Eenmaal is genoeg

1986-06-27
  • Jaargang 30
  • nummer 26
Over Maarten 't Hart schreef ik al enkele malen in dit blad 1). Niet om hem te recenseren, eerder om onze lezers met enig commentaar te dienen. Waarom niet recenseren? Omdat het me niet gevraagd is. Waarom wel commentaar? Omdat me dit niet geweigerd is.

Vandaag een derde maal over deze schrijver; en wel naar aanleiding van een boek dat al 2 jaar geleden uitkwam, diverse malen werd herdrukt, al vele malen gerecenseerd' naar ik verneem, maar' dat toch nog steeds prikkelt tot enkele opmerkingen.

Iemand schreef eens dat hij vergelijkingen kon trekken tussen 't Hart en mij - en ik zie daar iets waars in. Beiden zijn wij uit een doodsorthodox gereformeerd milieu geboren, beiden hebben we door lezing van de Schrift een metamorfose ondergaan: zijn uit de al te nauwe 'gereformeerde" huid gekropen, kwamen in de kou van de Schriftkritiek te staan, werden in de afgrond geworpen die daar ligt tussen gereformeerde leer en gereformeerd leven, zagen dat zelfs de besten onder ons slechts een beginsel van
levensvernieuwing hadden gekregen, bemerkten met ontzetting dat ook in kerken die zich "ware kerk" noemden en lof noemen afgrijselijke zonden en schijnheiligheid gecultiveerd worden, en kwamen door dit alles in een zeer persoonlijke geloofscrisis terecht. Bovendien (om wat te noemen) kregen wij beiden oog voor Gods schone schepping en oor voor Gods schone muziek.

Daarmee houdt geloof ik de vergelijkbaarheid op. Want een mens is niet het product van zijn opvoeding - al zit' die opvoeding wel in het persoonlijkheidsproduct ingebakken maar zodra een verstandig mens de fouten van zijn opvoeding herkent en inventariseert kan hij zich desgewenst van die fouten losmaken. Dan kan hij de fouten van zijn ouders, .van zijn familie en van zijn omgeving, met een lach en een traan vergelijken met zijn eigen fouten; en daarmee overgaan tot de orde van Gods nieuwe dag. Maar als hij - pienter genoeg om andermans onvolkomenheden te herkennen, maar niet willig genoeg om ze te vergeven - op die stommiteiten - in het gereformeerde christendom blijft afgeven; tot vervelens toe ze in zijn boeken blijft opsommen; er de draak mee blijft steken; de grapjes over Gods grondpersoneel mede tot God de Here zelf uitstrekt; vanwege de onbetrouwbaarheid van christenen de betrouwbaarheid
van Christus in twijfel trekt; ja zelfs tot openlijke blasfemie overgaat dan valt de grote schrijver Maarten 't Hart terug tot een ondeugend jongetje, dat een pak voor zijn broek meer nodig heeft dan een littratuurprijs of andere onderscheiding.

Zijn boek is een soort autobiografie, een verhaal over zijn jeugd, voor zover die jeugd zijn persoon vormde. Vooral het laatste hoofdstuk "De man Gods uit Juda" tekent alle misère, die hij in zijn kerkelijk (maar ongezond) klimaat heeft opgesnoven. In feite culmineert dit hoofdstuk in de conclusie: wanneer zelfs. een geroepen profeet zo maar in ongenade kan vallen, door een leeuw verscheurd worden en roemloos ondergaan, wat heeft een gewoon mens dan nog eigenlijk aan goeds te wachten van een grillige en almachtige God!
U ziet wel, het gaat hier over de man Gods uit 1 Koningen 13, die vanuit Juda (het tweestammenrijk) naar het afgedwaalde tienstammenrijk gestuurd werd, met een uitdrukkelijke instructie: Gods boodschap aan koning Jerobeam overbrengen en naar huis teruggaan zonder verdere complimenten.
De man Gods heeft zich wèl tot complimenten laten overhalen en werd daarvoor zonder uitstel gestraft met de tijdelijke dood. Voor wie de Bijbel goed leest is hier geen sprake van willekeur, maar duidelijk aanwijsbare en grove zonde, die de missie in haar uitvoering in gevaar bracht, en derhalve zo duidelijk gestraft werd,dat de boodschap toch tot alle betrokkenen doordrong. Terwijl de dode man Gods hiermee niet uit de Bijbel verdween"), De schrijver schijnt de zonde van de man Gods uit Juda niet te hebben gezien, en hangt nu· heel zijn uitverkiezing en verwerpingspsychose op aan dit beeld: je kunt door God geroepen zijn tot zijn bijzondere dienst, maar op een kwade dag in ongenade vallen omdat je nu eenmaal niet in het boek des levens staat. Zo is hem vroeger 'verteld, en zo geeft hij het onverdroten via de Arbeiderspers door aan talloze lezers. Een droevige boodschap, die niet door het aanroepen van de Dordtse Leerregels in een evangelie kan worden veranderd; een beeld van God de Here als vaneen wispelturige heidense godheid, die naar zijn luimen dood en leven verleent. En zelfs in het Evangelie schijnt de schrijver te zijn ontgaan de kern van des Heilands leer: "zo is het de wil van uw hemelse Vader niet, dat een van deze kleinen verloren gaat" 3). Tegen zulk een pertinente uitspraak kunnen alle menselijke belijdenisgeschriften samen niet op.

Deze maal valt de litteraire kwaliteit van de schrijver minder te prijzen dan in voorgaande boeken. Er is zelfs een ontstellende slordigheid aanwijsbaar, waarover ik niet te veel wil uitweiden. Een term als "ik zeg altijd maar" hoort in de keuken thuis, niet in literatuur. Het tot drie maal toe verminken van de naam der Christelijke Gereformeerde Kerken (door het weglaten van een uitgang is het eerste bijvoeglijk naamwoord tot en bijwoord gedegradeerd); het noemen van ds H. Hasper als ds. Haspers; het spelen met zeven varianten op de naam Gods, alsof hem de spellingsregel onbekend is, dat eigennamen niet gewijzigd, behoren te worden; en alsof hem onbekend is dat de naam HEERE sedert 1571 een eigennaam in onze taal is geweest; het verwarren van de naam van onze Heiland met die van zijn Vader; het noemen van Paulus als een "zeldzaam loeder" en van de Heer Christus als "een nogal opschepperige man", zijn meer dan genoeg materiaal voor de vraag: heeft de schrijver dit boek wel met toewijding en blijdschap ter wereld gebracht?

Maarten 't Hart woonde te Maassluis "op een steenworp afstand" van Kuyper's geboortehuis; te Leiden op een steenworp afstand van Schilder's onderduikadres. De schrijver rekent met steenworpen. Dat brengt hem in de klas van de oudtestamentische Simeï. Toen David moest vluchten voor de revolutie van zijn zoon Absalom 4) werd hij lastig gevallen door ene Simeï, die familielid was van de vorige koning Saul. Vanuit een veilige hoogte en boven de wind smeet deze Simeï stof en stenen naar het kleine gezelschap, en vloekte David; verweet hem zelfs het bloed van Saul's huis, waar David toch part noch deel aan had gehad. Zo hinderde hij de gezalfde Gods en beledigde de God van deze gezalfde. Niet in het voorbijgaan, maar...hij trok een eind met David mee! Zijn soldaten 'wilden wel dadelijk met deze vloeker afrekenen, maar David was grootmoedig genoeg om te antwoorden: het is de Here zelf, die mij deze beproeving oplegt.

Simeï was een zoon van Benjamin, een kind van Gods verbond. Maar hij leek wel een vuile jakhals, want toen David korte tijd later als koning terugkwam was hij een der eersten die voor zijn leven kwam smeken. David heeft hem het leven geschonken; zijn zoon Salomo heeft later met grote wijsheid de straf toegepast, die Simeï wettig verdiende 5). Aan deze Simeï moeten we denken, wanneer een kind van Gods verbond andere kinderen Gods met stof en stenen en scheldwoorden hindert . Ik wil Maarten 't Hart niet schelden; er is helaas al te veel waar in wat hij zegt over Gods grondpersoneel, al zijn ook vele beschuldigingen bepaald onwaar. Ondanks Simeï's leugen over het bloed van Saul troffen zijn stenen wel doel. Ondanks 't Hart's laster over een karikatuur christendom zijn z'n grove grappen soms helaas wel raak.
Maar ook Maarten 't Hart is een verbondskind; door God de Here in diens bodemloze liefde uitgekozen en met de doop begiftigd. Reeds een maand na zijn geboorte heeft deze God zijn heilige naam en Maarten's naam in één adem genoemd. Daarmee is een afspraak, een overeenkomst, een verbond gemaakt, dat niet eenzijdig kan worden verbroken: God zal zijn waarheid nimmer krenken! Afgedacht van grapjes over een Kuyperiaanse vroegdoop, en lijfelijk geweld van koud doopwater aan babies. wast al het water der zee de druppels doopwater van Maarten's voorhoofd niet af. En misschien is dat wel de oorzaak dat Maarten de kerk niet loslaat, al zegt hij het te willen. In al wat hij schrijft blijft de echo van Gods woord doorklinken.
Hij blijft met de kerk meetrekken, zoals Simeï met David bleef meetrekken 6). Dat geeft een christen moed. Maarten leeft nog in "het heden der genade", zoals zijn vaderen zeiden. Zijn roer kan nog zes maal om. Eenmaal is genoeg.

Noten
1) 28-11-'80 en 18-5-'84
2) 2 Kon. 23 : 17, 18
3) Matth. 18 : 14
4) 2 Sam. 16 : 5
5) 1 Kon, 2 : 38, 46
6) het beeld is van C. Rijnsdorp.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief