Christelijke toekomstverwachting (3)
1986-08-08
Zijn er niet veel plaatsen in de Schrift die een hoopvolle toekomst van onze aarde lijken tegen te spreken? In het vorige artikel werd een begin gemaakt met de bespreking van de moeilijkste tekst 2 Petrus 3 : 10. Daar staat dat de Here als Hij komt verschijnt met vuur (vgl. Maleachi 3 : 2).- Jaargang 30
- nummer 30
Vuur
Als Petrus spreekt over vuur beweegt hij zich in de lijn van een O.T.-ische traditie. Daar verschijnt de Heer in vuur in Ex. 3 in de brandende braambos. In de vuur- en wolkenkolom in Ex. 13, op Horeb in Ex. 20, bij Zijn komst in de wereld in Mal. 3 - maar overal is dat vuur een reinigend vuur, een zuiverend en heiligend vuur, maar geen destructief vuur! Waar het ,vernietigt vernietigt, het de onreine, elementen, 'de ten onrechte in Gods goede aarde binnengedrongen zijn, bedreigend valse elementen, de goddelozen -, het beest en de hoer in Openb. 18 en 19. Ook ,de dood zal niet meer zijn en geen tranen. De zonde en haar gevolgen worden er uit gebrand. Maar het wonder van het vuur van God is dat het tegelijk overal Gods goede schepping bewaart - en zelfs zó omspeelt 'dat zij daardoor pas goed tot haar recht komt.
Altijd fascineert mij die eerste, en de grootste verschijning van God in vuur: Ex. 3. De brandende braambos - en hij zag. en zie de braamstruik stond in brand maar hij werd niet verteerd (3 : 2, 3), een .machtig beeld zoals Gods Geest in Mozes en in Israël werken zou het zou Israël geheel gaan doordringen zonder het te verzengen. Vandaag zouden wij zeggen: als Gods Geest ons vervult vernietigt Hij onze persoonlijkheid niet maar doet deze dan pas goed tot zijn recht komen. Precies hetzelfde zien wij in het N.T.! Hand; 2. Er waren tongen als van vuur op de hoofden van de discipelen...en toen pas begonnen zij ieder met vrijmoedigheid te spreken. Toen pas werden zij wie zij eigenlijk waren. Het vuur van de Geest brandde in hen. Maar het verteerde hen niet - het bracht hen toen pas tot hun eigenlijke uniekheid!
Het laatste gericht
Zo zal deze wereld nog een keer door het vuur van God heengaan. In 1 Cor. 3 spreekt Paulus ervan als. een realiteit voor alle mensen - ook christenen. Dan worden alle zonden weggebrand, maar de werken blijven bewaard. Of u gebouwd hebt met goud, zilver, steen, hout, hooi of stoppelen, zal op die dag openbaar worden: Dat zijn allemaal' echte bijbelse beelden van een reinigend en louterend vuur. In Mal. 3 staat het al. Dan zal de Here komen en de zonen van Israël louteren met vuur zoals een zilversmid het zilver reinigt! Zoals een dokter zijn medicijnen reinigt door de bacteriën met vuur te verbranden. Natuurlijk: wat er niet bij hoort en wat voorlopig was, dat alles gaat eruit – opdat blijve wat uit God was: Zijn goede schepping en alle werken die de mensen naar Gods bedoelingen als vrucht van Zijn Geest mochten verrichten. Zo kunnen wij
ook het verband zien met die beloften uit Openbaring 21 waar wij heel uitdrukkelijk lezen dat het nieuwe Jeruzalem, da stad Gods neerdaalt op aarde, vanuit de hemel - en dat de volkeren al hun cultuurschatten daar zullen ,binnendragen: vs. 26: "en de heerlijkheid en de eer van de volkeren zullen in haar gebracht worden." Tot zover over 2 Petrus 3 en alle beelden in de bijbel die óns spreken van' vuur. Mijn conclusie is dat de Schrift met al deze woorden juist die, heidense oud-Perzische en stoïcijnse leer van de wereldondergang bestrijdt. De stoïcijnen geloofden dat onze wereld zou ondergaan in een wereldbrand.
Het evangelie breekt dit heidense denken open met 'n lineaire geschiedenisopvatting: deze wereld komt .uit Gods hand en Hij zal ze straks van zonde en dood door vuur reinigen zodat ze dan pas naar Zijn plan verheerlijkt voor hem zal staan.
Wisselkleed
Er blijven nu nog twee moeilijke plaatsen over die na alles wat gezegd is zich nu gemakkelijker laten uitleggen en die ieder voor zich een eigen kant belichten van deze metamorfose die wij tegemoet zien. Allereerst nog Jezus" eigen woorden uit Matth. 24 : 35. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. Wie de voorgaande beelden van Jezus erbij betrekt zal zien dat Hij hier spreekt over de gruwel van de verwoesting, het einde van de macht van de antichrist en de dood van de dood. "Als de macht der hel verslagen zal zijn." In dat verband citeert Jezus hier Psalm 102 en het is heel belangrijk om die psalm erbij op te -slaan omdat daar in één adem gesproken wordt van vergaan en verwisselen.
Het vergaan van hemel en aarde betekent dat zij vim kleed verwisselen. Zoals al de genodigden in Jezus' gelijkenis van het bruiloftsfeest een ander kleed moest aandoen.
Zij moeten hun oude plunje van de oude mens afleggen en zich met Christus' gerechtigheid bekleden. Precies zo verkondigt Psalm 102 dat hemel en aarde het werk van Gods handen zijn, maar omdat ze delen in de vergankelijkheid steken ze donker' af tegen de eeuwigheid van God die altijd blijft. Deze hemel en deze aarde moeten daarom van kleed verwisselen. Vers 27: De hemel en de aarde zullen vergaan maar Gij houdt stand: zij alle zullen verslijten als een kleed. Gijverwisselt ze als een gewaad, en zij verdwijnen maar Gij blijft dezelfde ... In die lijn zegt de Here Jezus: maar mijn woorden zullen blijven. Zijn woorden zijn nl. de substantie van hemel en aarde. Naar hun: ware aard zijn alle geschapen dingen volgens Genesis 1 gematerialiseerde - of om het vromer te zeggen geïncarneerde woord van God -, die geschapen dingen, blijven maar. hun vergankelijkheid en zinloosheid zullen zij straks als oude plunje afleggen. Ps. 102 en Matth. 26 worden zo Illustratief bij 1 Cor. 15 waar Paulus zegt: dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aan doen. Calvijn zegt dan ook in zijn commentaar op Ps. 102: 27 dat hij die uitleg steunt die zegt dat wij deze verzen moeten verstaan als ziende op een verandering, een soort van dood: (en nu citeer ik) "want hoewel zij niet volstrekt' vernietigd worden, zal toch de verandering van hun natuur verteren hetgeen sterfelijk en verderfelijk is, zodat zij andere en nieuwe hemelen worden (vert. J. Boer Knotterius, p. 436). Ook Calvijn deelt dus de opvatting dat Ps. 102 leert dat het voorbijgaan van hemel en aarde hetzelfde betekent als het verwisselen van het kleed van vergankelijkheid en sterfelijkheid en dat wij daarvoor geheel van GO,d afhankelijk zijn, die hemel en aarde dan zal doen delen in zijn eeuwigheid, die Hij als enige nu reeds bezit.
Sorteermachine
Tenslotte de derde en laatste moeilijke Schriftplaats in Hebr. 12 : 26. Toen heeft op Horeb Gods stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een belofte gegeven, zeggende nog eenmaal zal ik niet slechts de aarde maar ook de hemel doen beven. Dit nog eenmaal doelt op een verandering der wankele dingen als van iets dat slechts geschapen is, opdat blijve wat niet wankel is." Men zou uit dit woord de conclusie kunnen trekken dat de wankele dingen vergankelijk zijn, omdat zij slechts geschapen zijn - en daaruit opnieuw de ondergang van de schepping afleiden. Echter: het woordje "slechts" ontbreekt in het Grieks. De schrijver van: de Hebreeënbrief wil zeggen alles wat wankelt in de schepping moet en zal straks onwankelbaar worden, en dat kan, de Here doen, omdat Hij al deze dingen zelf gemaakt heeft. De vertaling wordt dan: "Dat nog eenmaal' ziet op een verandering van de wankele dingen wat God kan doen omdat de Here deze immers heeft gemaakt, opdat blijve wat niet wankel is. Opnieuw zien wij hoe het hier gaat om een verandering, geen ondergang maar een metamorfose, precies in de lijn van Haggai 2, de profeet die Bier geciteerd wordt en die juist benadrukt dat de beving die God straks bij Zijn intocht op aarde verwekt de kostbaarheden van alle volken naar boven zal halen (2: 8). Zoals bij de beving door een sorteermachine in de bollenstreek het vuil wordt uitgezift en het prachtige product van de gave gerijpte bloembol naar boven komt, nu gereinigd van 'vuil en op maat geoogst. Precies zo ziet Haggai uit die grote beving het Koninkrijk te voorschijn komen - dat zal bestaan uit de kostbaarheden van alle volkeren (vers 8) die hun, schatten in het nieuwe Jeruzalem zullen binnendragen (Openb. 21 :26); Dat is "wat zal blijven", Hebr.12 : 27 het Koninkrijk.
(wordt vervolgd)