Christelijke kunst en de toekomst (1)

1987-12-11
  • Jaargang 31
  • nummer 47
Vandaag is het helaas volstrekt niet meer vanzelfsprekend dat het toekomstperspektief voor mensen die in God geloven, hun leven aan Hem opdragen en de Here Jezus Christus liefhebben, een glorieus en gelukzalig perspektief is.

In de brief aan de Christenen te Rome schildert de apostel Paulus ons het perspektief als volgt:

Wat wij hier te lijden hebben, weegt niet op tegen de glorie die God ons openbaar zal maken.
De gehele schepping ziet gespannen uit naar het moment waarop God onthult wie zijn kinderen zijn.
Want de schepping is veroordeeld tot een zinloos bestaan. Niet omdat zij het zelf zo graag wilde. maar omdat ze door God daartoe is veroordeeld.
(Vergelijk hiermee Genesis 3:17-19).

Maar er is hoop! Want ook de schepping zal bevrijd worden uit de slavernij van de vergankelijkheid en delen in de heerlijke vrijheid van de kinderen van God.
(Romeinen 8: 18-25: vertaling Groot Nieuws voor U).

Het zinloze bestaan ziet Paulus dus als iets wat op een gegeven moment afloopt en doodgaat. Zoals Heidegger het bestaan zag als een gestadig sterven. iedere dag een stukje doodgaan. Dasein zum Tode!,De vrijheid staat hier voor eeuwigheid, voor eeuwig leven, voor de onsterfelijkheid en de (definitieve) overwinning op de dood.

Want wij weten dat de schepping nog altijd kreunt en steunt als een vrouw die moet baren. Maar de schepping niet alleen - ook wij die toch de Geest ontvangen hebben als een voorschot op wat wij nog krijgen.

Ook wij zuchten diep zolang wij uitzien naar het moment waarop God ons voorgoed, tot zijn kinderen maakt en ons hele bestaan bevrijdt.

In de Geest hebben wij als kinderen van God dus al een voorproefje op de gelukzalige periode dat God alles in allen zal zijn, namelijk in het hemelse Jeruzalem.
Het hoopvolle perspektief in deze belangrijke Bijbeltekst bestaat uit het feit dat de pijn en het lijden niet worden gecamoufleerd, maar dat het voorbode is voor een volmaakte gelukzaligheid.
Het lijden, dat aan dit geluk voorafgaat, maakt het vreugdevolle dat ons te wachten staat zelfs groter en dieper.
Paulus vergelijkt het lijden dat wij in ons leven te verdragen hebben met de barensweeën van een vrouw. Een vrouw krimpt tijdens de ontsluitingsweeën en het persen ineen van pijn. Zij kermt, zucht en huilt. Maar er is blijdschap vooral wanneer zij haar kind na de geboorte in haar armen mag koesteren en het de borst kan geven.
Iets dergelijks staat ons ook te wachten.
De verlossing die God voor ons in petto heeft is geen goedkope verlossing. Het heeft niets van doen met een goedkope vlucht weg voor een confrontatie met de harde werkelijkheid. Geen romantische escape in illusies of drogredeneringen.
Geen bloedeloze vergeestelijking.
De verlossing die Jezus voor ons bewerkt heeft door Zelf te sterven aan het kruis was óók niet goedkoop. Hij heeft tot bloedens toe geleden en met Zijn leven betaald voor ons.
De genade die ons deelachtig is geworden is dan ook niet bedoeld om ons leven in het luchtledige te doen verdampen in de overtuiging dat wij voortaan boven het aardse lijden zijn verheven of met de bedoeling om aan ons materiële lichaam (de oude mens) af te sterven en op te gaan in een verabsoluteerde spiritualiteit. Neen. De verlossing heeft de functie om - juist wanneer het er op aan komt. als de druk groter wordt - staande te kunnen blijven in de strijd der geesten. en. in het gevecht om ons pure. naakte bestaan. Want precies dáár, waar wij het (toekomst) perspektief bijster geraakt zijn zwakke en zondige mensen die wij zijnen Gods bestaan en leiding in ons dagelijks leven niet meer opmerken, zijn wij slachtoffer geworden en willoze werktuigen in handen van de duivel.
Ik spreek hier geen theoretische bedenksels uit, maar bittere werkelijkheid.
Het zijn dingen die ik om mij heen opmerk bij andere mensen, maar ook in mijn eigen leven. Ook ikzelf dreig het spoor van Gods wil en bedoeling wel eens bijster te raken en verstrik mij wel eens in de zorgen en beslommeringen van alledag. Geloof in God zou niet mogen ontaarden in een routine-weten, in een geestelijke levensverzekering die men éénmaal in zijn leven afsluit (om er vervolgens nooit meer op terug te komen). Geloof in God wil zeggen: een dagelijkse, steeds weer terugkerende strijd om uit genade te leven en alle ballast af te werpen. Algemeen kan gezegd worden dat het uitzicht op de volkomen verlossing, op Gods Koninkrijk, op vrede en gerechtigheid, op het aanschouwen, ja het wéérzien van God, die ons de tranen zal wegwissen, steeds meer gaat ontbreken en zelfs geheel en al verloren dreigt te gaan.
Dat is onchristelijk.
Dat is berusten in de status quo van de verloederende verzorgingsstaat, van het establishment, dat is het jezelf nestelen in de wereld en materieel vasthouden wat je 'nog' hebt - en het dus 'al’ verloren hebben.
Dat is geestelijke armoede - want: ingepakt worden door onbijbelse noties, waarheden en opvattingen: dat is vertrouwen op zogenaamde pure feiten, wetenschappelijke analyse - een ander woord voor ongeloof. Dat is jezelf overgeven, capituleren voor het kwaad, jezelf openstellen voor de duisternis, de kwade machten en de boze geesten.
Het is de onderhuids aanwezige paniek om staande te blijven in een wankelende wereld. Het is de twijfel van het uiteengescheurd worden in een heilloos dualisme van werkelijkheid en geloofswerkelijkheid.
Angst voor de toekomst uit zich vaak in het jezelf vastklampen aan de dagelijkse werkelijkheid van het heden, aan het werk, aan overzichtelijke taken en het jezelf afsluiten voor het verleden en de beangstigende toekomst, waaraan men zich het liefste zou willen onttrekken.
Zo 'n houding is als een zich gestaag uitbreidende olievlek. Het is een isolerend gebeuren, omdat het gepaard gaat met toenemend wantrouwen.
Het is iets wat gemeenschap desintegreert en uiteindelijk ook destructief werkt in de wezens kern van het menselijk individu.
Want geen mens kan in zichzelf voldoende houvast vinden om overeind te blijven in een crisistijd, laat staan dat hij een blijmoedige positieve visie vermag te ontwikkelen op de dingen die komende zijn.
Uit zichzelf kan een mens zich een hoopvolle toekomst niet voorstellen, althans niet als een haalbaar, reëel gegeven op grond van de feitelijke situatie zoals deze zich in de wereld om ons heen voordoet. Daar toe is een geloof nodig. Een werkelijk heer-lijke toekomst kan ons slechts geopenbaard worden.
En deze openbaring kan. een mens alleen vrijwillig aan zichzelf toelaten, om' zijn leven door dat perspektief te laten beheersen. Een mens kan zich er ook voor afsluiten!
Staande blijven in de strijd der geesten, in de verwachting van het komende Godsrijk, is iets waar je moed voor nodig hebt. En volharding. En een onverzettelijk geloof

Moed, om je tegen het omringende en oprukkende ongeloof af te zetten.
Moed, om je als gelovige te verdedigen tegenover hen die daar schamper over lachen of het voor onmondig geraaskal houden.
Maar vooral is er moed nodig om staande te blijven in een periode van geloofsvervolging, die wij aan den lijve zullen gaan ondervinden.
En volharding, omdat het geloof getoetst zal worden, evenals de zgn. geloofsvruchten - dat wil zeggen het leven van de christen, dat uit datzelfde geloof resulteert.
Volharding, omdat de geloofwaardigheid aan strenge criteria onderworpen zal worden. Een van de allerstrengste criteria is, of het geloof bestand is tegen boze dagen en slechte tijden, of dat het een opportunistisch gelegenheids-geloof is. Iets voor de zondag. Een etiket om jezelf sociaal acceptabel te maken voor anderen. Een vernis dat gemakkelijk afgespoeld kan worden en ingeruild kan worden voor iets anders.
Alleen het geloof dat in verstarring blijft steken en tot stilstand is gekomen, geloof dat veranderd is in een rigide geloofssysteem, zal niet bestand blijken te zijn in de strijd der geesten. Dat is het 'aangeleerde' geloof, dat niet in zichzelve kan bestaan.
Nodig is een levénd geloof, een trillende, pulserende, levendige relatie met de levende God, uit wiens Geest wij mogen leven. Het is de Geest, die ons alert maakt en ons het uitzicht op de komende heerlijkheid doet vasthouden. Het is Gods Geest. die ons leven uiteindelijk stuurt. Dàt is de bodem voor ons vasthouden aan de heilsfeiten die voor ons leven van belang zijn. Er is een andere attitude nodig, een flexibele houding.
Een zeker weten, dat niet ontaardt in arrogantie, en een relativeren dat niet ontaardt in scepsis. Het is de attitude van het waakzaam zijn.
Wij vinden deze houding beschreven in Matthëus 25, in de gelijkenis van de verstandige en domme meisjes, in het verhaal over de olielampjes. Het is geen paniekhouding. maar een koelbloedig maar evenzeer liefdevol, een weloverwogen maar evenzeer geduldig wachten op de (komst van) Here Jezus.
De (weder)komst van Jezus Christus, om de wereld te oordelen en de gelovigen te scheiden van de ongelovigen, is een crisistijd, een tijd van oordeel.
Het griekse woord 'crisis' betekent letterlijk ook oordeel. Maar deze crisistijd is niet wat wij meestal zien als het zgn. 'einde der tijden'. Wij interpreteren het einde der tijden te zeer als iets negatiefs, iets wat stukloopt en ten ondergaat.
Het 'einde der tijden' is bijbels gezien de vervulling ofwel de volheid der tijden.
Het begin van Godsrijk op aarde, en niet meer alleen in de geest van de mensen, maar tastbaar concreet voor àlle mensen!
Na het einde der tijden is ook geen dodelijke afloop en ontbinding van alle leven te verwachten, maar vrijheid van leven en paradijselijke harmonie. De gebrokenheid is dan uit de geschapen werkelijkheid weggevaagd en de tranen van ons verdriet zijn door God weggewist.
Wij aanschouwen God dan van aangezicht tot aangezicht. Werkelijk, een god-zalige toekomst staat ons te wachten, en is ons ook van Godswege beloofd.
Natuurlijk is het einde der tijden wél dramatisch! In Mattheüs 24 wordt gesproken over dwaalleraren (vgl. vers 4-5, 12 en 23), over oorlogen (vgl. vers 6), over hongersnood en aardbevingen (vgl. vers 7).
Gelovigen zullen uitgeleverd worden, verdrukt en ter dood gebracht worden.
Alle volken zullen de christenen haten om de naam van Jezus Christus. Over en weer zullen, gelovigen of liever zgn.
gelovigen elkaar verraden en haten. En de verachting van de wet, anders gezegd: de minachting voor het fatsoenlijke, betrouwbare leven, zal toenemen en de liefde bij de meeste mensen zal verkoelen.
Juist vanwege deze dramatiek, deze toespitsing der ellende, staat er m.i. geschreven in Mattheüs 24: 12, dat wie volhardt tot het einde, zal gered worden.
En verder staat er ook het volgende geschreven: Want de ellende zal dan zo groot zijn als de wereld nog nooit heeft meegemaakt. En zo'n grote ellende zal ook nooit meer voorkomen.
Als God de duur ervan niet zou verkorten. zou geen sterveling het overleven. Maar terwille van de uitverkorenen zal God de duur verkorten. (Mattheüs 24:21. 22).
De gelovigen zullen de crisis-tijd overleven àls ze volharden tot het einde.
Niet voor niets staat er dan ook dat vele gelovigen zullen afvallen. Dié crisis woedt vandaag in alle hevigheid, en het is die geloofscrisis waartegen christenen, en ook ikzelf, de strijd moeten aanbinden.
Maar ondanks het feit dat de tijdsduur ingeperkt moet worden. ondanks de radeloosheid die mensen bij het lezen van al deze verschrikkingen kan bevangen. moet toch opnieuw en met nadruk onderstreept worden dat het Oordeel van de Jongste Dag, het eindgericht iets vreugdevols is. Die onuitputtelijke gelukzaligheid kàn niet genoeg onderstreept worden. Waarom niet?!
Omdat wij dat niet kunnen geloven. Wij kunnen dat inwendig niet beamen, wij durven tegenover alle ellende in de wereld,
en soms binnen onze eigen kringen, eenvoudigweg geen triomfalistisch overwinningsgeluid van vrede en gerechtigheid vanuit het over ons neerdalende Hemelse Jeruzalem, de drempel naar de Nieuwe Aarde. aan ons toe te laten.
Maar één ding is zeker: alles zal recht geschieden en geen tittel of jota zal uit de wet geschrapt worden om het recht te buigen, of om bepaalde belangengroepen boven anderen te bevoordelen. (Vgl. Mattheüs 5: 17-20, Gal. 3: 22-25 en 1 Tim. 1: 7-11).
Vanuit Openbaringen 21, waarin over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde wordt gesproken, waarin van geen dood, geen rouw, geen geklaag, noch van moeite meer sprake zal zijn, is voor alle gelovige christenen die vanuit de opstanding van Christus, en vanuit het Pinkstergebeuren van de uitstorting van de Heilige Geest in de harten van de mensen, willen leven, iets te zeggen over het werk dat ons voor de toekomende tijd te doen staat, en het leven dat wij dienovereenkomstig hebben in te richten.
Deze Bijbelstudie zou ik met twee Bijbelteksten willen besluiten. De eerste is afkomstig uit Jacobus 5:7-11 en luidt als volgt!
Hebt dus geduld broeders, tot de komst des Heren! ... Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij ...

Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken.
Zie, wij prijzen hen zalig, die volhardt hebben: gij hebt van de volharding van Job gehoord, en gij hebt uit het einde, dat de Heere deed volgen, gezien, dat de Heere rijk is aan barmhartigheid en ontferming.
Het tweede Bijbelcitaat is uit1 Petrus 4:7-11 en luidt aldus: Het einde aller dingen is nabij gekomen.
Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden.
Geliefden, laat de vuurgloed die tot beproeving dient u niet bevreemden alsof, u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring van zijn heerlijkheid.
Want het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis Gods als het bij ons begint. wat zal het einde zijn van hen die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods.
(Vgl. ook 2 Petrus 3:8-9).

Met deze oproep in aansluiting tot wat met betrekking tot de toekomst is gezegd tot de wederkomst van Jezus Christus en het eindgericht over hemel en aarde wil ik besluiten. Het is een oproep die activeert en geestelijk waakzaam maakt. Laten wij het in praktijk brengen en ons leven ernaar inrichten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief