Een groot kind van God

1986-06-20
  • Jaargang 30
  • nummer 25
Op Pinksterzondag is overleden prof. dl' K. J. Popma, oud-hoogleraar in de' reformatorische wijsbegeerte en zeer vruchtbaar schrijver. Zijn bekendste en grootste werk is geworden Levensbeschouwing, 7 delen opmerkingen naar aanleiding van de Heidelbergse Catechismus. Het bericht van overlijden typeerde het einde van zijn leven als "moe gestreden"; Popma's geschreven werk is een blijvend getuigenis 'van zijn strijd. Een' aantal aspecten daaruit wil ik in dit artikel naar voren halen, omdat zij hun betekenis nog niet verloren hebben. Ik probeer daarbij Popma zoveel mogelijk zelf aan het woord te laten.

Tegen de zonde
Popma had een scherp besef van de zondigheid van de mens. Hij kwam haar op veel gebieden tegen, ook, denk ik, bij zichzelf. De strijd ertegen zag hij als een opdracht die mogelijk was door het geloof dat we van de zonde zijn vrij gemaakt. Die vrijheid is voorwaarde voor de strijd. "In Romeinen 8 gaat het ook over die vrijheid. We weten niet precies waar die vrijheid' ligt en hoe breed en diep ze reikt; maar we kunnen weten wanneer ze wordt 'licht geacht en miskend. Het geloof in eigen menselijke adel, hetzij in persoonlijke of' in nationaal-culturele uitwerking, is een zaak van onvrijheid. De radicale foutheid van zichzelf zien kan het eeuwenoud judaïstisch beginsel niet." Wij gereformeerden" kunnen het ook niet': we zijn immers gereformeerd! Dus zijn we van "grote zonden vrij"! In werkelijkheid zijn we dat niet. De "zondige aard waarmee ik al mijn leven lang te strijden heb" (antw. 56) is niet een dood 'kapitaal, want we hebben ertegen te strijden; ze is meer dan geaardheid of geneigdheid, ze is ook toestand, scheef gegroeid zijn, ze komt in daden uit, soms nog tijdens de stervensure zelf. Gereformeerden, Rooms-katholieken en Hervormden zijn geneigd te zeggen: Zijn wij dan soms óók blind? Die neiging is nooit zonder daad, keuze, beslissing. Onze geestelijke nederlagen zijn geen natuurrampen die ons treffen, ze zijn blijken van collaboratie met de boze, daarin is de onvrijheid, de geest van dienstbaarheid tot vrees, de opstand.

Wie het eeuwig leven aangrijpt, kan moeilijk retorisch worden over zijn zondigheid. Wij maken de schuld dagelijks meer, en dat is een onverkorte feitelijkheid. "De wet des Geestes des levens heeft ons vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods", Rom. 8 : 2 ... (Levensbesch. lIl, , p. 30-31).

Vrij als een kind
Strijd tegen de zonde was voor Popma strijd voor vrijheid. Vrijheid betekende worden als een kind. Dat typeerde Popma in meer dan een opzicht. Het was een trek in zijn optreden en omgaan met mensen. Het typeerde zijn stijl van filosoferen. De wortels ervan lagen in zijn opvatting van mens-zijn.
"Wij worden Christen om mens te kunnen worden, en we zouden "worden als de kinderen" een oproep tot onverminkte menselijkheid kunnen' noemen, ware het niet dat met name in de geschiedenis van het .wijsgerig nadenken het voorrecht om mens te mogen zijn grondig vervalst was tot een bijzonderheid van bijzondere mensen, een elite die meer bijzonder lijkt dan menselijk ... Het is een verbazende eer, mens te mogen zijn; en tegelijk is het niets bijzonders, en met name de in zonde gevallen mens is niet veel bijzonders ...
"Als we de werken van God gaan werken, die daden die Hij terecht en 'rechtens van om, verwacht omdat Hij Zelf ons daartoe in de ruimte heeft gezet, dan zijn dat kinderlijke werken, argeloze ondernemingen, en daden van onmogelijkheid bij de mensen en alleen mogelijk bij God,en zo menselijk dat het bijna te mal is. Zo mal en zo menselijk is een onderneming voor reformatorische wijsbegeerte, philosophari in Christo, en de Heiland waarschuwt ook ten .aanzien van deze onderneming: als geu niet bekeert en wordt als de kinderen, dan zal het héél zeker niet lukken. En als we 'ons wel bekeren door te worden als de kinderen, dan zal het wèl lukken." (Het leven beschouwd, p. 28-29). In deze overtuiging heeft Popma geprobeerd te filosoferen.
Als vanzelf kwam het accent te liggen op het getuigenis. Popma maakte een onderscheid tussen levensbeschouwing, wereldbeschouwing en wijsbegeerte.
Tegelijk benadrukte hij dat in de wijsbegeerte alle drie altijd aanwezig zijn. Zelf voelde hij zich het beste thuis in de levensbeschouwing, door hem gekenmerkt als getuigenis. Het maakt zijn werk leesbaar voor een grote kring.

Tegen deze achtergrond moeten Popma's scherpe oordelen over de filosofie worden verstaan.
Een voorbeeld daarvan is de volgende uitspraak, waarin hij een vraagstelling in de filosofie confronteert met de bijbelse leer van de rechtvaardiging door het geloof: "In de historie van het wijsgerig nadenken neemt de vraag "wat moet ik doen?" een zeer belangrijke plaats in; ze is b.v. centraal in het kantianisme en neonkantianisme, in het pragmatisme en in de existentiefilosofieên. Deze vraag wil zeggen: Wat moet ik doen om mijzelf het leven te geven? paardoor brengt deze vraag in dienstbaarheid, want ik kan mijzelf het leven niet geven." (Levensbesch, m, p. 29). Tegelijk was Popma diep doordrongen van het altijd gemengde ook van de nietchristelijke cultuur, waarom een scherp oordeel nooit het enige kon zijn.
Ter illustratie daarvan geef ik twee uitspraken door, een over de zogenaamde geesteswetenschappen en een over het heidendom: " ... in elke tegenover het Evangelie zich 'handhavende geesteswetenschap is veel te vinden, dat mensen niet hadden kunnen bedenken; het is niet ten dele licht, ten dele duisternis, of ten dele mensenwaan en ten dele wijsheid van boven: het demonische van zulke vrijmacht willende 'wetenschap ligt juist in de 'onscheidbare verbinding' van' Goddelijke roeping en de wijze waarop die 'roeping eigenwillig werd toegeëigend." (Levensbesch. III, p. 13).
" ...in het heidendom... is geen vrijheid: daar zijn de eigen gekozen wegen en de ijdele dingen. Daar worden óók de harten vervuld met spijs en vrolijkheid; en dit is nog maar een zwakke aanduiding, want geheel het heidens cultuurleven is als cultuurleven heerlijkheid. Dat is het ontkerstende cultuurleven ook. Het boek Openbaring spreekt dan ook, van de heerlijkheid der volkeren" (p, 26).

Scherpe kritiek
De inzet voor vrijheid en menselijkheid vormt de achter grond waartegen Popma's soms zeer scherpe kritiek moet worden verstaan. Overal waar hij de vrijheid en de menselijkheid bedreigd zag voelde hij zich geroepen om te spreken. Daarbij nam hij niet altijd die grenzen van wat als behoorlijk wordt ervaren in acht. Misschien' had hij ook daarin iets van een' kind. Ongetwijfeld heeft hij fouten gemaakt. Zijn strijd voor de' menselijkheid van de mens of, met andere woorden, voor de christelijke vrijheid blijft van betekenis. De fronten waaraan hij vocht zijn nog volop actueel. Ik noem er een paar..
De theologie: Popma keerde zich fel tegen de opvatting dat er een wetenschap van God mogelijk zou zijn, echter niet minder tegen de gedachte dat de wetenschap het geloof in de greep 'zou kunnen' krijgen.
Overal waar hij theologen pogingen zag doen te heersen over het. geloof van de gemeente in plaats .van haar, te dienen en overal waar hij kerkelijke machtspolitiek, de vrijheid en mondigheid van de gemeente zag beknotten of negeren, probeerde hij die pogingen als zodanig aan de kaak te stellen.
Filosofie en wetenschap: Popma zag de menselijkheid van de' mens bedreigd door de verwetenschappelijking van de cultuur. Tegenover de pretenties van de wetenschap kwam hij op voor de naïeve kenwijze als de ruimte waarin de mens alleen voluit mens kan zijn. Verbonden hiermee was de strijd tegen wat hij noemde het fabrihsme in de cultuur: de gedachte dat alles maakbaar is in technische zin. Popma was niet tegel). de techniek, wel tegen de opvatting van de mens als 'homo faber'.
Psychologia en psychotherapie: niet de hulp van deskundigen bij psychische stoornissen, maar de mentaliteit waarin de grenzen 'van deze hulpverlening uit het oog zijn verloren was het doelwit van Popma's aanvallen.
De menselijkheid van de mens gaat teloor, wanneer gedacht wordt dart de kern ervan door psychische hulpverlening kan worden genezen.

De Geest van Pinksteren
Popma is overleden op het Pinksterfeest. Zijn strijd voor de menselijkheid heeft alles met Pinksteren te maken. De menselijkheid waarvoor hij streed zag hij als het werk van de Heilige Geest: "Menselijke vrijheid is de genezing van onze menselijkheid door de gezondmakende werking van Gods Geest" (Levensbesch. IIl, p. 19). "De bevrijding van de mens is alleen mogelijk door' het werk van Gods Geest. Die hem zijn menselijke waardigheid hergeeft en hem los maakt uit banden, die zijn humaniteit beklemmen" (22).
Popma zag dit bevrijdende werk van de Geest zo breed als het menselijk leven zelf. In een prachtige passage uit zijn opmerkingen bij Zondag 20 geeft hij die breedheid aan. Met dit citaat wil ik mijn klein monument tot dankbare gedachtenis voor professor Popma besluiten: "Men zou antwoord 53 van eenzijdigheid kunnen beschuldigen: dat Gods Geest broedde op de wateren, naar het geheimzinnig woord van Genesis 1: 2, daarop zinspeelt dit antwoord niet eens. Dat is jammer, omdat zo aanleiding gegeven wordt voor het verwijt, dat de H.C. wel zeer "eenzijdig 'soteriologisch" te werk zou gaan: hij zou alleen aandacht hebben voor de sootèria, het behoud van het leven, dat ook opstanding uit onze dood wordt genoemd en zaligheid .. Dit verwijt is evenwel niet billijk, want in de woorden "Christus en al zijn weldaden" ligt heel wat meer besloten dan de redding van de ziel: zelfs zijn ze, wel verstaan, een waarschuwing tegen de belangstelling voor het eigen ik en eigen heil, omdat tot die weldaden b.v. ook behoort, dat we rustig, als Koningskinderen, bekijken wat er gezegd en geschreven is over de waardigheid van de mens en zijn geestescultuur, en niet versagen als we ontdekken' dat ons onderzoek telkens opnieuw grondige herziening behoeft.
Zelfs moeten we er enige nadruk op leggen, dat de uitdrukking "eenzijdig soteriologisch" naast andere gebreken (o.a. dat een
…logie inzake het heil niet eens mogelijk is), ook een innerlijke tegenstrijdigheid bevat: als het gaat om 't heil, de sootèria, het levensbehoud, de opstanding uit onze dood, dan gaat het om àlles wat de mens raakt in zijn aanzijn en geschiedenis, niets uitgezonderd. Dan gaat het ook om zijn beschouwelijk nadenken, om zijn "stilstaan bij" het verloop van zijn taalleven en bij zijn moeizaam streven om in het staatkundige alle macht aan recht te onderwerpen, en bij de wonderlijke vorming waardoor hij in dichterlijkheid op het aanschouwde en verbeelde accenten legt, die eraan herinneren dat het paradijs niet alleen verloren paradijs kan zijn. De inhoud van deze sootèria sluit alle eenzijdigheid uit. Als wij van een ziekte genezen, als we na zwakheid weer krachten krijgen, als we 's morgens fris wakker worden, als we opeens een doorzicht krijgen in een onderzoek dat eerst zoveel moeite gaf, als we de ontroerende jongheid van onze kleine kinderen opmerken en gewaar worden dat ze bij het groter worden ondanks al hun verwarring en gedeeltelijke onrijpheid toenemen in wijsheid, dan behoort dat alles bij de weldaden van Christus, die Hij' ons geeft door Zijn Geest.” (p. 15).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief