Goddelijke en/of inzettingen (2)
1988-12-09
Kun je van een inzetting die God heeft gegeven, bijvoorbeeld in zijn Woord, zeggen dat het behalve een goddelijke ook een menselijke inzetting is? Dat was de vraag waar we de vorige maal bij terecht kwamen, toen we het hadden over Kol. 2 : 22, waar Paulus van geboden uit de joodse traditie betreffende rein of onrein en heilig of onheilig zei dat het geboden en leringen van mensen waren. Wij willen wel aanvaarden dat hij daarmee de joodse traditie relativeert of zelfs kritiseert, maar we hebben er moeite mee als hij met die geboden en leringen ook letterlijk-mozaïsche voorschriften zou bedoelen, want daar heeft toch de Here God zelf achter gestaan en dan komt het woord 'menselijk' niet meer te pas. En zo zeggen we - ik verplaats me nu op het standpunt dat ds Waagmeester vertolkt - dat een inzetting Of goddelijk Of menselijk is. Maar allebei - dat lijkt ons ongerijmd.- Jaargang 32
- nummer 46
En dat is het ook als we met 'menselijk' het menselijk-al-te-menselijke of wel het gebrekkige en zondige bedoelen. Dat kan natuurlijk met het goddelijke niet samengaan. Want God is te rein van ogen dat Hij het kwade zou aanschouwen, zoals de profeet zegt (Hab. 1 : 13). Hij wil er niets mee te maken hebben.
Maar hoe staat het als we 'menselijk' opvatten als beperkt, voorlopig, tijdelijk?
Zou in die zin een samengaan van het goddelijke en het menselijke in één en hetzelfde gebod of voorschrift tot de onmogelijkheden behoren?
Ik denk van niet en ik kan dat nog bijbels bewijzen ook.
Paulus en Petrus
Daarvoor verlaten we een ogenblik de brief aan de Kolossenzen en gaan we naar twee teksten in het Nieuwe Testament die zich over het overheidsgezag uitspreken. Het ene is een woord van de apostel Paulus en het andere een uitspraak van de apostel Petrus. Wat Paulus zegt over het overheidsgezag vinden we in Romeinen 13 en is bekend genoeg. "Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan.
Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.
Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods ... " (Rom. 13 : 1 e.v.).
Hier is geen woord Frans bij: de overheid is een goddelijke inzetting. Maar Petrus heeft het, als hij over hetzelfde onderwerp schrijft, over menselijke instellingen. "Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders als door hem gezonden, tot bestraffmg van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen" (I Petrus 2: 13, 14).
Paulus en Petrus verschillen niet in hun eis dat aan het overheidsgezag gehoorzaamd moet worden. Beide vinden dat dat moet, en wel om des Heren wil. Volgens beide ontmoeten we dus God Zèlf in het overheidsgezag.
Waarom spreekt Petrus dan van menselijke instellingen? Er is natuurlijk geprobeerd om deze moeilijkheid, deze ongelijkheid, weg te masseren. 'Menselijke instellingen', zo zei men, bedoelt niets anders te zeggen dan dat het om instellingen gaat die voor het mensenleven gegeven zijn, om daar orde en regel in aan te brengen. Dus, die instellingen zijn van God (zie Paulus) en voorde mensen (zie Petrus). Maar hier hebben we weer met een van de vele gladstrijk-
pogingen te doen die onze bijbeluitleg zo vaak ontsieren. Want Petrus had natuurlijk voldoende taalmiddelen tot zijn beschikking om die gedachte van 'voor de mensen' duidelijk tot uitdrukking te brengen. Zo onbeholpen als hier, zo aanleiding gevend tot misverstand, hoefde het helemaal niet. 'Menselijke schepping', schrijft Petrus letterlijk, "onderwerpt u aan iedere menselijke schepping om des Heren wil". Er is geen misverstand mogelijk, hij bedoelt een schepping van mensen. En dat verschilt duidelijk van wat Paulus schrijft, want die heeft het over een 'instelling Gods'.
Konkrete invullingen
Maar moeten we dan kostateren dat Petrus en Paulus, twee kroon-getuigen in het Nieuwe Testament, op een zo aangelegen punt elkaar vierkant tegenspreken?
Dat is nogal wat! Van hieruit bezien begrijpen we de harmonisatie-poging van zoëven heel goed, al kunnen we haar niet bijvallen.
Maar dan springt ons opeens een opmerkelijk onderscheid tussen Paulus en Petrus in het oog. Als Petrus het over de overheid heeft dan komt hij met konkrete invullingen: de keizer, de stadhouders. Die ontbreken bij Paulus. Natuurlijk heeft ook die bij zijn formuleringen aan de keizer gedacht, maar hij gebruikt toch een afstandelijker bewoording: " .....er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld". Paulus kijkt over de toevallige invullingen van zijn tijd heen en zegt als het ware: als er ooit nog eens een andere ordening komt dan die van keizer en stadhouders, denk erom dat je dan ook dáárin te maken hebt .met een van God gegeven overheid die je te gehoorzamen hebt. Petrus daarentegen neemt in zijn oproep tot gehoorzaamheid meer de horizont van zijn eigen tijd en situatie in acht, te weten die van het romeinse overheidsapparaat.
Veranderbaar
Een kind kan inzien dat wat we hier vinden van niet te onderschatten belang is. Want dit kenmerkende verschil tussen Paulus en Petrus maakt het ons mogelijk te onderscheiden tussen het overheidsgezag in het algemeen en de voorbijgaande vormen waarin het gestalte aanneemt. Deze laatste, die tijdelijke gestaltes, zijn van menselijke makelij en dus veranderbaar . Een samenleving is gerechtigd om op een zeker moment de onbruikbaarheid van een bepaald overheidssysteem vast te stellen en tot afschaffing en vervanging over te gaan, zelfs tegen het verzet van het ancien régime in, wanneer dat de noodzakelijke veranderingen zit te traineren. Alleen, degenen die tot verandering overgaan moeten bedenken dat ze ook in de nieuw gekozen vorm weer...ja, met iets menselijks te maken hebben dat op z'n tijd ook weer afgeschaft zal worden, maar evenzeer met een door God ingesteld overheidsgezag, waaraan om 's Heren wil gehoorzaamheid verschuldigd is. De vernieuwing mag dus nooit op anarchie uitlopen. Zo kan een volk in de loop van de tijd tot een ver doorgevoerd demokratisch systeem van de-helft-plus-één komen en ook dan zal de eis tot onderwerping om 's Heren wil gelden -natuurlijk onder het voorbehoud van het 'Gode meer gehoorzaam dan mensen', maar dat geldt voor elk systeem. Wel, het is niet nodig op te merken dat dit alles aan ons geloof een prachtige souplesse verleent om in dit opzicht met de maatschappelijke ontwikkeling mee te groeien.
Konservatisme
Er moet bij de vraag naar het overheidsgezag dus goed onderscheiden worden tussen het goddelijke en het menselijke. Het is waar, zolang het menselijk in zijn menselijke beperktheid gezien wordt, zullen er zich geen moeilijkheden voordoen. Je zegt dan bijvoorbeeld: voor die tijd en die situatie was het koningschap het beste, enje kunt dan dat koningschap van toen en daar zowel voor een goddelijke als een menselijke instelling houden.
Maar wanneer aan het koningschap ten onrechte wordt vastgehouden, dan groeien het goddelijke en het menselijke erin uiteen en gaat het woord 'menselijk' zelfs een afkeurende klank krijgen: ouderwets, achterhaald, aftands. Het dan nog goddelijk te noemen gaat dan natuurlijk van geen kant meer. Dat zou zelfs blasfemisch kunnen zijn. We weten echter dat het goddelijke en het menselijke van bepaalde systemen wel zo vereenzelvigd zijn geworden, dat hoognodige vernieuwingen zijn tegengehouden omdat dat in zou gaan tegen de goddelijke instelling. Oerkonservatisme was daarvan zowel de oorzaak als het gevolg. We behoeven hier alleen maar te herinneren aan de zelfstandigwording van Indonesië.
Iemand als Professor Verkuyl was toen meer met de bovenbedoelde souplesse gezegend dan de meesten van ons.
Vreest God, eert de koning
Wij hadden vroeger op ons dorp een voorganger van de Gereformeerde Gemeente die als hij op koninginnedag vlagde, een driekleur uithing die op de witte baan een opdruk vertoonde: Vreest God, Eert Den Koning, naar I Petrus 2 : 17. Nu was dat een zeer gelovig en respektabel mens en ik zou hem om deze eigenaardigheid niet graag uitlachen of te kijk zetten.
Wat hij deed kon voor die tijd en situatie ook wel. Maar wanneer het koningschap in brede lagen van ons volk terecht een omstreden punt zou worden (wat ik voor nu niet zie, zeker niet!), dan zou dat niet meer kunnen.
Want deze tekst bevat geen argument voor het koningschap. Je kunt in de godvrezendheid die van alle tijden is, niet zomaar een historisch bepaald royalisme meesmokkelen. Dat is fundamentalistisch, je leest dan de Schrift niet langer historisch. Of je doet dat misschien nog wel tot op
zekere hoogte, dat je namelijk de bijbel
zelf als een rolprent aan je laat voorbijtrekken, maar het eindstadium ervan, het Nieuwe Testament, laatje van een film tot een foto verstijven.
Dat Nieuwe Testament zou dan in elk opzicht voor alle tijden blijvend geldig zijn. Begrijpelijk, deze beperking, omdat in het Nieuwe Testament ons het allerbelangrijkste van de bijbel wordt meegedeeld: de genade die in en om Christus wil verschenen is, en die is inderdaad voor altijd geldig. Begrijpelijk dus, maar toch niet juist. Je maakt dan met het historisch karakter van de Schrift te weinig ernst.
Het ouderlijk gezag
We zijn nu steeds in het politieke gebleven, maar we kunnen de zaak ook naar nog eenvoudiger proporties toesnijden: denk eens aan het ouderlijk gezag in plaats van dat der overheid.
Ook in het ouderlijke gezag hebben we te maken met een goddelijk en een menselijk element. Aan het voorschrift 'Om tien uur thuis!" kan van een kind op een bepaalde leeftijd gehoorzaamheid gevraagd worden - om des Heren wil. De menselijke huisregel is dan tegelijkertijd een goddelijk bevel. Maar er zijn situaties en ook andere leeftijden denkbaar dat een kind op die regel kan reageren met: maak het nou! Het menselijke dat er ook eerst al inzat, is dan menselijk-alte-
menselijk, om niet te zeggen bespottelijk geworden. En degene die bij het hanteren van die regel schermt met het goddelijke gezag, maakt zich schuldig aan het ijdel opheffen van de Naam. Ja, maar wie maakt dat nu uit: wanneer wel en wanneer niet? Een vaak aan mij gestelde vraag. Mijn antwoord is dat er een voortdurend gebed moet opgaan van alle heiligen om de verlichting van de Heilige Geest opdat er een wisselwerking mag komen tussen enerzijds de Heilige Schrift en anderzijds de menselijke wijsheid.
Daarom heeft de apostel het over het te proeven van de wil van God (Rom. 12: 2), het onderscheiden waarop het aankomt (Filip. 1: 10) en een trachten te verstaan wat de wil des Heren is (Ef. 5 : 17). Voorzichtige formuleringen zijn dat. En is het u wel eens opgevallen dat er in de lange Psalm 119 zo aanhoudend gebeden wordt bij de geboden? "HERE, leer mij Uw inzettingen!" Waarom leren?
Ze staan toch al in de bijbel?
Blijkbaar is dat niet voldoende.
De volgende keer D.V. gaan we verder.