Geloven we het wel? (10-slot)

1987-12-04
  • Jaargang 31
  • nummer 46
In dit laatste artikel worden enkele aspekten uit het gesprek over 'kerkverlating' nog eens op een rijtje gezet.

Waarom?
Men kan zich afvragen of een diskussie over 'kerkverlating’ zinvol is. Er is veel onderzoek over dit onderwerp gepubliceerd.
Lagen de antwoorden echter al niet voor het oprapen? Vinden we die antwoorden niet gewoon in de bijbel?
Zijn we met het onderzoek niet al te 'horizontalistisch' of te 'fatalistisch' bezig?
We moeten ons goed realiseren dat 'kerkverlating' niet alleen verklaard kan worden uit sociaal-psychologische faktoren.
Daarom zal iemand die niet vanuit het christelijke geloof onderzoek doet naar oorzaken van de sterke teruggang van de kerkelijke meelevendheid in Nederland ook nooit tot een sluitende verklaring kunnen komen. Vooral bij de interpretatie van de uitkomsten van het onderzoek spelen de uitgangspunten van de onderzoeker een belangrijke rol.
Wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken van 'kerkverlating' heeft dus beperkte waarde. Ten diepste gaat het hier om een geestelijk probleem (1).
Daarbij moet tevens worden opgemerkt dat - hoewel vrijwel alle onderzoeken zich richten op jongeren - de 'kerkverlating, ook ouderen betreft. Misschien moeten we ons wel net zoveel zorgen maken over de (misschien minder opvallende) kerkverlating onder dertigers, veertigers en vijftigers...
Wanneer we ons de beperkte waarde van het onderzoek realiseren en op de hoogte zijn van de uitgangspunten van de onderzoeker, kunnen we met de resultaten vaak wel ons voordeel doen.
Naar mijn mening bieden recente onderzoeken vooral inzicht in de leefwereld van de jongere. In het vierde deel van deze serie werd geschreven dat ouderen en jongeren in de moderne westerse wereld elkaars ervaringen niet meer delen (de indeling van Margareth Mead). Toch is het van belang dat opvoeders op de hoogte zijn van de leefwereld van jongeren, van wat er onder hen leeft. Wetenschappelijk onderzoek kan daarbij behulpzaam zijn.

De plaats van het gezin
In onze samenleving is het christelijke geloof meer uitzondering dan regel geworden.
Jongeren komen veel minder dan vroeger in aanraking met medechristenen (of omgekeerd: vaker in aanraking met niet-christenen) Dit legt een extra zware verantwoordelijkheid op de christelijke opvoeders, en vergroot de betekenis van het gezin voor de geloofsoverdracht. Die verantwoordelijkheid begint al heel vroeg. De basis van het geloof moet vóór het twaalfde jaar al zijn gelegd! De vraag werd gesteld in hoeverre we ons dat bewust zijn. Of heeft Verkuyl gelijk, wanneer hij het gezin 'de zwakste plek in het huidige kerkelijke leven' noemt? (2).
Christelijke opvoeding gaat niet vanzelf, is niet vanzelfsprekend (meer). Op die werkelijkheid zullen we ons moeten leren instellen!

De boodschap van de kerk
Veel kerken en predikanten hebben in de huidige golf van sekularisatie geprobeerd om door middel van aanpassing mensen bij de kerk te houden. Vaak werd het heil (!) gezocht bij een politieke prediking. Natuurlijk mag niet ontkend worden dat geloof en politiek veel met elkaar te maken hebben. Maar een kerk die de christelijke boodschap versmalt tot een politiek praatje vervalt in strakke wetticistische kaders, waarbij de vergeving ver is te zoeken. Ook werden gemeenteleden wekelijks 'getrakteerd' op de persoonlijke twijfels van de predikant. Maar: "Wat kun je jongeren en kerkverlaters nog aan geloofsinhoud meegeven, als je zelf volop twijfelt aan 'Gods Aanwezigheid', als je 'Hem' zelf niet meer echt beleeft?" zo vraagt (kerkverlater) Egbert Enserink zich af. In een verwarrende wereld zoeken mensen naar ruimte om vragen te kunnen stellen, maar ook naar houvast. Het is belangrijk dat gemeenteleden hun vragen en twijfels kunnen uiten, en dat de predikant, de kerkeraad, de opvoeders op de hoogte zijn van datgene wat er leeft in de gemeente. Zij mogen ook een eindje meelopen, mee-praten, om te luisteren naar de vragen. Maar: wanneer hun antwoord niet anders is dan 'een koketteren met de twijfel', een voortdurende 'aanpassing' dan maakt die kerk zichzelf overbodig. Immers: die kerk heeft dan. geen boodschap meer!
De kerk met een bijbelgetrouwe boodschap heeft wel toekomst. Helaas kent ook die kerk zijn 'kerkverlaters'. 'Het zal ook niet meer de 'massale' kerk van vroeger zijn, maar wel een kerkelijke gemeenschap die iets te vertellen heeft, en ook iets aan anderen vertellen wil.
Een kerk met een sterk en orthodox geloof: dat God niet machteloos is of op een afstand toekijkt, maar dat Hij persoonlijk om ons geeft. Die boodschap van vergeving en van hoop, die verkondiging van een met ontferming bewogen Evangelie heeft onze wereld meer dan ooit nodig!
Verdriet en schuld Het moeilijkste aspekt van het spreken over kerkverlating (daar begon deze serie ook mee) is het verdriet dat het onderwerp met zich meebrengt. Duizenden ouders dragen het verdriet met zich mee van één of meer kinderen die niet meer naar de kerk gaan.
In deze serie werden faktoren genoemd die de ontwikkeling van het geloofsleven kunnen bemoeilijken. Denkend over dit onderwerp ontstaat altijd een paradoxale situatie: aan de ene kant het verdriet dat 'kerkverlating' met zich meebrengt, aan de andere kant de noodzaak om mogelijke oorzaken van 'kerkverlating' op te sporen en te benoemen.
Men zal zich echter in verband hiermee steeds weer moeten realiseren dat het verband nooit zo rechtstreeks is, en dat zichtbare faktoren het bij de kerk 'blijven of de 'kerkverlating' nooit volledig verklaren.
Uit de bijbel kennen we de geschiedenis van de vrome koning Hizkia. Zijn zoon Manasse "verleidde het volk ertoe, meer kwaad te doen dan de volken die de HERE vóór de Israëlieten had verdelgd" (2 Kronieken 33 vers 9). Maar daarmee spreekt de bijbel geen oordeel uit over het geloof van Hizkia. Hij was een man naar Gods hart.
Zo zijn er ook in onze tijd ouders die heel 'dicht bij God leven, en die toch het verdriet kennen van een kind dat een andere weg is gegaan. Net zomin als ziekte rechtstreeks uit zonde verklaard kan worden, kan 'kerkverlating' rechtstreeks uit (b.v.) gezinsfaktoren verklaard worden. Daarom is het ook zoten onrechte wanneer de schuld rechtstreeks naar (b.v.) de ouders wordt geschoven.
Een stap terug, maar.....
Wanneer kinderen groter worden, moeten opvoeders een stap terug doen. Dat is vaak moeilijk. Wat komt er terecht van het gebed bij de doop, van het zaad dat tijdens de opvoeding gezaaid is?
Manasse was 12 jaar toen hij koning werd over Juda. Hij ging een heel andere weg dan zijn vader Hizkia. En toch lezen we aan het eind van zijn levensgeschiedenis: “en Manasse verootmoedigde zich diep voor de God zijner vaderen, en erkende dat de Heere God is" (2 Kronieken 33 vers 12 en 13). Dat betekent dat het zaad niet tevergeefs gezaaid was. Zaad dat voor het 12e jaar door Hizkia gezaaid was.
Uiteindelijk zijn het niet ónze methoden die bepalend zijn voor geloof van de kinderen. Het is de Heilige Geest die het geloof in de harten werkt. Dat is een boodschap die kan behoeden voor krampachtigheid. God Zelf vult onze gebrekkige opvoedingsmethoden aan.
Het is ook een boodschap die troost biedt. We mogen het aan Hem overlaten, ook wanneer aardse vaders en moeders er niet meer zijn!

Literatuur
(1) Koers. 21 november 1986 (vraaggesprek met Drs Jan van der Wal).
(2) Centraal Weekblad. 19 april 1985,
(3) In: De lege kerk, een grote zorg (Uitgave: dagblad Trouw. 1985).,Om verder te lezen: In deze serie werd veel aandacht besteed aan de positie van het gezin en de wijze waarop met Jongeren omgegaan wordt. Daardoor werd bv. het belang van catechisatie en een goed georganiseerd Jongerenwerk onvoldoende belicht.
Als mogelijke aanvulling zouden in dat verband gelezen kunnen worden:
A. “Rapport over de plaats van de jongeren in de gemeente” - opgesteld binnen de Nederlands Gereformeerde Kerk van Utrecht: gepubliceerd in 'Opbouw' van 3 en 10 april 1987.
B “Hoe houden we de jongeren bij de kerk!” door Ds C. G. Geluk: Kok, Kampen. 1987. Enkele - in de voetnoten van deze serie - genoemde (recente) publikaties zullen in de komende maanden in 'Opbouw' worden besproken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief