Preken voor de gemeente van Christus (1)
1986-01-03
In de gesprekken tussen de Christelijke Gereformeerden en ons komt telkens 'de prediking' aan de orde, zowel plaatselijk als landelijk.- Jaargang 30
- nummer 1
Dat kan ook niet anders, want als het gesprek daar niet over gaat, gaat het nergens over. Nu wordt er binnen de Christelijke Gereformeerde kerken ook over de prediking gediscussieerd, vaak met een schuin oog' naar onze kerken. In het jaarverslag 1985 verwees ds Van den Brink al naar de aanzet van die discussie, de bundel 'Bezinning op de prediking', die door de Calvijnkring werd uitgegeven.
Later verscheen een antwoord hierop door de heer T.
Bouterse, uitleg geven door de CG kerk te Haamstede. Op de eerste brochure reageerde ds B. van Smeeden in het Haagse Kerkblad, op de tweede brochure kwam weer een reactie van ds J. Slagboom in 'Bewaar het Pand'. Op de predikantenkring in Breukelen bespraken we een en ander, waarbij ik onderstaande inleiding hield.
Klachten over preken
Een nadeel van de brochure van de Calvijnkring is dat de klachten vrij vaag zijn. Je leest dingen als: "het is een algemene klacht geworden over de preken in onze kerken", je leest over: "er is gevaar van vervlakking" en vooral "er is het gevaar dat onze kerk van binnenuit uitgehold zal worden door de prediking".
Men mist de harte klop van de belijdenis in de preken, men mist het bevindelijk element en op een gegeven moment wordt heel kort gezegd "wat wij willen is schriftuurlijk-confessioneel-bevindelijke prediking".
Het is duidelijk dat de brochure ingaat tegen verschillende tendenzen binnen de Christelijke Gereformeerde kerken allereerst, maar dat het tegelijk ook tegen de Nederlands Gereformeerde prediking in zijn geheel is gericht.
Dat proef je tussendoor, en zeker in de artikelen van ds Slagboom, die zich een medestander betoont van de Calvijnkring.
Hij schrijft bijvoorbeeld: "Men heeft het wel geweten dat juist de plaats van wederbarende genade in de prediking van de Nederlands Gereformeerde kerken vragen oproept. In feite omdat de preken, meditaties en artikelen van deze zijde daar niet of nagenoeg niet over spreken.
Zo wordt het door menigeen uit onze kerken die deze leest ervaren en ik moet eerlijk zeggen dat ik zakelijk weinig of niets in de Nederlands Gereformeerde preken hoor van war er staat in de Dordtse Leerregels III/IV, van des mensens verdorvenheid en bekering tot God en te manier van deze".
Gemeentebeschouwing
In de brochure zelf worden de Nederlands Gereformeerde kerken maar één keer met name genoemd en dat is bij de gemeentebeschouwing.
Omdat wij als Nederlands Gereformeerden hierover spreken wil ik hiermee beginnen.
Het gaat in de brochure over de vraag: "Wat is de gemeente, hoe moet je de gemeente beschouwen?"
Daarvan wordt gezegd dat de gemeente allereerst een verbondsgemeente is. Dit wordt getypeerd als een gemeente van mensen die door de doop onderscheiden zijn van de wereld (NGB 34). Het wordt ook
genoemd een gemeente van mensen die verkeren op het erf van het verbond. Het is duidelijk dat dit een afstandelijke manier van zeggen is. Het zijn mensen die een voorrecht hebben, maar zij zijn niet in liet huis van het verbond, zij zijn op het erf daarvan.
Het is principieel zo dat de mensen in de gemeente geacht worden buitenstaander te zijn tot er iets met ze gebeurt. Je zou moeten zeggen: gemeente zijn, dat is een mogelijkheid, je kunt naar God toe, je kunt bidden, je hebt dat vermogen in je. Dit staat elders zo geformuleerd: "De bondeling heeft een recht in het Woord des Verbonds ontvangen om te bidden om de levendmakende Geest". Maar, wordt er dan gezegd: "dit alles mag niet leiden tot de gedachte dat in de gemeente alleen gelovigen zijn en dat de ondertoon zou wezen nu moet men alleen nog maar groeien in het geloof".
Daartegenover wordt gesteld: je moet aandacht hebben voor het onderscheid van historisch geloof tegenover het ware zaligmakende geloof.
En onder verwijzing naar het doopsformulier wordt een synodale uitspraak aangehaald: "er worde uitgegaan van ons van nature midden in de dood liggen in een verbroken werkverbond.
Dat moet typerend blijven voor de gemeentebeschouwing".
De heer Bouterse gaat hierop in en we kunnen met instemming lezen wat hij daarvan zegt. Hij geeft op twee niveaus antwoord aan de Calvijnkring.
Eerst geeft hij externe kritiek, nl. vanuit een heel ander gezichtspunt.
Hij zegt in zijn brochure: als je het hebt over "de gemeente beschouwen als gelovigen", Paulus doet het ook zo.
Denk maar aan dé aanhef van de brieven: "Aan de heiligen van Christus Jezus die in Corinthe zijn, de geroepen heiligen met allen die allerwegen de naam.
des Heren aanroepen". En Bouterse zegt: niet dat er geen onbekeerden zijn in de gemeente, maar als je dat in je gemeentebeschouwing opneemt, dan krijgen ze als het ware een legitieme plaats. Je kunt niet zeggen:
omdat er gelovigen en ongelovigen zijn, moet je de gemeente aanspreken als een gemengde verzameling. Hij gebruikt het voorbeeld van een bank waar iedere keer ook vals geld opduikt, maar "stel je voor dat die bankdirecteur dan zou zeggen: wat ik in mijn kluis heb is een verzameling van echt en vals geld, zo zeg je dat niet". In die kluis ligt geld. Als daaronder vals geld is, heeft het daar geen legitieme plaats. Zeer terecht noemt hij in dat verband ook art. 27 van de NBG: dat de gemeente "een heilige vergadering is van de waarlijk gelovige Christenen".
Dat is wat ik zou noemen externe kritiek vanuit een heel ander gezichtspunt.
Ten tweede geeft Bouterse ook interne kritiek. Hij gaat in op de deugdelijkheid van de aangevoerde argumenten. Zo gaat hij in op de term "mensen die verkeren op het erf van het verbond".
De Calvijnkring beschouwt dat als de luitwerking van de term "onderscheiden van de wereld" (art. 34 NBG). Men vat dit dus op alsof het alleen maar betekent: je hoort niet meer bij de wereld. Maar artikel 34 spreekt juist over "afgescheiden van de wereld om geheel aan Hem toe te behoren.
Er is dus geen ruimte voor neutraliteit.
Tot zover over de brochure en het antwoord van de heer Bouterse.
Denksysteem
Ik zou er nog dit aan willen toevoegen.
Ik heb de indruk dat de oorzaak van de discussie over gemeentebeschouwing er in zit dat de Calvijnkring en hun geestverwanten gevangen zitten, merkwaardig genoeg, in het Kuyperiaanse denksysteem. Dat is iets wat ze juist erg verfoeien, maar toch heb ik de indruk dat ze in dat denksysteem gevangen zitten. Dat blijkt alleen al uit het gebruik van het woord gemeentebeschouwing.
"Hoe beschouw je de gemeente? Waar houd je de gemeente voor?" Dat is toch eigenlijk dat "houden Voor" van Abraham Kuyper, zoals dat ook in de discussie over de veronderstelde wedergeboorte steeds speelde. Als je praat over 'de gemeentebeschouwing' dan kun je ook vragen: waar houd je de gemeente voor? De Calvijnkring houdt het er dan voor dat de gemeente een gemengde verzameling is, waar alles door elkaar zit. En vanuit hun redenering waarin ze gevangen zitten, kunnen ze niet anders dan denken dat wij, Nederlands Gereformeerden, het dus er voor houden dat alle mensen in de gemeente gelovig zijn. Dat wij daarvan uitgaan.
Voordat ik hier op in ga, signaleer ik eerst dat bij heel deze 'beschouwing' de Schrift volledig dicht gaat. Hoe de Schrift spreekt, dat wordt eenvoudig niet als argument geteld. Heel kras blijkt dat in het artikel van ds Slagboom. Hij verwijt Bouterse: "Hier wordt gesteld dat de prediking ervan uit moet gaan dat er in de gemeente alleen maar gelovigen, zijn en dat van dááruit de vermaning moet klinken.
Dit heb ik vanouds onder ons niet gehoord en ik meen tot de dag van vandaag dat dit onder ons niet thuishoort.”
Deze overzichtelijke argumentatie is zijn weerlegging in eerste instantie. Dan voegt hij er aan toe: "Nu zal de schrijver zeggen: we moeten niet spreken over, wat we vanouds gehoord hebben. We hebben niet de Heilige Schrift te maken. We moeten heel het ‘wapenarsenaal’ van onze dogmatische constructie overboord zetten.
Je zou verwachten dat ds Slagboom daarna alsnog een paar bijbelse argumenten noemt.
Maar niets daarvan. Hij zegt eenvoudig: "Ik ben blij; dat we in onze belijdenis wel schatten hebben, die voor de prediking een rijke betekenis hebben. En ik meen dat dit niet tégen Gods Woord spreekt, maar er mee in overeenstemming is."
Een zeer kras voorbeeld van hoe de schrift gesloten blijft als onze gemeente-“beschouwingen" de boventoon voeren. Hoewel ds Slagboom beseft dat in het Schriftberoep de clou zit, doet hij niet anders dan het goed recht van dogmatische constructies claimen.
Maar nu terug naar de hoofdlijn. De mensen achter de Calvijnkring blijven met hun gemeentebeschouwing binnen het schema van ‘te houden voor’, en dan is het volgens hen het een of het ander. Of je beschouwt de gemeente als een gemengde vergadering van bekeerden en onbekeerden (zoals zij zelf doen) of je beschouwt haar als een samenkomst van alleen maar gelovige mensen (wat wij dus doen).
Maar ik zou zeggen: dat dilemma is vals. Wij moeten ons daar niet in laten dringen. Wij moeten gelovig beamen wat de gemeente is naar de Schrift: de gemeente van geroepen heiligen.
En dat is oneindig veel meer dan dat ze op het erf van het verbond zijn, en slechts afgezonderd van de wereld. Heilig, dat is naar de Schrift immers: afgezonderd van de wereld èn bestemd voor God.
De Here spreekt ons in zijn Woord aan als in Christus geheiligd.
Daarmee legt Hij een claim op ons. Daarom sta je niet meer neutraal en daarom is er veel meer aan de hand dan dat gemeenteleden een recht hebben om te bidden. Ik vind dan ook dat juist die gemeentebeschouwing die hier voorgedragen wordt in de brochure van de Calvijnkring, een geweldige vervlakking is. Want dat is echt helemaal niet zo schokkend om nog onbekeerd te zijn, maar wel 'n recht te hebben om te bidden.
Het verbond is voor hen namelijk óf een zegen (als je er bent) óf een recht Om te bidden (als je er nog niet bent). Het is een zegen of nog niks. Maar in werkelijkheid is het verbond zegen en vloek. Wie in het verbond is en niet tot de Here komt die is veel erger dan wie buiten is. Ik heb dan ook de indruk dat ons spreken over het verbond steevast door deze Chr. Geref. mensen Kuyperiaans wordt geïnterpreteerd. Terwijl wij ons daarvan hebben vrijgemaakt, heel nuchter gezegd. Dat moet volgens mij in het oog gevat worden bij deze hele discussie.
(wordt vervolgd)