Kerkverlating en Diakonie (1)
1988-11-11
Kerkverlating is voor mij geen akademisch onderwerp waar wij eens heerlijk vrijblijvend een studie over kunnen schrijven of een gesprek kunnen opzetten. Bij het woord kerkverlating denk ik aan Kees, aan Bernhard, aan Nicolien, aan Ad, aan letterlijk tal/oos veel anderen wier namen in nachtelijke uren weer bij mij bovenkomen - ik denk aan de gesprekken met moeders, die soms hun hele gezin van 4, 5, 6 kinderen uit de kerk zagen verdwijnen, ik denk aan moeizame catechisatie-uren, waar kinderen gedwongen een uurtje doorbrachten en waar ik plotseling het gevoel kreeg kleine Maarten 't Hartjes te kweken. Voor mij heeft kerkverlating te maken met vooral de situatie van de grote stads-gemeenten, waar onze eigen Nederlands Gereformeerde Kerk (althans in Utrecht, waar ik zelfmee vertrouwd ben) ondanks alle ijverige inspanningen toch naar ruwe schatting 30% van haar eigen jongeren voor de kerk verloor.- Jaargang 32
- nummer 42
Het is niet direkt zichtbaar als je onze kerk op zondag binnenvalt, want er zijn heel veel jongeren, maar die zijn voor het merendeel van buiten afkomstig. De eigen jeugd heeft het niet gemakkelijk en blijft maar voor een deel trouw. Wie zijn licht opsteekt buiten de Nederlands Gereformeerde Kerk ontdekt dat de situatie dáár niet beter is. Men zegt dat de Rooms Katholieke Kerk in de zestiger jaren 60% van haar jeugd verloren heeft. Dat zal bij de Hervormde en Gereformeerde Kerken niet zo 'n hoog percentage zijn, maar ook daar is de uittocht enorm.
Mijn punt is dat kerkverlating voor mij niet een zaak is van statistieken en sociologisch onderzoek, hei is een dagelijkse werkelijkheid, die bij mij gezichten oproept, die ik niet meer zie, en die mij soms ertoe brengt aan mijzelf te twijfelen of zwarte gedachten te koesteren over kerk, christendom en christelijke gezinnen.
Als ik mij er toch aan waag om op deze dag over dit onderwerp te spreken is het om drie redenen.
Kentering?
1. Ik zie een zekere kentering. De eigen jongere leden van de laatste jaren blijven - binnen bepaalde beperkingensterker trouw aan de eigen kerk dan 10 à 20 jaar geleden. Een periode van rustige ontwikkeling van de Nederlands Gereformeerde Kerken heeft hen goed gedaan.
De jongerendagen, van N.G.J. tot Flevofestival trekken veel bezoekers en ook buiten onze eigen kerken komt er zoiets als een stabilisatie - of is de wens de vader van de gedachten? In ieder geval is de eerste reden voor mij om hierover te spreken toch hierin gelegen dat ik dit verschijnsel van kerkverlating uit de sfeer van het doemdenken wil weg hebben.
Toen Prof. Berkhof afscheid nam van de Leidse Universiteit, vroeg een journalist hem wat hij voor verschil zag tussen zijn eerste optreden als professor ik weet niet hoeveel jaren geleden en nu! Hij antwoordde: vroeger had iemand zijn/haar keuzes gemaakt rond de twintigste levensjaar. Nu kom ik talloos veel jongeren tegen, die pas rond hun dertigste tot een beslissing komen.
D.w.z. velen hebben een veel langere aanlooptijd nodig om hun weg ook in het geloof te vinden. Vormingswerk onder laat-volwassenen zal steeds belangrijker worden.
Weg uit het doemdenken! Dat bevorderen wij ook door door te blijven praten, door niets onbespreekbaar te laten liggen, misschien wel door zelf mijn angsten en twijfels eerst eens recht in de ogen te zien zodat soortgelijke twijfels bijjongeren niet langer onder hoge druk en spanning tot onbesproken taboe's worden. Dit is de enige reden waarom ik een boek als dat van P. van der Ploeg "Het lege testament" over kerkverlating kan aanbevelen. De eerlijkheid waarmee hij praat over de belevingswereld van de jongeren helpt mij om ook zelf met hen dóór te praten over de grondvragen: maar hoe denken jullie dan over na dit leven, wat de zin is van je leven etc. Of als je er niet over denkt, waarom niet en wat zijn dan je diepste wensen en hoogste idealen? Kortom: de lichtpunten van een nieuwe tijd, oog voor de complexe samenleving en de veelheid van keuzes waar jongeren vandaag vóór staan in eerlijkheid en openheid kunnen ons helpen om dit onder werp weg te trekken uit de sfeer van het doemdenken.
De kerk is meer dan een preek
2. Toch is dit nog maar een zwakke aanloop voor mijn overige twee punten.
De tweede reden waarom ik er hier over spreek is omdat ik geloof in het belang van alle bijkomende bedieningen. Het is een vreemde uitdrukking maar ik weet niet hoe ik het beter zeggen moet.
Ik bedoel met bij-komende bedieningen alle aktiviteiten en funkties in de gemeente die niet regelrecht zich bezig houden met verkondiging en onderwijs maar die daaraan zijn toegevoegd om de toon te zetten, om de voltrekking ervan mogelijk te maken, om de effekten ervan toe te passen. Dat heeft alles te maken met de diakonie. Maar ik denk hierbij ook aan het gebouw, aan de organist, aan de koffie-zetters na de kerkdienst, aan de kontaktzusters, aan de bazar, als die gehouden wordt, aan de verzamelaars van oud-papier voor de Stichting Redt een Kind, aan koor of kantorij, aan de organisatoren van een jeugd-week-end, aan de koster of kostersvrouw . Al deze funkties en aktiviteiten zijn veel belangrijker dan ooit werd vermoed. De jongeren vandaag zijn gevoelig voor sfeer en toonzetting, voor de details van de manier waarop iets gepresteerd wordt, voor het gebouw, en laten dat heel zwaar wegen in hun beoordeling van de praktijk van het gemeente-zijn en zelfs van hun keuze vóór oftegen het evangelie. Heel vaak heb ik bij mijn vraag hoe iemand een kerkdienst beleefde, ontdekt dat de doorslag of de dienst positief of negatief werd beleefd werd gegeven door wat ik zoëven noemde de bijkomende bedieningen, de sfeer van het gebouw, de manier van zingen, de stijl van de onderlinge omgang, de manier van collecteren en de wijze van presentatie van het doel, het kontaktoefenen ná de dienst etc.
"Sociaal kontakt"
Bij die kontaktoefening na de dienst reken ik ook het gewone zgn. "sociale" kontakt door de week. Het belang hiervan kan niet genoeg onderstreept worden.
Ik ken vele voorbeelden hoe persoonlijke aandacht en een vriendschapsband door de week iemand bij de gemeente bewaarde of er weer opnieuw naar toe bracht. Dè klacht in een grote stadsgemeente is altijd weer: ik weet niet wat ik er moet doen - ik loop erin en ga eruit zonder dat iemand mij aanspreekt, - ik ben er niet nodig, dus waarom zou ik er nog verder naar toe gaan enz. Hier komt nu het grote belang naar voren van het persoonlijke kontakt.
Wie zich daar voor openstelt maakt vrienden, maar komt intussen ook in aanraking met onverwerkt verdriet, werkeloosheid, problemen in relaties, onzekerheid over de beroepskeuze moeiten thuis, kontaktarmoede, homofilie enz. De mate waarin iemand in deze vragen in de gemeente steun vindt zijn heel vaak bepalend voor zijn band met de gemeente. Thomas, één van de twaalf discipelen, die niet kon geloven was er niet bij toen Jezus op de paasdag aan de apostelen verscheen. De andere discipelen lieten zich door zijn ongeloofshouding niet uit het veld slaan maar haalden hem erbij. Het zgn. sociale kontakt maakte dat hij er na acht dagen toch aanwezig was. Zodat Jezus hem daar kon aanspreken (Joh. 20 : 24-29).
Diakonie
Het werk van de diakonie is hier van het grootste belang: ik zie dat vandaag niet meer in de eerste plaats gelegen in financiële ondersteuning - ook al blijft dat één taak - ik zie het vooral gelegen in dit zgn. sociale kontakt. Zakelijke voorlichting als iemand werkeloos raakt en niet eens wéét dat hij nu huursubsidie kan krijgen, kontaktoefening met een gezin zonder vader, iemand inschakelen voor een aktiviteit in de gemeente, een vriendschapsband opbouwen met een jongen die je vaak wat alleen ziet staan, informatie doorgeven over kringen en gespreksgroepen, een maaltijd organiseren waar mensen voor kunnen intekenen, een aktie opzetten voor een maatschappelijke nood, naar wegen zoeken om mee te doen met zoiets als het conciliaire proces voor vrede en gerechtigheid!
Ieder zal met eigen gaven en mogelijkheden een bijdrage kunnen leveren en de inzet van allen bepaalt de band in de gemeente en haar uitstraling naar buiten. Zoals in de aankondiging van deze conferentie geschreven staat: "De gehele gemeente moet de diakonale gestalte vertonen in de bediening van de barmhartigheid van Christus".
De diakenen mogen met hun bijzondere opdracht als een verbijzondering van het ambt van alle gelovigen aan deze zorg voor elkaar leiding geven.
Gaten in de zorg
Toen de apostelen in Handelingen 6 merkten dat er iets haperde aan de gemeenschap en een deel van de gemeente, nl. dat de Grieks-sprekende weduwen bij de dagelijkse verzorging buiten de boot vielen, werd het diakenschap ingesteld om in deze nood te voorzien.
Zo blijft het tot vandaag toe de speciale opdracht van diakenen om zulke gaten in de zorg op te merken en de gemeenschap te versterken. Dat zijn vandaag niet de Grieks-sprekende weduwen maar misschien in uw gemeente: de-taal-van-de-bouwvakkers-sprekende jongeren, of de-taal-van-Randy-New- man-sprekende middelbare scholieren.
Als ik dàt werk van diakenen een bijkomende bediening noem, zal het duidelijk wezen dat dat geen geringschatting van die taak is. Echt "dienen" (in het Grieks: diakonein) lijkt altijd een 'extra', iets wat niet persé hoeft. Daaraan herken je zelfs de dienstknechtgestalte.
Hij of zij werpt zich op om iets te doen wat anderen overbodig achten of niet aan denken. Daaraan herkennen wij zelfs het eigenlijke van Jezus' komst en werk in de wereld. Paulus zegt in Phil. 2 : 6 : Hij had het veilige en geborgene van het bij-de-Vader-zijn ook helemaal voor zich kunnen houden, maar Hij heeft dat niet gedaan. Hij heeft die rijkdom vrijwillig afgelegd om zich aan ons gelijk te maken. Zo heeft Hij het grootste gat in de gemeenschap opgemerkt en door Zijn werk hersteld.
Omdat Hij van ons hield. In dat spoor moeten wij ook aan het diaken-zijn inhoud geven. De kerk van vandaag staat of valt met wat ik haar bij-komende bedieningen noemde. Al die dingen die niet hoeven of moeten, en die wij toch doen. Zij zijn graadmeters van onze liefde.
Orthodoxy of community
Dr. Schaeffer zei ons altijd dat traditioneel-gereformeerde kerken zich wel - en terecht - inzetten voor de orthodoxie in de leer. Daar hebben zij veel graadmeters voor. Zij hebben alleen vaak over het hoofd gezien dat er niet alleen een orthodoxy is "in de leer", maar ook "an orthodoxy of community" een rechtzinnigheid wat betreft de beoefening van de gemeenschap.
Het is zelfs een eerste kenmerk van die ene heilige algemene christelijke kerk waarin wij iedere zondag zeggen te geloven: gemeenschap der heilige.
Als er orthodoxy is in de leer maar niet in de gemeenschap wordt het koud in de kerk. Daar ligt een diepe oorzaak van kerkverlating, de bijkomende bedieningen zijn graadmeters van déze orthodoxy.
(wordt vervolgd)