De verstokte farao

1988-11-25
  • Jaargang 32
  • nummer 44
Tijdens Mozes' laatste onderhoud met de farao (10: 24vv) komt de zaak waar de HERE aan werkt in de hoogste versnelling.
Hoewel er taalkundig weinig verschil is tussen de aanhef van 10: 12, 10 : 21, 11 : 1 en 11 : 9 is het wel terecht dat onze vertaling 11 : 1-3 tussen gedachtenstrepen zet. En de aanhef van vs 1 weergeeft in de voltooid verleden tijd.
Schrijfkunst en lay-out waren in die dagen nog niet zodanig dat men de mogelijkheid had een informatie 'weg te schrijven' of onder te brengen in een voetnoot.
Het is duidelijk dat de 'voetnoot' van 11 : 1-3 moet dienen ter verklaring van het schrikbarend dreigement dat Mozes tijdens dit onderhoud namens de HERE uitspreekt. De HERE had het sein zelf gegeven!
Zo kan Mozes het dreigement van de farao, 10: 28, oppakken en omkeren tot onheilsaankondiging namens-de HERE.
Spitsuur wordt het, deze nacht. De scheiding die God aanbrengt tussen Zijn volk en Egypte, krijgt nu een veel diepere dimensie: Israël krijgt het leven, Egypte de dood. Echter, de HERE maakt duidelijk dat het leven dat Hij Israël schenkt, allesbehalve 'vanzelfsprekend' te achten is. Daarom voor deze oordeelsnacht de uitgebreide instructie over het pascha. Gods aanwijzingen aan Mozes vinden we 12: 1-13, voor de latere gedachtenis daaraan in vss 14-20. Beide door Mozes verder doorgegeven blijkens resp.
vss 21-23 en vss 24-28.
Pèsach In Gods opdracht gaat het erom dat het afscheidsmaal van Egypte maaltijd voor de uitreis wordt. Gegeten op de valreep, vs 11.
Een zaak dus van vertrouwen op de HERE! Menselijkerwijs wees niets op een spoedig vertrek! Dit afscheidsmaal wordt door God gemaakt tot offermaal, in ieder huis (voor) te bereiden. Vandaar de heel preciese bepalingen over het eten en met name over het offerlam vss 5-10.
Het gaat dan met name om dat (deel van dat) offer dat door de HERE wordt bevolen en ter beschikking gesteld om te dienen als dekking voor de Israëlieten. (Zie hierbij Abrahams offer Gen. 22 : 8 en vooral vs. 14: Israëls verwonderde gezegde dat God zorgt voor het lam ten brandoffer!).
De vraag moet immers rijzen: zijn die Israëlieten zoveel beter dan de Egyptenaren?
Hoe ziet God toch kans om in deze nacht van verschrikking Israël te sparen en te ontzien? Antwoord: doordat Hijzèlf aan hen het leven van lammeren ter beschikking stelt.
Levens die - in de vorm van het bloed van die dieren - door Israël in de meest letterlijke zin gebruikt moeten worden als dekkingsmiddel, vrijgeleide in het gericht. Een pascha voor de HERE: door God verschafte 'permit' om vrijuit te gaan. En - wonder van het sacrament! - middel dat mag en moet worden gebruikt en gehanteerd door mènsen, opgeheven om de verderver te doen voorbijgaan!
Dit wonder van Gods sparend voorbijgaan moet wonder blijven. In het gedenkoffer later, elkjaar weer. In de onuitwisbare tegenstelling: dat God de huizen van de Israëlieten voorbij ging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde!
Gedenken is in de Bijbel het tegenwoordig maken en houden van Gods daden in het verleden, als bepalende factor voor nu. God zorgt er zelf voor dat Zijn 'ontzien' van Israël onvergetelijk wordt. De dag wordt - behalve start voor het nieuwe jaar - een onontkoombare gedenk- en vier-dag. De volksvertegenwoordigers van Israël zijn zich ervan bewust geweest, dat de HERE hen op een geweldige manier niet maar bevrijdde uit Egypteland, maar allereerst de dans liet ontspringen van Zijn oordeel. Zij knielen en buigen zich neer, 27. Hier liggen aanvangen van het besef van Zijn onverdiende genade dat God aan Zijn volk leert!
In Israëls gedenk-feest ligt sterke nadruk op het ongezuurde van hun brood. Terwijl vs 34 even de indruk kan wekken dat er alleen vanwege het overhaaste van hun vertrek sprake is van ongezuurd brood, blijkt in vss 14-20 en 13 : 6-10 dat er toch meer aan de hand moet zijn. Net als de bittere kruiden doet dit brood denken aan de wanhoop waar de HERE hen uit redde.
Het dient daarom als teken van versobering en ootmoed. Misschien is ook hetzelfde motief in het spel als in de wet op de reine en onreine dieren, Lev. 11 en Deut 14. Indie zin dat alles wat met 'gisting' te maken heeft associaties oproept met dood en bederf, en daarom gemeden moet worden.

Van de HEER van dood en leven...
Eindelijk komt de fatale, tegelijk zalige nacht! D.m.v. een doods- en gerichtsengel houdt de HERE huis in Egypte. Er is geen 'natuurlijke' verklaring voor het sterven dat uitsluitend alle eerstgeborenen treft. Wèl moeten we bij eerstgeborenen denken aan 'de eerstelingen van hun kracht', dus 'de bloem van de natie'. Dit slaat zo'n ongelooflijke jammer in Egypte los, dat paniek uitbreekt. De farao is nu tot alles bereid als Israël alsjeblieft
maar gáát! De Egyptenaren hebben er alles voor over om 'af te komen' van dat ongeluks-volk van die grote God, vss 32, 33.
Daarom moeten de Israëlieten tóch nog overhaast vertrekken! En wel met buit beladen, 35. Gods voorzegging van 3 : 21 v, herhaald in 11 : 2v (en toen nog te mooi om waar te zijn) gaat tot de laatste letter in vervulling.

Paaswake
We vonden al iets 'wederkerigs' in het bloed ter ontkoming dat God Israël bood en gebood. Dat zij op hun beurt moesten aannemen en opheffen als een pascha voor de HERE, 12 : 11, - en later blijven vieren als een gedenkoffer voor de HERE, 12: 27. Datzelfde valt ook op in vs.
42 : de HERE was wakker over Israël om hen uit Egypte te leiden. Hun viering en erkenning van die genade bestaat in hun paas-wake ter ere van Hem!

Gods sparen: bepalend voor alle denken en doen
Uit het slot van hoofdstuk 12 blijkt dat het deelhebben in Gods genade bestemd is voor - kort gezegd - 'al Gods bondgenoten'. Niet :voor wie tot Gods heil een niet meer dan oppervlakkige betrekking heeft.
In de wijding van de eerstgeborenen aan Hem (begin hoofdstuk 13) wil de HERE zijn blijvende rechten op Zijn volk erkend zien. Ook hier weer de nadruk op de betrokkenheid van het komend geslacht in de eenmaal ontvangen verlossing. Heel persoonlijk, vs. 8! Het wonder van Gods redding moet denken en doen bepalen, vs 9 en 16. Vgl. de echo hiervan in Israëls Hallel, Ps. 118, vooral vs. 24.
'Het vrije (of: bevrijde) volk' is een aantrekkelijke titel voor mensen. Ze kán echter éigen roem betekenen. De naam 'het gespaarde volk' is toch rijker.
Omdat hij onmiskenbaar vol is van de roem in de HERE alleen. Het ongezuurde brood smaakt naar de vrije genade van God, het heerlijkste dat op deze geteisterde wereld ooit werd en wordt uitgedeeld!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief