Herinneringen van een gewezen Kamper student uit Hongarije
1988-12-09
Ik moet beginnen met mei 1937, toen de rector van de Geref. Theol. Hogeschool te Pápa mij als vierdejaars student bij zich riep en mij mededeelde dat de professorenraad besloten had mij voor verdere studie naar Baselof Kampen te sturen. Ik mocht zelfkiezen waar ik. heen wilde. Het was voor mij een moeilijke vraag. Ik worstelde lang met pro en contra. Eerst dacht ik liever aan Basel, immers van Nederlands kende ik geen woord, maar Duits - hoewel gebrekkig - verstond ik wel. Er kwam nog invloed van mijn strenge, jonge professor in de dogmatiek bij, wiens lieveling ik was. Hij had n.l. in Basel gestudeerd en volgde daar de colleges van Karl Barth, was dus een erge Barthiaan en wou mij behouden in zijn "zuivere" leer, die hij ons als studenten met veel ijver indruppelde. Niettegenstaande dit alles, na veel gebed en worsteling besloot ik eindelijk naar Kampen te gaan.- Jaargang 32
- nummer 46
Zeker de Here was het, Die mij tot dit besluit leidde, waar ik zeer dankbaar voor was in mijn hele leven.
Eindelijk kwam de grote dag in september 1937, dat ik in Papá naar het station ging om naar Nederland te vertrekken.
De eerder genoemde professor ging mee en op de hele weg, tot aan het station toe hield hij niet op mij te waarschuwen: "Meneer, u moet zeer oppassen, alles kritisch nemen, de Nederlandse gereformeerde leer is erg gevaarlijk, een versteende dode theologie, die het levende Woord niet kent; het leven is daar vol van wetticisme en farizeïsme".
Op het station van Kampen wachtten me de studenten op, ze waren bijzonder vriendelijk en begeleidden me naar het hospitium, Broederweg 15. Daar woonde ik twee jaren lang, genoot een volkomen verzorging. Bovendien ontving ik voor eventuele uitgaven 20 gulden uit het Hongaarse fonds, die ik elke keer persoonlijk heb moeten ontvangen uit de handen van ds Munnik te Zwolle, die de beheerder van het fonds was. Allereerst heb ik een dik Duits-Hollands en Hollands-Duits woordenboek aangeschaft en een in het Duits geschreven Hollandse grammatica, omdat ze toen nog niet in het Hongaars bestonden.
Mijn professoren waren: K. Schilder, S. Greijdenus, H. N. Ridderbos, K. Dijk en De Hartog.
Ik bezocht ijverig de colleges, maar begreep er voorlopig niets van. Na ca. 4 maanden begon ik toen eerst prof. Greijdanus te begrijpen. Hij sprak langzaam en zeer duidelijk, later Ridderbos, en langzaam aan ook de andere professoren.
K. Schilder kon ik in het eerste jaar niet volgen, hij sprak voor mij veel te vlug, zijn onderwerp was ook moeilijk, maar in het tweede jaar begreep ik ook hem goed. Hij oefende een heel scherpe kri- tiek op de dialectische theologie van Karl Barth en ik raakte volkomen onder zijn invloed, en wel, zozeer, dat ik, die als Barthiaan naar Nederland ging, als overtuigd Gereformeerd thuis kwam.
En ik bleef het niet alleen op de preekstoel, maar ook in het gewone leven. Dit is de grootste winst uit Nederland, waar ik zeer dankbaar voor ben.
Laat mij vervolgens enkele kleine belevenissen vertellen, die mij bijzonder getroffen hebben.
Ik wist wel van de vaste regels waar je je op zondag streng aan moest houden, dat het op deze dag verboden was te fietsen, te reizen, politieke kranten te lezen enz.
maar dat je b.v. wel een brief mocht schrijven. Op een zondagnamiddag maakte ik van deze vrijheid gebruik en schreef een brief aan mijn moeder.
Maar ik had geen postzegel, en wetend, dat de directrice van het hospitium postzegels in reserve had, ging ik naar haar kamer om een postzegel van twaalf en een halve cent, die ik wel kreeg, maar toen ik wilde betalen, zei ze terechtwijzend: "Wat denkt u, meneer Varga?! Ik ben geen heiden, op zondag neem ik geen geld in handen behalve het collectegeld in de kerk. U zult deze postzegel morgen betalen". "Maar mevrouw", zie ik, "laat u mij dit geld op uw tafel leggen, vandaag hoeft u het niet aan te raken, anders zou ik deze mijn schuld als een onverrichte zaak in mijn hoofd houden, het zou mijn zondagsrust storen".
Mijn bewijsvoering bleef tevergeefs.
Ze bedoelde het zeer ernstig. En ik heb het ook niet grappig opgenomen.
Ik begreep, dat haar doen en spreken niet exemplarisch moest worden opgevat, maar als een strenge oproep tot de heiliging van de dag des Heren. 0, als we eens met meer ernst aan het vierde gebod dachten!
Nog een andere dergelijke gebeurtenis herinner ik mij. Op een zondag wandelde ik met mijn Oekrainische vriend in de straten van Kampen. Zijn sigaretten waren op, hij kocht dus een doosje eigaretten uit de automaat. Enkele medestudenten zagen het en waren zo verontwaardigd, dat ze enkele dagen niet met hem praatten. Het is zeker nu anders geworden, maar toèn was het zo. Ik zeg hier hetzelfde als bij het bovengenoemde geval: Een zeer ernstig nemen van het vierde gebod.
En nu nog iets over de financiën. Een van mijn spiegenoten nodigde mij en nog 6 andere studenten uit voor een op zijn kamer te houden dispuutavond met de mededeling dat prof. K. Schilder ook aanwezig zou zijn. De avond begon om 8 uur, we waren allemaal bijeen, prof. Schilder kwam precies op tijd. We hadden diverse theologische problemen besproken.
Het dispuut was erg levendig en buitengewoon leerzaam, ik had er veel aan. Op de tafel stond een doosje fijne sigaren en prof. Schilder rookte de ene sigaar na de andere. Het was reeds één uur na middernacht toen we van el kaar afscheid namen. De volgende dag kwam mijn gastheer van gisteren bij mij met papier en potlood in zijn handen: "Pista"*), zei hij vriendelijk, "ook jij bent gisteravond in mijn kamer geweest, welnu, prof. Schilder rookte 5 sigaren op, dat kostte 4 gulden en 80 cent, daar waren we met ons achten, dat betekent 60 cent per hoofd, wil je het nu betalen?" Ik keek op, het leek me wat vreemd, ik was immers een uitgenodigde gast bij hem geweest en een gast betaalt niet. Toch heb ik de 60 cent uitbetaald zonder iets te zeggen. Hij zal zeker een zeer arme student zijn, dacht ik.
Niet hetzelfde, maar wel een dergelijk geval kwam ik tegen bij een welgestelde arts, die mij in de paasvacantie, toen het hospitium gesloten was, bij zich uitgenodigd had. Ik heb een fijne vacantie bij hem genoten, hij heeft me met zijn prachtige auto overal naar toegebracht om de diverse steden en streken te laten zien. Toen ik op de laatste avond naar bed ging, vond ik tot mijn verrassing onder de deken een enveloppe met een briefje en wat geld erbij. Eerst las ik het briefje: "Beste meneer Varga, u zult ter herinnering aan uw verblijf in Leiden voor dit geld het pas verschenen boek van Dr. Berkouwer: Het probleem der Schriftkritiek, bij Kok te Kampen kopen als een geschenk van mij. In de winkel kost het 8 gulden en 60 cent, ik geef u maar 5 gulden en 16 cent in de wetenschap dat u als Hongaar van uitgever J. H. Kok, 40% reductie krijgt".
Ik verbaasde mij over zulk een manier van schenken. Mijn gastheer had wel gelijk, de uitkomst was hetzelfde, ik heb het boek voor het ontvangen geld wel aangekocht en heb het nog altijd in mijn boekenkast, maar de manier waarop het zich afspeelde vond ik vreemd. Ik dacht aan een Hongaars spreekwoord, dat zegt, dat de beste zakenlieden in de wereld de Joden zijn, maar de zuinigste de Schotten, toen heb ik geleerd, dat de Nederlanders al de Joden en Schotten overtroffen. Niet-tegenstaande het waar is, is het tegengestelde ook waar. Het moet erkend worden, dat Nederland in milddadigheid de eerste in de wereld is.
Het is te bewonderen hoezeer de kerken de behoeftigen steunen, in de eerste plaats de medebroeders in het geloof, wat ik zelf heb mogen ondervinden.
Broeders en zusters brengen ons elk jaar de rijke gaven van de kerk van Overschie: kleren, schoenen, geld, etenswaren, waar we zeer dankbaar voor zijn. Ik weet niet hoe we zonder die steun zouden kunnen bestaan.
Wat mijn leven tegenwoordig betreft: Nadat ik in 1939 uit Nederland thuiskwam, werd ik eerst leraar Opvoedkunde aan het Geref. gymnasium te Csugó.
Daarna in 1943 predikant in een kleine dorpsgemeente te Mezócsokonya, waar ik zonder onderbreking tot 1984 stond. Toen ging ik met emeritaat en verhuisde ik naar Vecsés dichtbij Budapest.
Hier woon ik nu met mijn vrouw, die sinds jaren erg ziekelijk is, zij lijdt aan een ischemische hartziekte en wordt al maar zwakker. Ik ben nu al 76 jaar, beladen met de zwakheden van de ouderdom.
We leven moeilijk van de ene dag op de andere van het zeer weinig pensioengeld, aangewezen op de Here, hem ervoor danken in ons dagelijks gebed, dat Hij ons tot nu toe bewaard heeft.
*) Pista is de naam die in de omgang onder elkaar voor Istvàn gebruikt wordt.