Geloofszekerheid

1988-11-25
  • Jaargang 32
  • nummer 44
In 1903 schreef H. Bavinck een boekje over het onderwerp "De zekerheid des geloofs".
Hij zegt dat die vandaag meer dan ooit is aangevochten.
"Het naïeve kinderlijke eenvoudige geloof is... schier ten enenmale verdwenen.
Twijfelzucht is de zielsziekte van onze eeuw geworden en sleept een reeks van zedelijke ellenden mee." (blz. 8) "In brede kring is er niet anders meer dan een aanmerken van de dingen, die men ziet een vergoeding van de stof, een dienst van den Mammon, eene verheerlijking van de macht. Hoe gering is tegenover dezen het aantal van hen wien nog met volkomen zekerheid en blijmoedige geestdrift een vast getuigenis des gelooft van de lippen vloeit?" (blz. 9).
"Twijfelzucht is de zielsziekte van onze eeuw geworden IJ, schrijft Bavinck in 1903 - en dat is wel een bijzonder woord voor een man die nog geheel een 'tbegin van die eeuw stond.

Want inderdaad als er een ding steeds weer in de kerk - en buiten de kerk de kop opsteekt dan is dat existentiële twijfel en methodische twijfel - en praktische twijfel - zó erg en zo alles ondermijnend datje je kan afvragen of er wel zoiets bestaat als zekerheid!
Hoe dan ook: vandaag richten wij ons op die vragen - wat die zekerheid van het geloof is! - Hoe je die krijgt - en waartoe ze leidt.
H. Bavinck zegt: die zekerheid van het geloof is naar haar diepste aard: rust en vrede. Hij begint zelfs ietsje filosofischer, hij zegt: "zekerheid is het volkomen rusten van de geest in een object van kennis. Onze wil rust volkomen in het goede, ons gevoel in het schone. Zo komt ons verstand, onze geest alleen tot rust in het ware, dat is, dieper doorgedacht, alleen in God die de waarheid zelve is." (blz. 22) "Zekerheid", zegt hij, "is de normale natuurlijke gesteldheid van onze geest, gelijk de gezondheid dat is van het lichaam.
Daarom is het zoeken naar waarheid reeds schoon en een kostelijke gave, maar veel schoner en rijker is het haar te vinden, haar te genieten en in haar licht te wandelen. Twijfel daarentegen is nooit de ware toestand, maar abnormaal en aan eene krankheid gelijk.
Wie twijfelt is als een baar der zee, maar wie gelooft staat als een rots!" (blz. 23).
Dit zegt H. Bavinck alles nog heel in het algemeen.
Dit geldt immers voor de zekerheid die je krijgt door waarneming - de zekerheid die je hebt door intuïtie - en de zekerheid die je je verwerft door het denken.
Naast al deze soorten van vooral in de wetenschap uitgewerkte zekerheid bestaat er ook nog een andere zekerheid, nl. de zekerheid van het geloof. Haar waarde moge zeer uiteenlopend worden geschat, haar bestaan is boven alle twijfel verheven! (blz. 23) Die zekerheid van het geloof valt nu op haar beurt ook nog weer te verdelen in de zekerheid die alle hogere godsdienst gemeen hebben.
Zij is verworteld in de kwestbaarheid, de schuld, de onmacht en het totaal uitziehtsloze van het menselijk bestaan.
Zeker de wetenschapper en haar uitvindingen dwingen bewondering af, maar wat baat het een mens tenslotte in de ure der smart en in het aangezicht van de dood? Om getroost te leven en zalig te sterven hebben wij behoefte aan zekerheid aangaande de dingen die boven, die onzienlijk, die eeuwig zijn.
Wij moeten weten wie en wat wij zijn en waar wij heen gaan! Wij behoeven er zekerheid van dat onze persoonlijkheid méér is dan een golf inde oceaan, dat de zedelijke orde hoog boven de natuurlijke orde staat dat het hoogste en reinste ideaal onzer ziel geen hersenschim is maar waarachtige werkelijkheid. Wij moeten de weg kennen waarlangs wij van de beschuldigingen van ons geweten bevrijd worden en van de last van onze zonden: wij hebben nodig te weten dat God er is en dat Hij onze God is. (blz. 14)

Diepste behoefte
"Die godsdienstige zekerheid IS de diepste, zij het ook dikwerf onbewuste en onbegrepene behoefte der menselijke ziel". (blz. 14) H. Bavinck vervolgt: "daar heeft de mensheid in haar godsdiensten alle eeuwen door naar gezocht -want in elke godsdienst, ook de meest verbasterde gaat het om het hoogste en het heiligste dat de mensch kent, nl.eeuwig zefbehoud. Ze is in het christelijk geloof ons gegeven door de openbaring van God in Zijn Woord - het gewaad waarin Jezus Christus tot ons komt." (blz. 14-18)

Definitie
De zekerheid van het christelijk geloof is dan ook tenslotte deze dat ik het in leven en sterven "het eigendom van Christus ben" - het is "de onwankelbare overtuiging dat alle dingen ons zullen medewerken ten goede wijl God liefhebben en naar Zijn voornemen geroepen zijn. Het is de vaste zekerheid van de hope op het eeuwige(n) leven( s), het roemen in de verdrukking, het juichen in het aangezicht van de dood". Zo omschrijft Bavinck de zekerheid van het geloof voor ieder gelovig christen. (blz. 38) Ik stop nu even bij dit eerste punt en plaats daarbij direkt mijn opmerkingen.

Freud
1. Het moet ons opvallen dat Bavinck nog helemaal spreekt in een vóórfreudiaans levensgevoel. Dat blijkt uit de nog geheel ongedwongen wijze waarop hij de zekerheid van het geloof verbindt met de diepste behoefte van de menselijke ziel. Wij kunnen daar vandaag niet meer zo klakkeloos van uitgaan of bij aanknopen. Freud heeft het zwaarste geschut van zijn godsdienstkritiek juist op die behoefte gericht.
Volens hem bewijst die behoefte niet een bestaande zekerheid, maar een zich voortslepende ziekte of onvolgroeidheid van de ziel. Hij had daarmee een halve waarheid gezien en dus een hele leugen (voor geïnteresseerden verwijs ik hier naar "Beweging",jrg. 43, no. 3, nog bij l'Abri te verkrijgen).

Twee soorten zekerheid
2. Zeer verhelderend vind ik Bavinck's onderscheid tussen verschillende soorten van zekerheid. Aan de ene kant de zekerheid van de wetenschap en aan de andere kant de zekerheid van de godsdienst. Bavinck scheidt die nergens totaal ... alsof je maar beter in twee werelden kan gaan leven, in het laboratorium met de éne en in de kerk met de andere zekerheid.
Neen, zegt hij, zelfs de meest abstracte wetenschappelijke zekerheid is nog een zekerheid die gebouwd is op onbewezen vooronderstellingen of m.a.w. die gedragen wordt door geloof Bijvoorbeeld het geloof dat de waarneming door de zintuigen betrouwbaar is, dat er een objectieve wereld bestaat, geloof in de wetten van het denken ... dat zijn allemaal 'geloven'. Ook "geloven op gezag" is in de wereld voor de wetenschap onvermijdelijk - je kan zelf maar een.
heel klein deeltje van de wereld onderzoeken - dus ook in de wereld van de wetenschap is sprake van geloof op gezag, - waarbij je afgaat op de betrouwbaarheid van andere getuigen. Maar toch: de geloofszekerheid is een totaal ander soort zekerheid en dat komt niet omdat hier niet ook voor een deel sprake is van onderzoeken, nadenken, op de proef stellen en verifiëren - dáár ligt het verschil niet - neen, het grote verschil is dit, dat zij na zoeken en onderzoeken, zich geheel baseert niet op een menselijke ontdekking, een in deze wereld besloten waarheid, neen, zij is gebouwd op maar één basis en dat is: Deus dixit, d.i. de Heere zelf heeft het gezegd. Dat is haar grondslag en kracht -en welke menselijke autoriteit kan met die van de Almachtige vergeleken worden?
De zekerheid van het geloof is er een die buiten het menselijke en buiten de wereld gegrond is in het Woord van de Schepper! En op wiens Woord kan de mens met zijn verstand en hart in nood en dood voor tijd en eeuwigheid zich geruster en veiliger verlaten dan op het getuigenis van Hem, die de Waarheid zelf is? (blz. 30) Daartegenover zal geen wetenschapsman om de waarheid van zijn wetenschap zijn leven opofferen!
Hoe zeker hij ook van haar is - hij vindt ze het offer van zijn leven niet waard. "Zelfs Gallilei zwoer tot drie maal toe (ééns in 1616 en twee maal in 1633) zijn wetenschappelijke overtuiging over de waarheid van het Kopernicaanse stelsel af! Onder druk van de inquisitie. De vrees voor foltering was groter dan de liefde voor die wetenschap.
Maar met de geloofszekerheid is het gans anders gesteld. De gelovige acht niets te kostbaar voor zijn geloof en is bereid er de brandstapel voor op te gaan". (blz. 32, 33) U ziet zo onderscheidt Bavinck deze twee zekerheden.

Handtastelijk
Dit geeft ons al een heel belangrijke draad in handen om onze eigen vaak bestaande verwarring te boven te komen.
Ik denk dat er nl. in ieder christen van die momenten zijn waarop hij een zekerheid zoekt in het geloof, die even handtastelijk is en algemeen-geldig als in de wetenschap. 0, konden wij maar zó met het Evangelie de mensen tegemoet treden - dat er niemand ontsnappen kon en àllen het móèsten erkennen - net zo zeker als de stelling van Pythagoras, zó zeker is het bestaan van een liefdevol God! Bavinck zou daarover glimlachen ..
Hij zou zeggen:
1. maar die zekerheid is óókop geloof gebouwd!
2. zodra het op die manier zéker is, zouden wij dan niet hetzelfde doen als met de stelling van Pythagoras, nl. hem vergeten?!
3. hij zou ons ook kritisch aankijken en vragen: waar komt dat verlangen uit voort? Wil je God even zeker inje bezit - inje begrip hebben als een scheikundige: H10. Is dat niet ver bovenje macht?
Een overmoed? Een bezitsdrang? - die de kéérzijde is van je onvermogen om met hart kontakt te maken, de keerzijde van je zonde dus?

Weten en vertrouwen
Wat ik het meest verhelderend vind is om dit onderscheid door te denken met een opstapje. Kijk - de aard van de zekerheid van de stelling van Pythagoras is algemene geldigheid en daarom hoge zekerheid - maar ook een zekerheid met maar een klein bereik. Ik heb er niet veel voor over om ze vast te houden. De relatie waarin ze een rol speelt is die tussen mij en de dingen.
Maar neem nu een zekerheid die een stap hoger stijgt: Hoe word ik zeker in mijn relatie tot medemensen. Daar kan ik zelf niet buiten schot blijven - ik moet mijzelf open stellen - en kom niet verder als de ander zich niet voor mij openstelt...
Hier is mijn zekerheid er een die minder proefondervindelijk is vast te stellenhet is een levende zaak van groei - van soms teleurstelling en daarmee als alles goed is weer hersteld vertrouwen.
De aard van die zekerheid is niet het wiskundige bewijs - maar het medemenselijke vertrouwen.
Die zekerheid is er één waar ik mijzelf voor moet inzetten, die heel diep gaaten niet altijd in mijn bezit is. Voor haar heb ik wel veelover.

Als wij van hieruit overstappen naar het hoogste wat er is, helpt ons dit tussenstation om de aard van de geloofszekerheid vast te stellen: de aard van de geloofszekerheid is er één van vertrouwen in een relatie - in het verlengde van die aardse zekerheid, bijv. tussen vader en dochter - maar daarvan tegelijk weer onderscheiden, omdat hier sprake is van het grote wonder van God, eenzijdige souvereine daad van zelf-ontsluiting.
Het is niet zo'n vanzelfsprekende relatie als tussen vader en dochter - ze is veel minder vanzelfsprekend, veel minder als het vanzelfsprekend is dat ik een levende relatie heb met de Koningin of de President van Amerika. Nog groter is het wonder van God die zich aan mij bekend maakt, mij aanspreekt-Zijn hand op mij legt en mij tot Zijn zoon of dochter aanneemt.
Toch blijft voor die relatie de aard van de zekerheid niet zozeer te vergelijken met de wiskundige zekerheid van de stelling van Pythagoras als wel met de vertrouwenszekerheid tussen twee personen.

Geschiedenis
In het 2e deel van zijn boek geeft Bavinck een historisch overzicht: hoe is het met de zekerheid des geloofs gesteld geweest door de eeuwen heen. In de inleiding heeft hij al gezegd: zij heeft de zwaarste slag toegediend gekregen door de geest van de revolutie die van 1795 geen enkel gezag meer wil erkennen en nu heel bewust het menselijk subject voorop zet.
Ni Dieu ni Maitre. Geen God geen heer. De mens zelf moet zich zelf absoluut zekere kennis verwerven zonder gezag en door kritisch denken! Door de overschatting van wat de mens door zijn wetenschap kàn, is geheilige zekerheid afgebroken en zijn er ook (dat moet erbij gezegd) veel heilige huisjes gesneuveld, maar is - dat vindt Bavinck het ergst - ook het gezag van de Schrift ernstig gaan wankelen. Zie hier de hoofdoorzaak van de huidige krisis in de geloofszekerheid. Toch, zegt Bavinck, heeft die krisis zich wel vaker voorgedaan. Zoals m.n. direkt na de Reformatie. Luther en Calvijn leerden ons te roemen in Christus alleen.
Solo Christo Solo Verbo.
De mens behoeft slechts te rusten in Hem door geloof in het Woord.
Dàt is het enige wat zekerheid geeft.
Na de Reformatie is dat al weer snel een leer geworden, een rechtzinnige leer, die men beleed. I.p.v. het geloof te belijden ging men (in de orthodoxie) de belijdenis geloven, (blz. 45) Ja, en dan komt de diskussie op gang: of de zekerheid nu ligt in het verstand - door bewijzen (de scholastiek die weer opkomt) of dat het ligt in het gevoel (het Piëtisme) "es ist so, denn mein Herz sagtmirdas" zei Von Zinzendorf - of de zekerheid is gelegen in de wilsbeslissing (zo zei het Methodisme).
Kom naar voren en kies voor Christus en de basis van heilszekerheid is gelegd.

Langs welke weg?
Eigenlijk zijn wij vandaag nog maar nauwelijks uit deze spanningsvelden weggegroeid. Tot vandaag toe kiezen mensen voor één van die drie wegen: het verstand-, of het gevoel of de wilsbeslissing - maar het eigenlijke kan hier nog steeds niet gemist worden en dat is de basis van de heilszekerheid in God Zichzelf openbarende Woord dat ons in Christus aanspreekt in het hart - om vandaaruit beslag te gaan leggen op heel het leven. Daarmee heb ik het derde en.laatste punt van Bavinck's boekje al aangegeven, nl. hoe komen wij dan wel tot die geloofszekerheid? Wat Bavinck daarover zegt lijkt zeer klassiek, nl. die zekerheid krijgen wij alleen uit Gods Zelfopenbaring, door de werking van de Geest, in Zijn Woord. Alleen de manier waarop Bavinck dit beschreven heeft op blz. 90-95 is onnavolgbaar.
"N aarmate de Christen opwast groeit hij te vaster in het Woord in, leert hij het beter kennen en waarderen. Met dezelfde daad van het geloof omhelst hij Christus wiens beeld alleen zuiver in de Schrift hem voor ogen geschilderd wordt en de Schrift die van dien Christus getuigt. Daarom is het geloof ook niet de grond die de waarheid draagt, noch de bron, waaruit de kennis hem toevloeit maar het orgaan der ziel waardoor hij de objectieve in zich-zelf rustende waarheid erkent, de emmer waarmee hij uit de fontein van Gods Woord het levende water schept.

Ook zeker van zichzelve
"Maar aan deze zekerheid der waarheid heeft de Christen niet genoeg, hij heeft daarbij ook behoefte aan zekerheid des heiis. Dan eerst komt hij tot rust en roemt hij in de vrijheid van de kinderen Gods als zijn geloof niet alleen zeker is van het voorwerp maar ook zeker is van zichzelve. Deze beide soorten van zekerheid zijn echter, schoon onderscheiden, niet van elkaar gescheiden".
Het toevluchtsnemend geloof, zegt Bavinck later, gaat altijd gepaard met een terugkomend vertrouwen nl.
dat ik het ben die een kind van God mag zijn door Christus mijn Heer. Deze persoonlijke zekerheid is geen erna komend ingestort gevoel, maar een direct meekomend nevenverschijnsel van mijn herstelde verhouding tot God "Het geloof dat waarlijk die naam verdient" brengt zijn eigen zekerheid mee". De Geest van God getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn.

Vrucht i.p.v. wortel
Tot slot: de fout van de bevindelijkheid is dit dat deze als wortel van het geloof werd gezien i.p.v. als vrucht. Mensen gingen naar binnen kijken en bleven zo naar-binnengekeerde christenen. Daar tegenover geldt van een echt hersteld vertrouwen op de Here dat ze ziet op Hem en uitloopt in de toewijding aan de wereld. In het geloof is de christen mede-erfgenaam van Christus die niet rust voor heel de wereld weer onder Gods heerschappij is. Daarvoor zal een christen zich dan ook gaan inzetten.
(blz. 105) Ik eindig hier mijn samenvatting van Bavinck's boekje. Het is opnieuw uitgegeven in het Engels onder de titel The certainty of faith, Pardera Press Canada.

Lezing gehouden in februari 1987 in l' Abri.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief