In memoriam ds. A.H. Algra

1986-06-20
  • Jaargang 30
  • nummer 25
"Het is te hopen dat vele predikanten nog tot die ene stap komen, zondag. Tot vreugde voor zichzelf en van de gemeente. Dat zij mogen komen tot de rijkste belijdenis van de kerk van alle eeuwen: "De Heer is waarlijk opgestaan!"

"Misschien is de gemeente tevreden. als de oude waarheid verdedigd wordt tegen allerlei wind van leer, maar er zullen velen in de kerk zitten, die wachten op de duidelijke roep van de predikant: De Heer is waarlijk opgestaan!"

Twee citaten uit de "Pastorale Notities" van j.l. Pasen (Opbouw 28-3-'86).
En wisten de meesten van ons dat dat woorden waren van een stervende, van iemand die -met die kolossale belijdenis, die "jubel", moest klaarkomen, er nu al uit leven?
Wie het wel wist, viel op dat hij over ziekte en zonde sprak, over de noodzaak van echte voorbede voor de zieken, (18-4) of over de aanvechtingen van zieken en stervenden (21-3). Eén zin uit dat laatste: "Hoe groot is de barmhartigheid van de Here Jezus als Hij iemand alle aanvechbingen bespaart en alle pijn en: angst. En alle wroeging. Wanneer de Here de overtredingen toedekt, waarom zou iemand dan nog. met zelfbeschuldigingen moeten leven?" Op 21 februari ging het over ziekenbezoek en wat je daarbij ervaart en zo kan ik nog wel een poos doorgaan. Want, als het erom ging dat de lezers van 'Opbouw" wezenlijk wat konden leren, wilde Algra ons ook wel iets van zichzelf, uit eigen ervaring vertellen. Feitelijk heb ik ds Algra nauwelijks gekend. Een of twee keer ontmoetten' we elkaar, kort, bij de voorbereidingen van de. voorlaatste Ontmoetingsdag van onze kerken en hoorde ik hem op die 'dag zelf. Ik ken hem voornamelijk uit z'n Pastorie: Notities. Ik geloof dat niemand een ander helemaal kan kennen; ieder heeft een eigen "innerlijke burcht". Maar ds Algra liet ons - op zijn eigen wijze - toch steeds binnen. Ik vermoed dat hij van nature een zeer gereserveerd mens was; de hele wereld, of kerkgemeenschap, hoefde niet alles van hem te weten. Dat hij ziek was, ten dode toe, bleek niet of ternauwernood uit zijn bijdragen. En toch, hij liet zich kennen, meen ik. Laat ik wat indrukken geven die ik uit z'n zeer gewaardeerde bijdragen kreeg, Elke lezer is evenzeer toegerust om zo'n eigen impressie te schrijven, om dit herdenkingswoord kritisch te volgen. Hij was (meen ik):

- een man met zorg voorde kudde.
Dat allereerst. Al waren zijn stukjes soms luchtig van toon (waren ze trouwens wel luchtig van inhoud?), het ging hem om de schapen. In die zin waren het zeker Pastorale Notities. Hoe ging de gelovige om met de dingen die aan de orde waren, wat kon/mocht/moest het voor hem of haar betekenen? De implicaties van een handelwijze, een liturgie, een preek, daar ging het om. Wat had de individuele gelovige, de gemeente er aan? Hij spreekt over kerkverslag, een al of niet passende bespreking, etc. uit dit motief.
- een man met liefde voor de geschiedenis.
Nou, dat was duidelijk! Clement/ Marot, Marnix, Calvijn, vaker nog Afgescheidenen of Dolerenden en predikanten van vorige generaties. Een kleine greep uit de stukjes van het laatste jaar. De rijke gereformeerde geschiedenis, in z'n grootheid, z'n allure, maar ook z’n kleinheid. Fijnzinnig getekend, maar soms ook heel fel.

-- een man met oog voor taal.
Hij was een stilist, iemand die een scherp oog had, een scherp waarnemer was. Die ook stond op een goede verwoording van die opmerkzaamheid.
"Er zitten mensen in dé kerk die hun moederspracke kennen 'en liefhebben". De slotzin van de Pastorale Notities van 4 oktober j.l. In hetzelfde verband werd gezegd dat "de zorg voor de schapen vraagt dat aan de taal en de stijl van de preek zorg besteed wordt." Toen hij het over "kerkverlating" had (8-11-'85) moest hem eerst van het hart dat het "geen mooi woord" was, een soort germanisme. Zijn soms ter sprake komende vader Hendrik Algra was "leraar Nederlands" die het woord "thuiszoeken" afwees (4-10-'85). De zoon valt hem hierin bij. Meer voorbeelden vallen te geven. Taal telt!

- een man die oog had voor waarheid en recht.
Hij had geen buitengewoon ontzag voor predikanten. Hun verloochenen van de opstanding (met name z'n ambtsbroeders in de vorige eeuw) wordt hard aan de kaak gesteld. (28-3-'86).
Z'n hoon voor predikanten die pretenderen de ware kennis van onze taal te zijn is onmiskenbaar.
Het idee dat bij de lintjesregen predikanten meer recht hebben, om "ridder" te worden dan een ouderling vindt hij bespottelijk. (16-5-'86) Maar anderzijds, als een kerkenraad uit gewoonte en bijgelovigheid periodiek aan preekbespreking doet, vindt dat bij hem ook geen bijval (9-5-'86).

- een soort guerrillastrijder.
Hij was, denk ik, niet altijd gemakkelijk in de omgang. Maar wat een eerlijkheid, wat een diepgang!
In de aankondiging van z'n boekje worden de bijdragen "verrassend" genoemd. En dat waren ze. Elke week dacht ik: ' wat zou Algra nû weer hebben? Wie of wat pakt 'hij nu weer aan? Z'n verhalen hadden vaak een weerhaak, hij legde in een vriendelijk ogend verhaal plotseling een bom onder een fundament, maakte zich snel' uit de voeten en keek dan met ons, gereformeerd kerkvolk, of het een mooie knal gaf.
Algra was - wie kon daaraan twijfelen?- gereformeerd. In de stoere zin die zijn vader, de door mij altijd huizenhoog bewonderde Hendrik Algra, daaraan gaf. Fries Calvinisme. Of 't altijd plooibaar was, daar valt over te praten, maar het was stevig, belijnd en niet te benauwd. Hij ging niet altijd over gebaande paden. Gereformeerden moesten niet zonder meer uit traditie leven. Hij de man met oog voor traditie en geschiedenis noemt formuliergebeden wel "fossielen" (18-4). Hij was een soort "guerrillastrijder", die plotseling toesloeg, als je er niet op berekend was. Die snel en onnavolgbaar soms uithaalde naar een bepaalde kant, maar', voordat je dat kon toejuichen, misschien iets aanpakte dat je, zelf dierbaar was. Maar dat steeds op een wijze deed die hem niet omstreden rnaakte. Die - en dat was geen punt voor ons - kon uithalen naar bijgelovige mensen (het getal dertien, bijvoorbeeld, in dat alleraardigste stuk van vrijdag dertien september 1985) of naar de paus (15 november 1985). Maar dan opeens, in een onverwachte zwenking, zijn kanonnen kon richten op mensen of zaken die daar ver vandaan (leken te) staan. De visie op de vrouw in de gemeente, de oud-gereformeerden "met een eigen 'heilige' taal die niemand verstaat behalve de ingewijde", wat maar "geestelijke Inteelt" in de hand werkte. (11-10-'85). Die - met zijn gevoel voor taal! - ook even zegt dat "de kerken hebben gebloeid, toen ze geen beste bijbelvertaling hadden". (27-9). Hij heeft het over paniekzaaiende dominees die verwijderd moesten worden van een ziekenzaal. En dan bijvoorbeeld ook dat fijnzinnige verhaaltje over ,de begrafenis van een zwakzinnige man. (8-11-'85) Nooit wist je tevoren of je zelf buiten schot zou blijven. Of dat misschien op dingen en visies die jezelf dierbaar waren' zou worden gemikt. Dat ze aangewezen zouden 'worden als kwesties van traditie, en méér nietGoede en 'gefundeerde traditie moest blijven; de rest konden we maar beter snel verwijderen.

Hoe was hij? Mijn typering: Bewogen, goed geïnformeerd, speels met taal en met ideeën, onvoorspelbaar in de goede zin des woords. De meest gelezen scribent van ons blad; daarvan ben ik overtuigd. Een man die vele jaren lang uit een schier , onuitputtelijke voorraad verhalen kon putten. Met een oog voor anekdotes. Met een, oog voor de grote lijnen. Een man die "understatements" schreef. Die omstreden dingen kon zeggen zonder omstreden te raken. Die tot aandacht prikkelde in plaats van aanstoot gaf. Ook een man die vond dat, als je je verbindt tot het schrijven van stukjes, je daarmee door moet gaan. Zolang het kan. En ook al word je zelf overmand door pijn, weemoed, verdriet om een naderend einde, je toch moet doorgaan. Want dat andere is tussen jou en je God. Niet een zaak voor anderen. Kenmerkend acht ik het volgende: In een stukje over een predikant die bij geestelijk en lichamelijk gehandicapten betrokken is schrijft hij: "die persoon ben ik zelf, maar dat heeft er verder niets mee te maken" (8-11-'85). Wat er toe deed was de boodschap, de waarheid der Schriften, de omgang met de Here. En nu is hij niet meer. Niet bij ons tenminste. Hij heeft meegemaakt "de zwarte uren." In het stukje "Nacht" (7-3-'86) schrijft hij het volgende. Laat het een leven kenmerken van een christen, aangevochten, maar vol hoop. De jubel mag niet ontbreken: de Heer is waarlijk opgestaan!

Nacht
De zwarte uren, dat is in de Bijbel de nacht. Ps. 91 spreekt van de verschrikking van de nacht en in de nacht spookt de pest rond. Inde nacht slaan de dieven hun slag en de demonen. De nacht is de tijd voor de werken der duisternis. Daarom werden, 'tot voor korte tijd, in het Midden-Oosten de deuren stevig vergrendeld als de nacht inviel en een 'gezin in die streken zou nooit in het donker gaan slapen. Het was de taak van de vrouw des huizes om ervoor te zorgen, dat de lamp 's nachts niet uitging. (Spr. 31:18).... Je kunt een warm plekje vinden en het licht aandoen, zonder dat je iemand hindert.

Veel van de verschrikkingen, de verlatenheid of zelfs het gevoel van verlorenheid is daardoor weggenomen. Wat mijzelf betreft, onze goede God heeft mij wel helemaal verwend.
Ik kijk uitop de Nieuwe Waterweg, de ingang van de grootste haven van de wereld. De gehele nacht door varen de grote schepen voorbij en ik ben dus bevoorrecht boven hen die in een stille slaapstraat wonen. Dat neemt niet weg, dat ook ik nog huiver ken voor de nacht, de lange nacht tot de dag van Jezus' wederkomst en daarom schrijf ik dit stukje. Misschien heeft iemand er wat aan, die de verschrikkingen van,de nacht' kent. Ik moet nogal eens denken aan een vers van Willem de Mérode: Ik heb Hem heel den dag gewacht / En tot mijn pooplend hart gezeid: / Verdubbel uwe lijdzaamheid / Hij komt wel vóór de nacht.

Dat vers wijst heen naar de Emmaüsgangers en het herinnert jezelf aan gebeurtenissen, waarin je bevreesd was voor de nacht. Ik was b.v. nog maar een dag of twee op Borneo, toen ik met een transport bouwmaterialen vast kwam te zitten; Later zou me dat niet hebben kunnen schelen, maar toen dacht ik: Straks alleen in het oerwoud, in de nacht. Maar tegen elven zag ik door de bomen heen de olielampen van hen die me kwamen halen. Zo denk ik ook nu meer dan eens: Hij komt wel vóór de nacht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief