De verstokte farao
1988-11-11
Gevolgen van de geboden uitleg- Jaargang 32
- nummer 42
In het voorgaande trachtte ik duidelijk te maken, dat verharding van iemands hart door de HERE niet een noodlot is dat een mens zó maar overkomen kan.
We zagen dat de verstokte farao zich begaf in een proces van opstand tegen God. Waarin hij dan op een gegeven moment niet meer terug kàn en van de HERE ook niet meer terug màg! Laten we nu wat consequenties onder ogen zien.
Ik liet hen gaan in de verstoktheid van hun hart,
- aldus de HERE in Psalm 81 : 13.
Dat gebeurde niet zó maar! Neen, het gebeurde toen het (gros van het) volk niet naar Zijn stem luisterde, Israël onwillig was tegen Hem, vs 12. De gevolgen zijn vreselijk. 'Noodlottig' is hier niet overdreven. Immers, daarom liet Ik hen gaan in de verstoktheid van hun eigen hart, zodat zij in hun eigen raadslagen wandelden. Er kan een mens en het volk van God niets "ergers gebeuren dan dat de HERE zegt: je wilt niet naar Mij luisteren?
Dan màg je niet eens meer! Zoek het nu zelf maar uit! In de Bijbel hoeft dat niet met de termen 'verharden' of 'verwerpen' aangeduid te worden, terwijl toch die zaak in geding is! Het gaat in Psalm 81 immers over wat Israël dééd met Gods verlossing! De grote voorbeelden zijn ontleend aan uittocht en woestijnreis. Voorbeelden uit Exodus, dus.
Saul
Ik vraag me nu af, of zoiets als we boven vonden, niet het deel geworden is van Israëls eerste koning, Saul. De man was begonnen machtig op te treden door de Geest des HEREN!
Gaat zich daarna eigenmachtig gedragen.
De mentaliteit van Saul in 1 Sam. 13 is al voelbaar anders dan die in 1 Sam. 10 en 11. In 1 Sam. 15 : 1 v. maakt Samuël Saul toch wel duidelijk dat de volgende opdracht proef op de som van zijn bereidheid tot gehoorzaamheid is. Als Saul dan toch wéér eigenmachtig optreedt, is het uit met zijn koningschap, 15 : 23.
Verworpen als koning - zeggen wijdat is toch niet hetzelfde als verworpen als kind van God?! Inderdaad niet. En toch: wordt het dan niet Sauls krampachtig vàsthouden aan zijn koningschap dat hem dan tenslotte noodlottig wordt? Oók in een proces: van kwaad tot erger?
Israël zelf
Kan zo'n proces ook in het spel zijn bij het volk als geheel? Het valt me vaak op, dat in de waarschuwingen van de profeten aan Juda in het begin nog de mogelijkheid bestaat dat de HERE de aangezegde straffen afgelast.
Terwijl láter (Jeremia, Ezechiël) het gericht onafwendbaar is geworden.
Alleen geborgenheid in dat oordeel staat dan nog open voor de 'ootmoedigen des lands', zegt Zefanja, 2: 3. Trouwens, geeft diezelfde Zefanja de 'fasen' in de ontwikkeling van het oordeel van God niet aan in 3 : 7 en 8? Waarbij er in het eerste geval nog een weg terug is, in het tweede niet meer?
Naar Romeinen 9
De lezer zal al begrepen hebben: dit alles wordt hier overwogen om ons van dienst te zijn bij Rom. 9. Een hoofdstuk waar we hier niet omheen kunnen. Juist Exodus wordt er aangehaald. Precies als het gaat over verharding, en wel verharding door God!
Zie Ex. 9: 16 en Rom. 9: 17. Het gaat daar over het recht van God, vrijmachtig te beslissen tot iemands oordeel.
Als Paulus dit uiteenzet doet hij dat op gevaar af, dat men de God van ontferming en verharding willekeur zal verwijten. Immers, het lijkt willekeurig in vs. 18, en Paulus verwacht dat verwijt ook , vss. 19 v.
Daartegen voert hij allereerst aan, wie wij mensen wel (denken te) zijn, dat we kritiek durven hebben op God.
Om Gods vrijmacht te staven spreekt Paulus over de vrije beschikking van de pottenbakker, vs. 21.
Het tweede argument is wéér ontleend aan Gods doen met de farao in Exodus. Paulus zegt, dat God de toomvoorwerpen (dus de farao c.s.) waaraan Hij zijn toom heeft willen tonen en Zijn kracht bekend maken, óók nog met veel lankmoedigheid heeft verdragen. Er is dus geen sprake van, dat God hun harten zó maar verhardde.
God hadjuist veel geduld met hen.
Deze handelwijze van de HERE met de farao c.s. moest dienen - zegt Paulus - om de rijkdom van Gods heerlijkheid over de voorwerpen van Zijn ontferming te onderstrepen.
M.a.w. in Zijn keuze het hart van de farao te verharden, onderstréépt de HERE de heerlijkheid van Zijn ontfenning bij Zijn gunstelingen!
Ten verderve toebereid
Ja, zal iemand zeggen: alles goed en wel, maar het zalje lot dan toch maar wezen, door God voor het verderf bestemd te zijn! Want zó verstaan wij de woorden: voorwerpen van Zijn toorn 'die ten verderve toebereid waren'.
Dat 'voorbereiden tot het verderf is op het eerste gezicht iets dat GOd met die mensen doet.
Nu heeft men uit het bovenstaande wel begrepen dat - naar mijn inzichtdaar in het laatste stadium van de verharding van de farao inderdaad sprake van is: God verhardt zijn hart.
Paulus heeft het hier dunkt me echter over het eerste stadium van de verharding van de farao, nl. zijn eigen verharding van zijn hart. En wat blijkt?
'Ten verderve toebereid' kàn worden vertaald in de lijdende vorm. Zoals onze vertaling ook doet. Hier kàn echter ook vertaald worden met 'die zichzelf tot het verderf toebereid hadden'.
de handelende persoon in de ontwikkeling in verkeerde richting is dan niet God, maar de mens die zich tegen God verzet zèlf Dat is wat Paulus hier benadrukt: er is sprake van mensen die zèlf hebben 'voorgesorteerd' op de weg naar het kwade. Daarbij heeft God hen ook nog met veel lankmoedigheid verdragen.
Maar wie wil de HERE nu het recht betwisten om op Zijn tijd en wijze deze mensen die ten kwade kozen, ook tot voorwerpen van Zijn toorn te bestemmen?
Besluit
Twee opmerkingen tot slot. Als ik met het bovenstaande gelijk heb is de tegenstelling tussen 'ten verderve toebereid' vs. 22 en 'die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid' vs.23 dubbel!
Degenen die beginnen ons zelf tot het verderf te bestemmen zijn wij zelfvan nature! Degene die Zich vrijmachtig ontfermt is de HERE. Zijn genade ten leven is de enige tegeninstantie tegen onze fatale drang tot zelfvernietiging.
Vervolgens: ik durf niet meer te zeggen dat God een mens bestemt tot het verderf. De HERE verwerpt alleen wie Hem metterdaad verworpen heeft, en dat gebeurt in een proces waarin van de kant van de HERE veel lankmoedigheid wordt geïnvesteerd.
Voor een 'zo maar' verharden van ons hart door God hoeft en mag geen mens bang zijn! De God van Israël, de Vader van Jezus Christus is zo niet!