Het "Bangui-project" (3)
1986-08-01
In het voorgaande stipte ik twee punten aan waarop wij gestuit zijn bij ons werkbezoek aan de theologische faculteit van Bangui.- Jaargang 30
- nummer 29
Het eerste punt betrof de foutloosheid van de Heilige Schrift. Dat leefde meer onder de staf en de studenten vervulden daarbij de rol van niet al te geïnteresseerde toeschouwers. Het andere ging over de contextualiteit van de theologie, dat wil zeggen over de vraag in hoeverre de theologie Afrikaans zou kunnen en mogen zijn. Daarvoor was de belangstelling onder de studenten veel groter. Ik wil nu bij beide vraagstukken een voorbeeld geven van hoe ik daar in het werk zelf mee te maken kreeg.
Dat was bij de lectuur van Genesis 22, het hoofdstuk van Abraham's offer. Ik behandelde dat hoofdstuk in verband met het thema dat ik aan de orde had gesteld, namelijk de exodus uit Egypte als onderdeel van de grotere beweging die Israël zou brengen bij het Immanuëlgeheimenis op de Sion. Het Oude Testament zelf verzet er zich tegen (zo is mijn opvatting) in twee traditie-ketens uiteen gescheurd te worden: 'die van de Uittocht en die van de Sion, zoals te vaak gebeurt. Die twee behoren samen. Dat zien we reeds in de geschiedenis van Abraham. Diens 'uittocht' uit Ur der Chaldeeën vindt haar bekroning in de reis naar het land Moria, de latere 'berg des HEREN' (Gen. 22: 14). De lijn die Genesis 12 naar het beloofde land trekt, wordt in Genesis 22 naar het geestelijke centrum van dat land doorgetrokken.
Het gééstelijke centrum, want de precieze locatie waar Abraham Isaäk geofferd heeft is later in het vergeetboek geraakt. In David's dagen ligt daar een dorsvloer overheen. Het hoofdstuk 2 Samuêl 24 beschrijft langs welke wonderlijke weg die plaats als toevallig maar in werkelijkheid op Gods eigen aanwijzing is teruggevonden en daarmee als bouwterrein voor de tempel is aangewezen (1 Kron. 22: 1 en 2 Kron. 3: 1).
Reeds Abraham dus maakte kennis met het uiteindelijke doel van Gods weg met hem en zijn nageslacht. Zoals Gezang 3 van het Liedboek zegt: "Uit Oer is hij getogen ten antwoord op een stem / die riep hem uit den hoge op naar Jeruzalem."
In dit verband nu stond ik stil bij vs 4 van het hoofdstuk: "Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg zag hij de plaats uit de verte". Ik zette uiteen dat deze opmerking natuurlijk in de eerste plaats functioneert in het verhaal zelf en de lokale afstand aanduidt die Abraham van de plaats van het offer scheidde. Maar dat daarbovenuit in deze woorden ook heel goed een verwijzing kan steken naar een figuurlijke en zelfs een geestelijke betekenis. Een figuurlijke betekenis in de zin van Joh. 8 : 56 en Hebr. 11 : 13: Abraham heeft lang van te voren (uit de verte) 'n glimp opgevangen van de betekenis die Sion later in Israël zou hebben.
En een geestelijke betekenis in de zin van 1 Petr. 1 : 12: zoals zelfs de engelen niet konden doordringen in het geheimenis van de verzoening ondanks de nieuwsgierige blik van de cherubs boven de ark zo werd ook Abraham slechts bij gelijkenis (een vader offert zijn kind) betrokken bij wat er uiteindelijk in het heiligdom achter het voorhangsel zou gebeuren. Slechts uit de verte mocht hij er naar kijken. Zoals dan ook het latere Sion een eigenaardige openheid naar de toekomst toe behield. De verteller die dit Sion als plaats des heiligdoms kende zegt immers niet: 'en op de berg des HEREN is daar nu in voorzien', maar: "Op de berg des HEREN zal er in voorzien worden" (vs 14). Sion zelf wees ook weer boven zichzelf uit.
Toen ik dit alles Z'O hardop overwoog hoorde ik enig gegniffel uit de zaal. Op mijn vraag wat er aan de hand was, zei een van de studenten: U schijnt niet in het auteurschap van Mozes van de Pentateuch te geloven. Ik had deze vraag natuurlijk kunnen voorzien maar toch verraste ze mij omdat ik met dat auteurschap altijd nogal globaal omgesprongen ben, deels ook wel uit gebrek aan interesse voor dat probleem. Zeker draagt het begin van de Bijbel zeer sterk het stempel van Mozes. In die zin kun je spreken van de boeken van Mozes.
Maar of dat ons er nu toe verplicht te geloven dat alles van Genesis tot 'en met Deuteronomium door Mozes geschreven is ("behalve misschien zijn eigen dood en begrafenis in Deutr. 34", zoals een foutloosheid-
theoloog mij zei), dat gaat mij echt te ver. Bij mij hebben de woorden 'Mozes zegt hier...” als ik de Pentateuch aan het uitleggen ben een wat ruimere betekenis.
Veel is van later datum, misschien de hele vormgeving wel. Maar wat van later datum is, is daarom nog niet uit de duim gezogen. Ook niet uit de 'vrome' duim. En daarin verschil ik van degenen die dateringskwesties gebruiken om twijfel te zaaien aan de betrouwbaarheid van wat de Schrift ons meedeelt. Want het mag dan waar zijn - althans ik houd het daarop, dat wij de bijbelse werkelijkheidsvoorstelling niet zomaar naast gegevens van elders kunnen benutten voor een precieze reconstructie van de (oudste) geschiedenis van wereld en mensheid (de bijbelse voorstelling is daarvoor veel te samenvattend, is mijn indruk), nog veel meer waar is het dat de Schrift ons een betrouwbare en bruikbare greep geeft op onze (ook oudste) geschiedenis die wij moeten kennen om onze plaats tegenover God en de naaste in te nemen.
Probleemloos en zonder gewetensmoeite kunnen we daarom de Schrift in al haar letterlijkheid navertellen en gebruiken in prediking en catechese.
Maar ik zie dat ik me nu weer laat verleiden om erg veel hooi in één keer op mijn vork te nemen. Daarom weer terug naar die vraag naar Mozes' auteurschap. Wat Genesis 22 vertelt over Abraham's offer is aan Mozes' dagen voorafgegaan. Daar houden we in geloof aan vast. Mozes zal er van geweten hebben en zal er tot zijn volk over gesproken hebben. Maar heeft hij dat gedaan in de vorm waarin het hoofdstuk zoals wij dat nu kennen het ons meedeelt? Dat blijkt niet. Volgens vers 14 staat de verteller in een 'heden' dat de berg des HEREN als plaats des heiligdoms kende. Men kan natuurlijk beweren dat het tweede stuk van vers 14 in de tijd na David/Salomo aan het reeds bestaande Genesis 22 is toegevoegd, maar erg sterk is zo'n bewering niet. En als wat ik over vs 4 gezegd heb waar is, is ze al helemaal onmogelijk. De verwijzing naar Sion is te essentieel en is ook te zeer met het gehele verhaal verweven dan dat ze achteraf zou kunnen zijn toegevoegd. En waarom zouden we ook tot zo'n noodsprong onze toevlucht nemen? Om Mozes' auteurschap te redden? Maar als het de Heilige Geest nu eens heeft goed gedacht deze geschiedenis waarvan de herinnering al langer bewaard werd, haar uiteindelijke vormgeving te doen vinden op een tijdstip waarop de grote betekenis ervan in volle duidelijkheid was doorgebroken? En dat was na de oprichting van het heiligdom op de Sion.
Om even ter vergelijking naar het Nieuwe Testament te gaan: wij weten dat de evangelies niet 'onderweg' zijn geschreven, niet in het onmiddellijke vervolg van Jezus' woorden en daden.
Natuurlijk is de herinnering eraan van meet af bewaard gebleven, maar beschreven zijn ze toch pas na het lijden en de opstanding van onze Here. Dat wil zeggen op een moment dat de woorden en daden van .de Heiland in hun diepste strekking aan de dag waren getreden. En je kunt de evangelies daarom ook typeren als een verzameling van lijdens- en opstandingsverhalen. 'Onderweg' zijn de discipelen niet verder gekomen dan vermoedens daaromtrent; ze hebben slechts 'uit de verte' gezien. Na Golgotha en Fasen kon het door Jezus gesprokene en gedane pas volwaardig worden verteld en met' de kleuren van dat diepte- en hoogtepunt worden geschilderd. En vooral aan het vierde evangelie is dat het duidelijkst te zien, want dat beschrijft de gebeurtenissen van Jezus' aardse leven niet alleen vanuit Golgotha en Pasen maar zelfs mede vanuit het effekt dat ze in de beginnende kerk gehad hebben, - zoals bijvoorbeeld bij de arbeid onder .de Samaritanen (Joh. 4 en Hand. 8) heel aardig blijkt. Zo laat de Heilige Geest . geschiede feiten rijpen tot schrijvenwordens toe. Ik weet wel dat tussen het gebeuren van Genesis 22 en de beschrijving' daarvan in de tijd van David! Salomo een veel langere tijd ligt dan tussen het 'geschieden' en het 'vertellen' van het evangelie, maar op dat verschil in tijd stuit je vaker wanneer je 'Oud' en 'Nieuw' met elkaar vergelijkt. De 'heilsdichtheid' is in het Nieuwe Testament groter dan in het Oude. Zo ongeveer heb ik de jongelui geantwoord nadat ik daarvoor een beetje uitstel bij ze bedongen had. Ik doe hiervan verslag omdat het me hevig interesseert hoe wij kunnen vermijden dat wij in de nieuwe situatie van het Afrikaanse kontinent oude en nutteloze kwesties introduceren die hier massa's tijd hebben gekost en hoegenaamd geen winst hebben opgeleverd. Als we dáár de fakkel doorgeven dan mag toch wel blijken dat we hier iets geleerd hebben.
Iets geleerd hebben uit de kerken geloofverwoestende vrijzinnigheid, iets geleerd hebben óók uit orthodoxe overdrijvingen die een gezonde uitleg van de Schrift in de weg kunnen staan. Maar - bij dat belangwekkende Genesis 22 deed ik nog een interessante ervaring op. Daarover een volgende en laatste keer.