Herinneringen (2)

1986-01-10
  • Jaargang 30
  • nummer 2
Een trekje van de oude afgescheiden geest meende ik ook op te merken in een mening over de preek, die op deze manier geuit werd: het moet achter het vest komen." Zo' zei één van mijn ouderlingen het graag, en hij bedoelde: dan heb ik er pas wat aan gehad. Zielshistorische preken vielen doorgaans meer in de smaak dan heilshistorische.
Dat was voor een leerling van Schilder en Holwerda wel eens moeilijk: Later kom je toch wat los van je leermeesters en vind je je eigen weg. Van het begin af aan heb ik trouwens geprobeerd vooral de catechismuspreek pastoraai te doen zijn.

Een ander punt van de prediking, dat wel eens moeite gaf, was de lengte van de preek, of liever het gebrek aan lengte. Tegenwoordig zijn we aan een uurdienst gewend, maar dat was toen bepaald nog niet het kenmerk van een degelijke gereformeerde kerkdienst. Maar ik zag geen kans de preek te rekken na gezegd te hebben wat m.i. de tekst te zeggen had. Dat deed sommige kerkgangers wel eens klagen, dat ze amper te tijd kregen om uit te rusten, want ze moesten vanuit het naburige dorp Zandeweer ruim een half uur lopen om in de kerk te komen.
En koffiedrinken na de dienst was er toen nog niet bij!
Ik kon deze klagers helaas niet tegemoet komen. Later ging dat wat beter, toen ik de gemeenteleden wat, beter leerde kennen en kon ingaan op hun geestelijke behoeften.

Van elke gemeente, die je gediend hebt, blijven altijd sterke herinneringen aan de langdurig zieken. Met hen wordt de band vaak veel sterker dan met de gezonden. Ik denk aan de oude Antje van der Hoek, bij wie ik elke maandag de preek moest komen vertellen. De bandrecorder was nog niet uitgevonden.
Het was een goede test achteraf of je preek in eenvoudige woorden kort was samen te vatten. U hebt misschien het verhaal wel eens gehoord van de candidaat, die classicaal examen deed. Hij hield een preek, met ’n machtig mooie maar wat ingewikkelde indeling in drie punten. Bij de preekbespreking vroeg een examinator: wilt u de drie punten nog eens opnoemen? De candidaat wilde naar zijn preek grijpen om ze nog eens voor te lezen.
Neen, zei de dominee, dat moet u zeker uit uw hoofd kunnen zeggen. Als u die punten al niet meer weet, hoe zal de gemeente ze dan kunnen onthouden!
Heel bizonder zijn me bijgebleven de gesprekken aan het ziekbed van br. Moesker. Nog in de kracht van zijn leven sloopte t.b.c. langzaam maar zeker zijn lichaam. Ik zie hem nog voor mij, in het kleine zijkamertje naast de winkel. Hij had een drogisterij, die nu door zijn vrouw en zijn zoon gaande werd gehouden.
Toen hij eenmaal wist, dat hij niet meer beter zou worden, zei hij een keer: ik hoop zo, dominee, dat Geert nog op tijd de nodige vergunningen zal krijgen om de zaak op zijn naam te krijgen als ik er straks niet meer ben. - De HERE heeft die hoop vervuld en wat was hij blij!
Maar na verloop van tijd vroeg hij mij: zou God het mij kwalijk nemen, als ik nu nóg wat wens?
- Ik dacht van niet, en sindsdien bad hij nog de dag te mogen beleven, dat Geert met zijn Annie in het huwelijk zou treden.
En ziedaar, ook dat mocht hij nog beleven.
Toen ik hem daarna vroeg of nu al zijn wensen vervuld waren schoten de tranen hem in de ogen en hij fluisterde: ik zou nog zo graag mijn kleinkind willen zien. En in zijn goedheid schonk de HERE hem ook dat nog.
Toen was hij uitgevraagd. Moe maar, dankbaar beleed hij: De HEER is goed geweest voor mij.
En niet lang daarna ging hij heen in vrede. Zo'n gebedsomgang met God deed mij denken aan Abrahams niet ophoudende vragen aan de HERE.

Na vier jaren werd de eerste gemeente verwisseld voor de tweede.
Wat armer aan illusies, maar rijker aan ervaring en verrijkt met vrouwen kind verlieten we het Groninger Hogeland en trokken we naar de Friese Wouden.

Driesum-Wouterswoude
De Friese Wouden bieden wel een totaal andere aanblik dan het Groninger Hogeland. Hier geen uitgestrekte boerenbedrijven met statige boerderijen, halve herenhuizen soms, - maar kleine bedrijven, meest, vee, wat rommelige erven, maar gezellige mensen.
De friese taal leverde eerst wel wat moeilijkheden op, maar van de kinderen leerde je dat het best. De volwassenen meenden met een dominee hollands te moeten praten, vooral als het over "geestelijke dingen" ging.
Ze vonden hun fries daarvoor te alledaags. Ze lazen ook de hollandse bijbel: Wij in de pastorie behoorden tot de weinigen, die de friese bijbel gebruikten. Later is daar wel verandering in gekomen.

Het grootste verschil met Uithuizen was dat je hier veel meer met de mysiek in aanraking kwam. De hervormde kerken van Driesum en van Wouterswoude waren nl. zwaar gereformeerde bond, en dat zet toch wel een stempel op heel de streek.
Het was nog niet zo lang geleden, dat er in Wouterswoude een dominee stond, die zeer begaafd was, maar alcoholist was. Het gebeurde wel, dat hij laveloos langs de weg gevonden werd en op een kruiwagen naar de pastorie vervoerd werd. Toch bleef deze man zondag aan zondag preken en hij trok volle kerken, want wie kon zó uit ervaring preken over zonde en verdoemenis?
In die tijd waren er verschillende gevallen van zelfmoord ten gevolge van dit soort preken.
Mijn hervormde collega in Driesum liet soms zondags verstek gaan, omdat het "de Geest" niet had en dat werd door zijn gemeente bizonder vroom gevonden.
Toch had je nog vromer dan vroom, - in de zgn. gezelschappen.
Elke zomer kwam er steevast een "profetes" uit Huizen ons dorp bezoeken. Ik zie haar nog lopen met haar huizer kap op. Deze "moeder Israëls"
was, het centrum van een kring "gekenden des HEREN".

In eigen gemeente trof ik de mystiek meer indirect aan, nl. in gezinnen, waar één van de huwelijkspartners niet bij onze gemeente hoorde. Nooit zal ik vergeten de boerin, die met een broeder van onze gemeente getrouwd was. Ze was hervormd, maar ging nooit naar de kerk.
Toen ik haar daar eens over aansprak, gaf ze een heel typerend antwoord: dominee, als ik zondagsmorgens al die mensen voorbij zie lopen naar de kerk, dan zou ik er wel een koe voor over hebben, als ik wou. Ik probeerde haar wel duidelijk te maken, dat gehoorzaamheid beter is dan offerande, maar ze was er doof voor. Ze bleef zitten waar ze zat en verroerde zich niet. Ze wou wel willen, maar als het je nu eenmaal niet van hoven gegeven werd!
Een heel andere botsing had ik met een man, wiens vrouw bij ons hoorde. Bij het huisbezoek was ook hij aanwezig en hij had het hoogste woord. Op een gegeven ogenblik was ik zijn praatjes moe en wilde wel eens beginnen met datgene waar we voor gekomen waren. Maar toen ik mijn bijbel opende om wat voor te lezen werd hij woedend.
Wat gaat u doen, brieste hij.
- Iets uit de bijbel lezen. - BIJbel; bijbel.... u zegt het verkeerd, wat u daar in uw hand hebt is maar een bij-Bel. Hebt u de grote Bel wel eens gehoord? Heeft de Heilige Geest bij u wel eens de Bel geluid? Nou, bij mij wel. Een stem van boven, die mijn naam noemde en zei dat ik erbij hoor! Wat wilt u nu met uw bij-bel?

Je zit dan wel even verstomd, als je zoiets voor het eerst hoort.
Zijn vrouw zat er verslagen bij, vooral toen hij naar haar wees en zei: en zij, zij is nog een verdoemeling, er is nog niets met haar gebeurd!
Toen hij boos de kamer verliet hebben we geprobeerd haar met Gods beloften uit de bijbel te troosten. Was ook zij niet bij haar naam genoemd en geroepen toen ze gedoopt werd en was er juist met haar toch wel degelijk iets "gebeurd", toen de HERE haar opnam in het verbond van zijn genade?

Een heel andere figuur was Geert Kammerke. Dat laatste was zijn bijnaam, waarschijnlijk omdat hij op zijn eentje zo'n piepklein huisje bewoonde, met maar één vertrek, waar alles in gebeurde. Hoewel van dezelfde geest als de man van zoëven, was hij niet boosaardig. Geert was werkelijk een zoekende ziel, maar hij zocht verkeerd. Hij liep alle kerken in het dorp en in de omgeving af en kwam ook wel eens een praatje maken in de pastorie, de klompen op de stoep en op kousenvoeten in de kamer. Maar veel verder kwam je nooit met hem. Geert was wat je noemt een dorps type. De kwajongens hadden het vaak op hem gemunt.
Op een keer maakten ze het al te bar. Het zal omstreeks 5 december geweest zijn, dat ze op een avond stiekem op het lage dak van zijn huisje klommen.
En daar riep er één heel hard door de schoorsteen: Geert, Geert! En Geert, bij zijn kacheltje gezeten, dacht niet anders dan dat nu het grote uur voor hem was aangebroken. Hij liet zich op de knieën vallen en riep luide uit: Spreek HERE, uw knecht hoort! - Dat werd de jongens op het dak toch wat te erg, - ze maakten als een haas dat ze weg kwamen. Maar ze konden zo'n mooi verhaal natuurlijk niet voor zich houden!
Wat heerste daar toen nog veel geestelijke duisternis! Vlak tegenover ons woonde Tjits. Een ruwe volksvrouw, midden in dat orthodoxe dorp. De kerk zag ze alleen maar van buiten en ze kon vloeken als een ketter.
Maar op een nacht werd ik uit mijn bed gehaald. Of ik maar bij Tjits wou komen, want ze voelde zich doodziek en was doodsbenauwd.
Ze wist niet waar ze het zoeken moest. Toen heb ik haar de weg mogen wijzen naar Jezus toe.
En toen ze later toch weer opknapte en beter werd? Och, de angst was geweken en zo op het oog leek ze weer de oude Tjits.
Maar toen ik een poosje later afscheid nam van de gemeente zat Tjits vooraan in de kerk, vlak onder de preekstoel en ze huilde het hardst van allemaal!

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief