Eens of steeds opnieuw?
1986-08-01
Het is uitgesloten...dat wij zulke beweringen geloven. Christus is namelijk maar eenmaal voor onze zonden gestorven en na uit de doden te zijn verrezen sterft Hij niet meer en zal de dood verder geen macht meer over Hem hebben. Ook wij zullen na onze verrijzenis altijd bij de Heer zijn, tot wie wij nu de woorden richten waartoe de heilige psalm ons aanspoort: 'Gij, Heer, zult ons bewaren en gij zult ons behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid."- Jaargang 30
- nummer 29
Augustinus, De Stad van God, XII, 14 1)
Te combineren?
Wie kijkt in allerhande literatuur 'Over reïncarnatie merkt dat maar sporadisch de Bijbel geciteerd wordt, om het geloof in de herhaalde levens te ondersteunen. Van de Kerkvaders ken ik er geen die er in geloofde.
En een aantal van hen kende dit geloof, van tamelijk nabij zelfs. In latere tijden ook weet ik geen theoloog van belang die reïncarnatiegeloof met de Bijbel wist te verbinden, behalve in onze eeuw de Britse Methodistische bisschop Leslie Weatherhead. Alleen in Antroposofische 'kring is men nog steeds doende de Bijbelse gegevens en het verhaal van de herhaalde Tevens met elkaar te combineren.
"Bewijzen"?
Slechts een paar teksten worden geciteerd, steeds opnieuw. Misschien is het niet gek ze op een rij te zetten. De eerste is de al eerder genoemde tekst, Galaten 6 vers 7: "Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten." Zelfs een snel lezen van de tekst laat al zien dat er geen enkele reden, laat staan noodzaak, bestaat' die tekst uit te leggen in de richting van reïncarnatie. De tweede serie teksten betreft de koppeling van Elia met J 0hannes de Doper. Met name Mattheüs 11 vers 13 en 14. Als over Johannes de Doper gesproken wordt, staat er: "Hij is Elia, die komen zou". Daarbij dienen wel een paar dingen te worden opgemerkt.
Allereerst, dat Elia, volgens de Schrift, niet gestorven is! Hij werd levend ten hemel opgenomen.
Dat maakt het al een complex geval van 'terugkomen'! (2 Koningen 2). In de tweede plaats, staat datzelfde ook anders verwoord. "En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia ... " (Lukas 1 vers 17). Aan de hand van die tekst merkt de kerkvader Origenes het volgende op: "Het lijkt me toe dat er in deze tekst geen sprake is van Elia's ziel, want anders zou ik vervallen tot het leerstuk van de zielsverhuizing, dat aan de kerk vreemd is en noch door de apostelen is overgeleverd noch in de Schrift wordt geleerd .... Let erop dat hij (Lukas) niet zegt "in de ziel van Elia", maar "in de geest en de kracht van Elia". Een verder argument is dat in Johannes 1 vers 21. Johannes de Doper duidelijk met "nee" antwoordt,als hij de vraag krijgt of hij Elia is. Tenslotte, als Mozes en Elia samen met Christus op de Berg der Verheerlijking verschijnen,' krijg je uit het beschrevene niet de indruk dat het hier gaat om Elia, oftewel tevoren Johannes de Doper, oftewel daarvoor weer Elia...of zoiets, Je kunt, samenvattend, wel gelóven dat Johannes de Doper de gereïncarneerde Elia was, maar je bent op geen enkele wijze in gezelschap van de Bijbel zelf. Of van Elia!
De moeilijkste tekst
De derde tekst vind ik zelf de moeilijkste. Mogelijk dat er onder de lezers mensen zijn die daar hun visie eens op willen geven. Het betreft de tekst in Johannes 9. de eerste verzen. Er is een blind geborene en de discipelen vragen de Heer: "Wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?" (vers 2). Gelóófden de discipelen in reïncarnatie, in een karmaprincipe? Het valt niet mee om dat elders in de Bijbel aan te tonen!
Christus gaat ook niet op de vraagstelling in. Hij geeft geen enkele aanleiding te menen dat de hier vermelde suggestie juist kan zijn. Het meest gelukkig (tot nu toe) lijkt me de suggestie dat ook toen al (zoals een eeuw of twee later kennelijk aantoonbaar aanwezig 'was) mensen geloofden dat een vrucht al in de moederschoot kon zondigen. In dat geval zouden de discipelen het niet over een vorig leven, maar over de periode vóór de geboorte hebben.
Eens en voor altijd!
Dat waren alle teksten die reïncarnatieaanhangers uit de Bijbel kunnen citeren. De oogst is voor hen toch wel pover te noemen. De belangrijkste teksten die ,in een andere richting wijzen zijn feitelijk al wel eerder genoemd. Met name de tekst uit het einde van Hebreeën 9 (vanaf vers 26) acht ik afdoende. Het anti-cyclische doortrekt de geloofs- en geschiedbeschouwing van de hele Bijbel. Vandaar het citaat van Augustinus, bovenaan, (Het kostte me wat tijd om het in dat lijvige werk op te zoeken.) De conclusie is duidelijk. Nu het geloof in reïncarnatie ook in onze samenleving zo toeneemt, zullen we de Bijbel als wapen moeten- hanteren. Ik denk dat dit 'geloof' wel eens lang bij ons zal kunnen zijn. Ook meen ik dat we de bestrijding ervan serieus ter hand moeten nemen. Deze serie artikelen was er een poging daartoe. Belangrijker echter is onze levensstijl, dunkt me. We zullen aandacht moeten geven aan het onderricht van de Bijbel aangaande het leven hierna. Misschien is een meer directe prediking en een spreken over de opstanding, ook van ons, van ook onze verheerlijking, en het eeuwig zijn bij Hem, uiteindelijk de enige afdoende bestrijding.
Noten
1) Geciteerd uit: Aurelius Augustinus, De Stad van God, vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Ambo-Polak & van Gennep. 1983. p. 560, 61.