). Hij vindt dat de christenen deze instelling van de joden zouden moeten overnemen (pg 110) omdat de uitdaging van deze wereld ons een nieuwe agenda opdringt. die zich met grote klem aandient (pg 109). Maar wat Schoon leerstellige of dogmatische belangstelling noemt, (wàar dan zoveel kwaad uit voortgevloeid zou zijn), beoordeel ik toch anders dan hij. Om zijn verhaal op dit punt staande te houden moet hij trouwens wel zijn heil zoeken in de karikatuur (pg 11, 21/2 107, 110). Dat procedé is bekend genoeg vandaag. Maar terug naar het punt in kwestie, het jodendom is nu eenmaal eerder bij de daad dan het christendom.
Dat komt omdat het jodendom optimistisch is over de mens en zijn mogelijkheden, terwijl wij een heel Oude Testament hebben om ons te leren dat het met de mens en zijn daden niets gedaan is.
Vandaar dat dit eerste deel van de Schrift op een volkomen echec uitloopt.
In het verbond van God met zijn volk blijkt telkens weer dat de mens het grote probleem is, en daar kan alleen verandering in komen wanneer die mens van Bovenaf krachtdadig omgezet wordt.
wanneer hij een nieuw hart en een nieuwe geest in zijn binnenste krijgt (Ez .. hedendaagse samenleving is een dagelijkse ervaring geworden. Mensenrechten kunnen niet langer van de agenda geschrapt worden. Er is maar één wereld die joden en christenen samen met anderen delen. Er bestaat geen reservewereld voor het geval de oude wereld door mensen kapot gemaakt wordt. Er is maar één wereld, waarvoor joden en christenen samen met anderen verantwoordelijkheid dragen" (pg. 111/2). Afgezien van de rechtstreekse spot die in de voorlaatste zin van deze aanhaling met de verwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde wordt gedreven, laten deze woorden duidelijk zien waarvan deze theologie het meest onder de indruk is. Zij stelt die dingen in het middelpunt waarvan de Here Jezus gezegd heeft dat het zoeken van de heidenen daarnaar uitgaat (Matth. 6:32).
De halachische instelling
Ik beweer niet dat deze politieke theologie kenmerkend joods zou zijn. Wel konstateer ik dat dr Schoon, met de overvolle agenda van zoëven vóór zich, jaloers is op de halachische instelling van het jodendom, waar hij de christelijke religie, zeker in haar traditionele vorm, als een leer-godsdienst, om niet te zeggen: discussie-godsdienst (pg 43) of nog erger: twist-godsdienst (pg 104), tegenover stelt. Onder die halachische alleen maar kerkscheuringen uit voort komen, maar het is wel de waarheid die de Schrift van het begin tot het eind en in alle toonaarden betuigt.
Psalm 40
Laat ik het hierboven gezegde eens met een uitgewerkt voorbeeld illustreren.
Het joodse geloof is de godsdienst van de halacha, dat wil zeggen: van de begaanbare weg van de geboden. Het godsdienstige jodendom zou zich blijmoedig kunnen herkennen in de bekende woorden van Ps. 40:7-9: “In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, Gij hebt mij geopende oren gegeven - brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. Toen zeide ik: zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste".
Goed, er staan een paar woorden in die een beetje geheimzinnig klinken: 'in de boekrol is over mij geschreven', en de vraag komt op over wie het daar eigenlijk gaat. maar geen nood' de Groot Nieuws Bijbel kan hier hulp bieden. Die vertaalt immers 'gewoon': “In de boekrol staat wat ik doen moet ", waardoor die moeilijkheid ook weer opgelost is.
Even slikken voor het taalgevoel, dat wel, maar de omgangstaal eist nu eenmaal zijn tol. Maar overigens, een prachtige typering van de halachische mens toch, deze passage uit Ps. 40. Maar dan komt het Nieuwe Testament en dat doet moeilijk. Dat betrekt namelijk deze psalmpassage, via enkele tekstingrepen, op de Here Christus.
Dat gaat zo: "Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid: in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welgevallen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik - in de boekrol staat van Mij geschreven - om uw wil, 0 God, te doen" (Hebr. 10:5-7). Merkt U wat hier gebeurt? Hoe dat laatste stukje van de aanhaling, over de wet, de thora, in het binnenste, weggelaten is (om me nu maar tot deze verandering te beperken) en hoe dat de schrijver van deze Brief in staat heeft gesteld om met die 'wil' uit vs 9 van de psalm een heel eigenaardige kant op te gaan? Die 'wil' of (wat er eigenlijk staat) dat 'welbehagen' heeft hier niet meer de betekenis van het goddelijke gebod voor' het mensenleven, maar wordt in verband gebracht met het 'welbehagen' waar Jes. 53: 10 over spreekt: "Het welbehagen des HEREN zal door zijn hand gelukkiglijk voortgaan" en heeft zo betrekking op het heilsplan dat de Knecht des HEREN door zijn verzoenend lijden tot vervuIling gebracht heeft. Zodoende neemt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën een overstapje van de dadelijke naar de lijdelijke gehoorzaamheid, om het eens leerstellig te zeggen. Dat is wel niet naar de bedoeling van de tekst van de psalm, gezien de parallelle woorden 'wil' en 'wet' in vs 9, maar die draai wordt er toch aan gegeven.
De impasse vanhet Oude Testament
Waarom: Wie moet dit overtuigen!
Mag dit nog uitleg heten! Het antwoord luidt dat dit geen tekst-uitleg, maar Schrift-uitleg is. Niet precies aan de zinnen, maar wel aan de zin van de psalm wordt zo recht gedaan. Of wat nog verder 'gaat: niet slechts deze psalm, maar het geheel van de Schrift, staat de apostel bij zijn verhandeling voor ogen. En wat hij biedt is Christusprediking ten overstaan van de impasse waarin het Oude Testament ons voert.
De schrijver namelijk van de Brief aan de Hebreeën heeft onze veertigste psalm in z'n geheel gelezen. En hij merkte toen dat die hartelijke bereidverklaring 'zie, ik kom', verderop in de psalm omslaat in een vertwijfelde schreeuw: "HERE, haast u mij ter hulpe!" (vs 14). Anders gezegd: het 'ik kom' verandert gaandeweg in de adventsschreeuw 'Kom!', 'Kom gauw!'.
En door deze omslag wordt het 'ik' in de zin 'Zie, ik kom' uiterst problematisch.
Wie is die 'ik'? Hij bezwijkt aan een innerlijke tegenstrijdigheid. De Psalm is een onmogelijkheid juist als je de beide samenstellende delen ervan, het danklied van de vss 2-11 en het klaaglied van de vss 12-18 in hun kombinatie serieus neemt. Hij beschrijft een cirkel: uit de modder (vs 3), in de modder (vs 13).
Het is nu hierop dat het Nieuwe Testament de aandacht vestigt en zegt: wij moeten 'naar een andere' Ik' op zoek die eerst de weg tot God vrijmaakt. Dan kunnen wij achter die Ander aan de psalm binnen gaan en naar de geboden vragen. Zonder in onszelf vast te lopen.
Pas achter Christus aankomen we bij het zie, 'ik kom', bij de daad der gehoorzaamheid, de levensheiliging, de toewijding aan God. Niet het Nieuwe Testament doet moeilijk, maar het Oude Testament is moeilijk. Niet in verstandelijke maar in geestelijke zin, omdat het ons, ook in Psalm 40, voor het faillissement van de mens plaatst. Hij, die mens, moet bekleed worden met een aangebrachte gerechtigheid en heiligheid, wil hij recht voor de geboden komen te staan. Waarom dan ook de Hebreeën-brief zijn behandeling van deze passage afsluit met de woorden: "Krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus" (vs 10).
Voor Joods-halachisch lezen van de Schrift is deze omweg over Christus flauwe kul. Als nu dr Schoon vindt dat we juist bij dit halachische van de joden in de leer moeten. moet hij wel weten wat hij zegt. Ik voor mij vind dat. hij ons met zulke zinnen het christelijk geloven afleert. En ik kan geen belang bedenken dat dat zou kunnen rechtvaardigen.
Ook niet het terecht ingeziene belang van een goede verhouding met de Joden.