Wat zingen wij in de kerk?

1987-12-18
  • Jaargang 31
  • nummer 48
HET LIED VAN DE MENSENZOON
Naar Filippenzen 2:5-11

1. Wij zingen, Vader, U ter eer, van Christus Jezus, onze Heer.
Hij werd een dienstknecht, arm als wij: dat zijn gezindheid in ons zij.
2. Hij heeft wat Hij bij U bezat niet boven alles liefgehad, maar zich van majesteit ontdaan: Hij deed het kleed van slaven aan.
3. Hij werd een mens, in needrigheid, en, levend uit gehoorzaamheid, heeft HÜ zich aan U toevertrouwd: tot in de hof, tot aan het hout.
4. Daarom heeft God zijn knecht die leed met alle macht en eer bekleed: zijn hoge naam, die Here luidt, gaat boven alle namen uit.
5. Dat God zijn offer heeft aanvaard wordt in het einde openbaar, als elke tong van Hem getuigt en elke knie voor Hem zich buigt.
6. als alle vlees de Vader roemt en Jezus Christus Here noemt.
Leer ons de weg die Christus ging: de weg van zelfverloochening.

Joop Klein Melodie: Nun jauchzt dem Herren, alle Welt (Liedboek 101)

Èlke keer als er een lied of gedicht ter publikatie in Opbouw wordt aangeboden, zit ik met de vraag: Welke maatstaven moeten we aanleggen? Is de inhoud het voornaamste? Of is de vormgeving minstens zo belangrijk? En ik denk ook wel eens: de schrijver heeft zijn best gedaan, is het niet erg sneu als we zijn werk niet opnemen? Ik moet eerlijk bekennen dat ik vaak het goede antwoord niet weet. En wat zingen we in de kerk? Hoe beoordelen we berijmingen van psalmen of andere Bijbelgedeelten?
Om u iets te laten proeven van de moeilijkheden ga ik vandaag uit van een lied dat hierboven is afgedrukt en dat ons is toegezonden door de schrijver J. Klein. Het is een bijdrage voor de Proefbundel Berijmde Schriftgedeelten voor de Chr. Geref. Kerken, vandaar ook de vraag: wat zingen we in de kerk?
Het lied heeft betrekking op Filippenzen 2:5-11. Laten we de Bijbel er maar naast leggen. Nummer 97 van het Liedboek (door Barnard) hoort bij hetzelfde Bijbelgedeelte en bij vergelijking valt op dat Klein veel nauwer aansluit bij de Bijbeltekst dan Barnard. Dat is een belangrijk pluspunt. Maar ook Klein heeft zich bepaalde vrijheden veroorloofd.
Paulus richt zich tot de gemeente, maar in dit lied neemt de gemeente zijn woorden over. Wat bij Paulus een vermaning, een aansporing is, wordt nu een gebed. Ik heb daar geen enkel bezwaar tegen, in tegendeel, ik noem het alleen volledigheidshalve. Het woord roof uit Fil. 2:6 is in dit lied zó verwerkt dat daardoor de betekenis duidelijker wordt, zie ook de vertaling in Groot Nieuws. Wèl heb ik bezwaar tegen de invoeging van “in het einde" (strofe 5) want zó heeft Paulus het niet gezegd en ik denk dat het ook niet zo bedoeld is: de erkenning dat Jezus Heer is, het getuigen van Hem, dat moet nu al gebeuren, dat kan niet wachten tot het einde.
Dan nu iets over de vormgeving, Is dit lied goed te zingen, past het bij de melodie?
Iemand wees me erop dat de vijfde noot van de eerste regel een verhoging is en dat daardoor lettergrepen beklemtoond worden waar het niet past. Dat is natuurlijk niet mooi, maar het komt wel meer bij liederen en psalmen voor.
De woordkeus is beslist niet geslaagd; er zit iets tweeslachtigs, iets tegenstrijdigs in. Aan de ene kant is er het streven naar eenvoud en naar eigentijds taalgebruik.
De eerste drie regels doen fris aan, ze zijn simpel, het tegendeel van hoogdravend. Bij het woordje 'deed' in strofe 2 klinkt zelfs een wat kinderlijke toon door. Maar aan de andere kant is er een zekere strakheid, doet het lied stijf aan; dat komt vooral door het gebruik van verouderde woorden. Ik noem de aanvoegende wijs 'zij' in strofe 1 die de gedachte aan rijmdwang oproept.
Zie ook 'luidt' en 'getuigt'. En waarom niet 'iedereen' in pláats van 'elke tong'? Hoort "alle vlees" zo langzamerhand niet tot de Tale Kanaäns die in een eigentijds lied niet meer past? "Zijn knecht. die leed" is maar een zwakke weerklank van "de lijdende knecht des Heren".
Na de derde strofe komt er ineens een overgang: eerst wordt gesproken tot God, daarna óver God. Dat werkt storend, het verbreekt de gedachtengang en bovendien sluit het gebed aan het slot nu niet aan bij wat eraan voorafgaat.
Die overgang is ook helemaal niet nodig, zonder veel moeite kan het spreken tot God worden voortgezet door het invullen van U.
Een goede berijming maken lijkt me een ontzaglijke toer. Ik zou het niet kunnen, geloof ik. Toch meen ik dat bij het kiezen van liederen voor de gemeentezang naar meer kwaliteit gezocht moet worden dan in dit lied aanwezig is. Het is te stijf, te strak, nergens zit eens een aardige verrassende vondst. De woordkeus is uitgesproken zwak. Daar staat tegenover dat de Bijbeltekst gevolgd is op een manier die waardering verdient.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief