Niet bang zijn!
1988-12-16
Bang in het donker - Jaargang 32
- nummer 47
De allereerste Kerstpreek is gehouden door een engel. En zijn allereerste woord is: Vreest niet!
Weest maar niet bang.
Ja, wat kun je niet bang Zijn voor veel dingen. Wat kun je niet bang Zijn om ziek te worden, bangomje werk te verliezen, bang om in de steek te worden gelaten, bang om oud en gebrekkig te worden, bang om dood te gaan of om je man of vrouw te verliezen.
Het leven kan zo angstaanjagend donker zijn! En net als een kind dat slapen gaat, zou je misschien wel een lampje aan willen hebben, dat wat licht verspreidt. Want bij licht is alles zo benauwend niet.
Maar moet je dan eens horen, wat Lukas over de herders vertelt:
En opeens stond een engel van de Heer bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen, en zij vréésden met grote vreze.
De herders schrokken zich lam!
Dóódsbenauwd waren ze!
Vreemd eigenlijk. Als God de duisternis verjaagt, als God, om zo te zeggen midden in de nacht, het volle licht aandoet - dan staan zij te bibberen op hun benen. Is dat niet won-derlijk?
Nee, dat is toch niet zo vreemd als het lijkt. Want ik sprak zoëven wel over bang zijn voor duizend en één dingen.
Maar toen ging het over een àndere angst. Niet over de angst, die de herders overviel bij het zien van de engel.
Deze angst - de angst bij het zien van Gods heerlijkheid - is veel en veel groter, schokkender. Dit is de angst van een mens, die oog in oog staat met God - die plotseling de hemelse Majesteit ontmoet, de Koning van hemel en aarde.
Ach, wat zouden wij al schrikken als we volkomen om erwacht, onaangekondigd, onze koningin op bezoek zouden krijgen. Je zou niet weten wat je het eerst of het laatst moest doen: kijken of je kleren wel netjes genoeg zijn, of gauw e-ven een kopje koffie klaar maken met wat lekkers erbij. En wat moetje zéggen tegen zo'n koningin!
Een zenuwenboel gewoon!
Maar dat haalt toch zeker niet bij een ontmoeting met God. Het gevoel, dat je tekort schiet, dat je niet netjes genoeg bent, dat je te onheilig bent - dat gevoel dreigt een ieder, die God ontmoet te verplètteren!
Bang in het licht
En dát is het gevoel, dat de herders overvalt. Dat hemelse licht schijnt helderder dan de zon overdag. En daar staan ze - te kijk! In hun armoedige herderskleren.
Maar dát is nog het ergste niet. Dat is nog maar de buitenkant. Maar ook de binnenkant, wat er leeft in hun hart, wat ze denken, wat ze voelen en verlangen - ook dát komt aan het licht.
Nee, misschien niet voor de anderen.
Maar wel voor God èn voor hen zelf.
Dat licht rondom die bode van God in de Kerstnacht is hetzelfde licht waarvan we zingen met Ps. 97:
Een vuur, een laaiend licht
gaat voor Zijn aangezicht,
het schroeit die Hem genaken,
verzengt die aan Hem raken.
En de herders, ze schrikken zich een ongeluk!
En deze vrees is heel wat erger dan onze angst voor ziekte en pijn, voor dood en verdriet. Al die kleine angsten - ook al zijn ze voor ons zo vreselijk groot - toch zijn ze niet meer dan de gevolgen van iets dat veel angstwekkender is, nl. de zondeschuld van de mensen. Hier raken we aan de wórtel van alle vrees: het grote tekort tegenover God, de Heer!
Weet u wat dát is: voor God te kijk staan, zó zoals u bent en niet zoals u zich voordoet?
Weet u wat het is: doorgelicht te worden, zó datje binnenste blootligt enje volledig in je hemd staat?
Weten we wat dat is: niet te kunnen vluchten, maai te vallen in de handen van de levende God?
Dat is de ergste angst, die ons overvallen kan. Want in het licht van Gods heerlijkheid zien we, wat de grootste donkerheid in ons leven en in onze wereld is, nl. dat wij Gods liefde hebben verduisterd. Ja, daar wordt de wereld pas écht donker van en vol gevaren.
Dan is de ene mens voor de andere een verscheurend dier.
Dan is het ene volk of ras voor het andere een bedreigende macht.
Dan voelt de ene groep van mensen zich beter dan de anderen.
Dan buiten de sterken de zwakken uit.
Dan beven de onderdrukten voor hun verdrukkers. Maar de heersers vrezen voor het moment, dat de vertrapten in opstand komen en hun juk van zich werpen.
Dan heerst de dood oppermachtigen de ontbinding.
In het licht van Gods heerlijkheid wordt plotseling duidelijk, dat we van alle dingen het meest bang moeten zijn voor onze eigen zondigheid, omdat wij in ons samenleven met elkaar de liefde van God hebben verduisterd.
Dan wordt duidelijk, dat we het allermeest bang moeten zijn voor onszelf.
Dat we het verdienen van de aardbodem te worden weggevaagd.
Heilzame vrees
Maar zie, dat is nujuist het wonderlijke, dát gebeurt niet. Dat is het wonder van Kerst.
Aan mensen, die overvallen zijn door de grootste angst, de angst om de ondergang vanwege eigen slechtheid en eigen schuld - aan mensen, die zo vervuld zijn met vrees en beven, zegt de engel van de Heer: Weest niét bevreesd!
Wie bang is voor het donker, maar toch het meeste voor het licht - dié mag horen: Vreest niét!
Wie angstig is, niet omdat God zo ver weg lijkt, maar omdat Hij zo verschrikkelijk dichtbij is - dié mag horen: Vreest niét!
Wie schrikt, niet om wat hij mee moet maken - nou ja, ook om wat hij mee moet maken - maar toch het meest om zijn schuld, die mee de oorzaak is van alle ellende in eigen leven en in de maatschappij - dié mag horen: Vreest niét!
Tegen alle anderen, bang of niet bang in onze wereldnacht, moet gezegd worden: Vreest! Want wie niet bang is, zoals de hérders, die moet het léren.
Die moet het eerst nog leren, de vrees die heilzaam is.
Maar wie het hééft geleerd, tot hén klinkt het woord van de engel, gesproken uit Naam van de heilige God: Vreest niet!