Ingezonden

1988-12-16
  • Jaargang 32
  • nummer 47
Is het boek Henoch Kanoniek?
Bij het lezen van de artikelen van de heer Milo zou je de indruk krijgen, dat hij JA zegt op de vraag boven dit artikel.
Waarom Henochs boek dan niet in ons lijstje canonieke boeken van art. 4 der Ned. Geloofsbelijdenis staat? Eenvoudig omdat het boek Henoch in de 4e eeuw nog niet bekend was en niet ingedeeld kon worden. Wanneer zich vandaag een Concilie zou opmaken om de heilige schrifturen alsnog in te delen, dan zou wellicht de kern van Henoch als geïnspireerd aanvaard worden. Aldus de schrijver.
Inderdaad heeft de kerk in art. 4 N. G.B. een lijst van kanonieke boeken genoemd.
Ze gaat dan in art. 5 aldus voort: Al deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en kanoniek. Men lette op de gecursiveerde woorden.
Het boek Henoch behoort niet tot de kanonieke boeken, zelfs niet tot de apocriefe, maar tot de Z.g.pseudepigrafen, d.w.z. "dat deze werken valselijk toegeschreven zijn aan de auteurs, op wier naam ze zijn overgeleverd". (W. C. van Unnik in de Christelijke Encyclopedie ).
Wat in de "Waarschuwing aan de lezers van de Apocriefe Boeken" staat, kunnen we zéker ook op de pseudepigrafen toepassen, n.l. dat "in meest al deze boeken gevonden worden verscheidene onware, ongerijmde, fabuleuse en tegenstrijdige zaken, die met de waarheid en met de Canonieke boeken niet overeenkomen".
Bij het artikel van 28 okt. zou ik graag een paar opmerkingen willen maken.
1. De heer Milo schrijft: "Gods zonen (lees: een aantal engelen) vonden de jonge dochters aantrekkelijk en... namen zich haar tot vrouwen.
Een gruwelijke vermenging dus van geestelijke wezens en vleselijke mensen".
Die vrouwen "werden zwanger en baarden grote reuzen, met een hoogte van duizend ellen. Niet over twisten, want duizend kan in het Oude Testament andere betekenis(sen) hebben dan 10 x 100. Ja, want anders zouden ze ongeveer viermaal zo hoog zijn geweest als de Utrechtse Dom. Maar laat het nou eens 25 ellen willen aanduiden, dan was Goliath er nog een kindje bij.
Maar voor de bewering, dat het verwekken van de reuzen een gevolg was van de gemeenschap van vrouwen met engelen, ontneemt de Schrift alle grond, door juist vooraf te laten gaan, dat er vóór het sluiten van de hier vermelde huwelijken reeds reuzen op aarde waren.
(Aldus J. C. Sikkel in Het Boek der Geboorten en ook G.Ch. Aalders in de Korte Verklaring).
De idee van deze tegennatuurlijke ver- mengmg speelt ook in de geesten der heidense volken, denk aan de halfgoden.
Dan krijgen de theologen even een veeg uit de pan, omdat de meeste van die mannen er niet aan willen. Nu heb ik er niets op tegen, dat theologen eens een veeg uit de pan krijgen. Daar kunnen ze het naar maken, maar in dit geval lijken ze me nogal nuchter en verstandig.
Want die verhalen van vermenging van bovenaardse wezens met vrouwen vindje inderdaad in de heidense oudheid, maar die kun je toch niet verwachten te vinden in de Schrift?
Vonk noemt het heidense leuterverhalen.
Terecht, dacht ik.
2. In het bewuste artikel wordt gesproken van de eerste zondeval in het paradijs in Gen. 3 en de tweede in Gen.
6. Ze zijn niet met elkaar in strijd. Ze kunnen twee tekeningen van dezelfde zaak worden geacht. Als we letten op de totaal verschillende situatie, moeten we zeggen, dat het ondenkbaar is, hier twee tekeningen van dezelfde zaak in te zien.
Verder zouden de gevallen engelen, toen hun het oordeel was aangezegd, Henoch gevraagd hebben tussenbeide te treden bij God, en Henoch deed het ook nog. Wie gelooft nu zo iets, als hij ernst maakt met Gen. 5: 22-24 en Judas vs. 14 en 15!
3. Dan - het initatief tot de in Genesis 6 bedoelde huwelijken is uitgegaan van de zonen Gods. Als dat engelen zouden zijn, dan is het merkwaardig, dat in het vervolg van een bestraffing van engelen geen sprake is. Het gaat alleen over de mènsen in vers 3.

J. Waagmeester, Lisse

Salomo Vredevorst?
Bijbel, staat en kerk.
(reactie op B. Wielenga, Opbouw 18-11-1988)

1. Moet de vrede van Salomo ons niet te denken geven? De prijs van deze vrede was (economisch en geestelijk) toch te hoog?
2. Is de vermenging van kerk en staat, zoals in de tijd van Salomo, eigenlijk niet een onding? De staat moet toch neutraal zijn?

Met deze suggererende vragen hoop ik het artikel van ds Wielenga ongeveer te hebben samengevat.
Mijns inziens dienen vervolgens twee problemen te worden gesteld:
1. Geeft ds Wielenga de strekking van de Bijbel over Salomo's regeringsperiode wel goed weer?
2. Moet de staat neutraal zijn? Gelden Gods wetten wel voor de kerk, maar niet voor de staat?

1. Hoe typeert de Bijbel de vrede van Salomo? Zowel in Koningen als in Kronieken wordt het tijdperk van Salomo als iets groots aangeduid. Zijn wijsheid, rechtsspraak, bestuur, rijkdom, tempel, paleis, overige bouwwerken en het bezoek van de koningin van Scheba (I Kon. 3-10) zijn overweldigend. De toespitsing vinden we in I Kon. 10: 3-9.
Het laatste vers luidt: "Geprezen zij de HERE, uw God, die zulk een welgevallen aan u had, dat .4'ii u op de troon van Israël geplaatst heeft! uh.ht de HERE Israël voor altoos liefheeft, heeft Hij u tot koning aangesteld om recht en gerechtigheid -te oefenen".

Ds Wielenga schrijft terecht, dat Salomo niet de Vredesvorst was die zou komen. Salomo beantwoordde te weinig aan het beeld van psalm 72. Hij overtrad de "konings wet" van Deut.
17. De afgoderij van Salomo en de zwakke kanten van zijn bewind worden terecht genoemd. Maar ..... mogen we zeggen: de prijs voor deze vrede was te hoog? En heeft het verkeerde gedrag van Salomo te maken met het vermengen van de terreinen van kerk en staat?

2. Scheiding van staat en kerk?
Geen vermenging?
Kunnen de richtlijnen van de Bijbel niet zonder meer aan de staat worden gesteld?
Kon Salomo, als koning, de voorschriften van deut. 17, enz. eigenlijk niet onderhouden?

Wat gebiedt de HERE aan Salomo? Indien Salomo naar God zou luisteren dan zouden hij en zijn zonen koning over Israël blijven: "nimmer zal u een man ontbreken op de troon van Israël" (I Kon. 9: 1-9). Bovendien: aan alle overheidspersonen, aan elke regering van Israël wordt ingescherpt: dient de HERE; houdt Zijn geboden.

We lezen in de Bijbel veel over het onderscheid in Israël tussen "de zaak van de HERE en de zaak des Konings" (2 Kron. 19: 11) Denk aan Mozes en Aäron, aan Jozua en Eleazer, Samuël en Saul, Abjathar en David, Azarja en Uzzia, Jojada en Joas, enz.

Staat en kerk moeten wel worden onderscheiden; staat en kerk bestrijken verschillende terreinen; maar voor allebei gelden Bijbelse normen.
Scheiding van staat en kerk komt, voorzover ik weet, uit de humanistische koker en wordt, denk ik, bevorderd door de RK natuur en genade leer. Terecht hebben alle reformatoren (zie ook art. 36 NGB) de Heilige Schrift nagesproken in het binden van de staat aan Gods geboden.

Samenvattend: Salomo was geen volmaakt vredevorst, maar zijn regeringsperiode "was een tijd van weergaloze zegen van God". Salomo vermengde staat en kerk niet in "monstrueuzen afmetingen", maar hij zondigde tegen de "konings wet" van Deut. 17.

A. Kadijk, Dronten

Antwoord: Nogmaals: Salomo vredesvorst?
Br. Kadijk uit Dronten was zo vriendelijk te reageren op mijn artikel over Salomo (Opbouw, 18-11-1988). Ik haast me een korte reaktie te formuleren, waarin ik een paar notities maak bij zijn kritische opmerkingen. Uiteraard kunnen allerlei zaken als de aard van de bijbelse geschied-schrijving, verschillen tussen Koningen en Kronieken, de verhouding tussen kerk en staat niet uitputtend aan de orde komen. Maar wellicht dat deze korte discussie tussen hem en mij kan bijdragen tot een beter verstaan van de Schrift en haar gebruik in ons leven van alle dag.

Hoe typeert de bijbel de vrede van Salomo?
Terecht wijst br. Kadijk op het feit dat de bijbel positief spreekt over de vrede in Salomo's tijd. Maar tegelijk vermeldt de bijbel de sociaal-economische en religieus-geestelijke gevolgen van zijn veiligheids-beleid. Let bij voorbeeld op 1 Kon. 12: 4 e.v., en er is meer te noemen.
Al gaat het de schrijver(s) van de boeken Koningen er niet om dat breed naar voren te halen, toch verzwijgt hij het niet. We hebben dus het recht onze kanttekeningen te plaatsen bij Salomo's beleid. En het lijkt me toe dat br. Kadijk dan toch te vergoelijkend spreekt, wanneer hij het heeft over de zwakke kanten van Salomo's bewind, en over zijn verkeerde gedrag. Juist als theokratisch vorst schoot hij principieel te kort. M.i.
heb ik een aantal gegevens genoemddivisie gevechtswagens; versterking van steden; harem - die ook geschiedwetenschappelijk vrij vast liggen.
Door daar eens op te letten, wordt het m.i. duidelijker waarom het toch zo fout kon gaan met een koning als Salomo.
We moeten de bijbel niet lezen los van de konkrete werkelijkheid waarvan ze spreekt.

Scheiding van kerk en staat?
Opnieuw kan ik beginnen in te stemmen met br. Kadijk, wanneer hij zegt dat Salomo geroepen was zich te houden aan de geboden van God, en dat daaraan rijke beloften verbonden waren. Maar juist in de geschiedenis van Israëls koningen blijkt dat het hoge ideaal van een theokratische monarchie niet gerealiseerd werd. Het is een feit dat de theokratische staat mislukt is in Israël.
En het is een feit dat na de ballingschap Israël 'gemeente' werd en dat de Davidisch monarchie pas in Christus werd hersteld. Dat wijst m.i. op een onmiskenbare trend in de geschiedschrijving van Koningen die juist door Kronieken krachtig wordt onderstreept.
Een trend die m.i. zich weg beweegt van 'kerk' en 'staat' ineen. De theokratie als politiek program miskent deze trend in de bijbel. Politieke partijen die theokratische neigingen hebben, hebben de bijbel niet aan hun kant.
Ik schreef dit ook tegen de achtergrond van de situatie in Zuid-Afrika, waar dit 'ineen' van de staat en de (Nederduits Gereformeerde) kerk tot het monstrueuze onding van Apartheid heeft geleid. Deze stelling is makkelijk te documenteren en te verifiëren.
Ik heb de staat 'neutraal' genoemd; vergeet de hoge kommaas niet! Daarmee wilde ik aanduiden dat er met dat woord 'neutraal' het een en ander aan de hand is. En ik schreef dan ook, in overeenstemming met br. kadijk: "Zij (de staat) staat zeker onder goddelijke wetten die de kerk haar moet voorhouden, ..." Ik denk bij voorbeeld aan Rom. 13.
Maar tegelijk kunnen we de staat niet "zonder meer" (schreef ik, men lette daar wel op!) houden aan de eisen die voor de kerk gelden. Dit heeft juist ook konsekwenties voor allerlei debatten rond bewapening.
Ik heb het niet gehad over scheiding van kerk en staat. Ik schreef over het "uit elkaar houden" en dat in tegenstelling met het "ineen" van kerk en staat als in het corpus christianum, zoals het ook was in de dagen van Salomo in Israël.
Ik wil toch aannemen dat br. Kadijk daar niet naar terug wil. Dat zal opnieuw leiden tot monstrueuze ondingen - voorbeelden te over. Neem Zuid-Afrika dat zich uitdrukkelijk een christelijk land noemt. Toch behoort dit (bij de grondwet) christelijke land tot de grootste wapen-exporterende landen in de wereld. Daar heb ikjuist als christen toch wel moeite mee. Kunnen christenen en kerken dat voor hun rekening nemen? Beter is het kerk en staat hier uit elkaar te houden; en een staat maar niet expliciet christelijk te noemen. In deze wereld, is het onmogelijk voor een staat deze pretentie waar te maken. Het komt de zaak van het koninkrijk van God niet ten goede.

Samenvattend
De regeer-periode van Salomo was er een van zegen van God - daar zijn we het wel over eens. Maar de zegen was niet ongemengd. En het was niet 'slechts' zondigen tegen de koningswet van Deut. 17. Trouwens, daar zou heel wat meer over te zeggen zijn. De zegen werd vrijwel van meetaan verspeeld.
De theokratische staat kon niet op tegen de werkelijkheid van de zonde, onder Salomo al niet. Dat riep om de ware Vredesvorst en zijn Rijk.

Een reaktie behoort kort te zijn; daarom nu maar een punt.
Maar ik ben br. Kadijk dankbaar voor zijn bijdrage; zo makkelijk laten we elkaar maar praten of schrijven. Zo komen we met elkaar niet erg veel verder.
En juist terzake van de vragen in diskussie is dat hard nodig.

B. Wielinga, Richmond

-0-

Hoe spreken wij elkaar aan?
In het weekblad "De Reformatie" presenteerde prof. J. Kamphuis, een serie artikelen met de titel: "Hoe spreken wij elkaat aan". In het slotartikel, (zie het nummer van 12 november j.l.) komt J .K. tot de slotconclusie, dat de 'Ned. Geref. Kerken reeds in de jaren 1967/ 1969 afscheid genomen hebben van de gereformeerde belijdenis.
Hij schrijft zonder meer, dat de basis waarop de Ned. Geref. Kerken staan in het afscheid van de confessionele uit-spraken van de Synode van Amersfoort-West en Hoogeveen een samen-J.K. wil hier wijzer zijn dan de Heilige Schrift, (zie o.a. Marcus 10: 27) waar toch in feite staat: Bij God zijn alle dingen mogelijk.
Als ik het goed zie, wil J.K. alleen lid zijn van een geperfectioneerde kerk.
Hij heeft wel ds J. Hoorn, vrijgemaakt predikant mede afgezet, maar in wezen denkt ook hij, dat de huidige Vrijgemaakte kerken alleen bij de Waarheid leven.
De belijdenis: Dat alle mensen in zonde ontvangen en geboren zijn, lijkt hier ver weg.
J.K. bedroeft de Heilige Geest van God, door zo exclusief over zijn medegelovigen buiten zijn kerkelijke denominatie te spreken.
Gelukkig is er in een ander deel van de vrijgemaakte pers een genuanceerder denken aan het openbaar worden.
Daarbij denk ik aan het Nederlands Dagblad, waarin een plaats wordt gegund aan allen die Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben.

P. Dubbeid, Barendrecht

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief