Goddelijke en/of menselijke inzettingen (4)
1988-12-23
Historisch karakter- Jaargang 32
- nummer 48
De lezer heeft mij in deze ronde niets meer horen zeggen over onjuistheden die ik in de Schrift meen op te merken, niets meer over mijn kritiek op artikel 4 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis waarin staat dat tegen de Kanonieke Boeken niets te zeggen valt (een uitspraak die ik in het licht van artikel 7 van dezelfde belijdenis wel begrijp en dan ook van harte beaam maar die ik op zichzelf genomen toch te verregaand vind). Is dat nu van de baan? Heb ik dat ingeslikt? Nee. Maar wie met ons blad vertrouwd is weet hoe ongaarne ik zulke kritiek uitoefen. Je kunt dat, vind ik als dienaar van het Woord niet maken' dat je bekend gaat staan als een bijbel-kritikus.
We moeten daders van de wet zijn, zegt Jakobus (4 : 11) en geen rechters.
Dat geldt niet alleen voor de wet, maar voor heel het Woord. Nee, wijzen op onvolkomenheden in de Schrift heeft bij mij geen ander doel dan om inzicht te geven in het historische karakter van de bijbel. Het historische karakter waar we tot dusver te weinig ernst mee hebben gemaakt en waar we nog niet alle konsekwenties uit getrokken hebben, zoals ik deze zomer al schreef. Wat bedoelde ik daar nu mee: nog niet alle konsekwenties getrokken? Hier komen we bij het belangrijkste van wat ik in deze artikelen heb willen beweren en dat ik daarom nog maar eens probeer te formuleren.
Ik geloof namelijk dat er in de gemeente wel een behoorlijk besef is van het historisch karakter van het Oude Testament, maar dat dit besef ophoudt waar het het Nieuwe Testament betreft. Alsof het Nieuwe Testament bij al zijn uitspraken en regels de blik op eeuwigheid heeft. Dat is niet het geval.
Ook het Nieuwe Testament deelt in het historische karakter van de Schrift.
Horizontaal en vertikaal
Nu geloof ik van de andere kant niet dat met dat historische de hele bijbel voldoende getypeerd is. Zelfs het belangrijkste is er niet mee gezegd. De hoofdzakelijke kenschetsing van de Schrift is dat zij het eeuwige, alle tijden omvattende Woord van God is. Als je Je de bijbel voorstelt als een horizontaal lopende lijn, dan zie je reeds in het Oude Testament aanzetten tot het vertikaal worden van die lijn. Het klassieke voorbeeld is hier natuurlijk de Dekaloog of de Tien Woorden. Maar ook in het psalmboek staan veel woorden van eeuwige gelding, niet gebonden aan tijd, plaats of situatie, zo na te zingen.
En bij de profeten is dat niet anders.
Maar dat eeuwigheidskarakter bereikt de Schrift toch het duidelijkst in de openbaring van Jezus Christus. Hij is het eeuwige Woord van God. Hij is dat vooral in zijn zelfotTerande aan het kruis. Maar ook bij zijn spreken, in de bergrede bijvoorbeeld, krijg je telkens de indruk: hé, hier is Iemand aan het woord die niet maar zijn tijd kent doch de tijden overziet. En het meest vertikale boek van de hele bijbel vind ik het evangelie naar Johannes' beschrijving.
Maar na de hemelvaart van de Here krijg je met uitspraken van de apostelen te maken die weliswaar helemaal van de Geest des Heren doorademd zijn maar toch niet automatisch in dat eeuwigheidskarakter delen. Tijd, plaats en situatie beginnen dan weer hun rechten op te eisen en gaan de reikwijdte van de gegeven voorschriften bepalen. De vertikale lijn die bij de Here Jezus zo frappeert, wordt weer horizontaal of enigszins horizontaal. Nu kan ik niet op een briefje geven welke uitspraken of regelingen in de bijbel, en in het Nieuwe Testament in het bijzonder, meer historisch en welke meer eeuwig zijn (zo eenvoudig ligt het niet), maar we moeten door de hele bijbel heen met de mogelijkheid van het een of het andere rekenen. En het is dan de wijsheid die uitmaakt wat een historisch bepaald woord van de Schrift voor ons in het heden nog te zeggen heeft. Terwijl het biblicistisch of fundamentalistisch zou zijn dat historische karakter van zo'n woord te miskennen en het gewoon van die vroegere tijd naar vandaag toe over te planten. Dat gebeurt dan vooral met de voorschriften van het Nieuwe Testament.
Begrijpelijk, omdat dat het meeste eeuwigheidskarakter heeft. Maar toch niet juist. Men laat dan de hele bewegende lijn van de bijbel in z'n nieuwtestamentische eindfase van film tot foto verstijven, zoals ik me in een van de vorige artikelen uitdrukte. De beweging van de film loopt evenwel door.
Mozes, David en Jezus
Dat het Oude en het Nieuwe Testament wat hun historisch karakter betreft verregaand op één lijn staan kan ik duidelijk maken met behulp van een aardig voorbeeld. Dat betreft de houding van de gemeente tegenover het overheidsgezag. In het begin van de weg van de kerk door de geschiedenis, In de dagen van het Nieuwe Testament dus, had de gemeente genoeg aan het apostolisch voorschrift van Rom.
13 : 1: "Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden die boven hem staan". Deze regel volstond, omdat de overheid voor de gemeente een 'zij' was en niet een 'wij'; de christenen droegen in het algemeen toen nog geen politieke verantwoordelijkheid, in die zin dat zij ambten bekleedden. Toen echter vanaf Konstantijn de Grote de situatie zich wijzigde en er een christenkeizer aan het roer kwam en de gelovigen in overheidsambten benoemd begonnen te worden, kon natuurlijk de verhouding tot de overheid niet langer afgedaan worden met de eis tot gehoorzaamheid.
De kerk stond nu immers ook aan de andere kant van de gezagsstreep en zou met dit woord dus gehoorzaamheid aan zichzelf vragen. Dat zou, als er niet meer gebeurde, niets minder dan onethisch zijn. Nee, er moest nu geregeerd worden, wetten gemaakt, strukturen bedacht. Daarvoor evenwel vond men niets of bijna niets in het Nieuwe Testament. En zo zie je dan ook dat in de bezinning op deze zaken gaandeweg meer naar het Oude Testament gegrepen werd, naar de tijd van Mozes en David. Logisch, want toen was het overheidsapparaat ook een 'wij' -aangelegenheid voor Gods volk.
De betrokken vraag werd: hoe losten zij in hun dagen de moeilijkheden op? Nee, men ging een Mozes of een David niet biblicistisch of fundamentalistisch kopiëren, maar de wijze bezinning werd door hun voorbeelden machtig bevrucht.
Zo is dat in het verleden, in de hoge Middeleeuwen bijvoorbeeld, gegaan.
Nu, in onze post-christelijke tijd, lijkt het wel eens of aan die rechtstreekse betrokkenheid van de gemeente bij het politieke gebeuren een einde gekomen is (al moeten we met zulke vaststellingen erg voorzichtig zijn; nog altijd staan er christenen op zeer hoge posten!) en voelt de kerk zich opnieuw in de situatie van Romeinen 13 geplaatst, soms zelfs in die van Openbaringen 13.
In ieder geval is de behoefte om zich op Mozes of David te oriënteren afgenomen.
En, eigenaardig, hoog boven deze diep ingrijpende wisseling uit torent het woord van de Heiland: Geef dan de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is (Matt. 22 : 21), een woord dat beide situaties dekt, een woord verder van een opmerkelijke openheid naar steeds nieuwe ontwikkelingen in de verhouding tussen kerk en staat. Je ziet hier duidelijk voor ogen dat het woord van de Here Jezus verder reikt dan dat van Mozes of Paulus, al hebben ook die in hun dagen de raad Gods gediend (Hand. 13 : 36) en de wil Gods vertolkt. Maar hun spreken is meer historisch bepaald geweest. Om hun woorden voor nu te gebruiken is de gave des onderscheids zeer gewenst.
Inzicht en begrip
En hier zijn we weer terug bij het inzicht of de wijsheid, waaraan ik zo'n beheersende rol toeken in het gebruik van de Schrift. Een te beslissende rol? Ik denk 392 van niet. Ik voel me daarmee tenminste helemaal niet als iemand die alles van de Schrift relativeert of subjektief maakt. Ik probeer alleen maar onder woorden te brengen wat we eigenlijk doen als we de bijbel toepassen op vragen van geloof en leven. En mijn bedoeling daarmee is ons gebruik van de bijbel aan de willekeur te onttrekken en enigszins kontroleerbaar te maken.
Enigszins, want ik weet ook wel dat het eigenlijke van de Schrift zich boven onze wijsheid uit in een onmiddellijk gezag aan ons opdringt. Toch moeten we met dit laatste ook weer niet te gauw aankomen. Want de apostel Paulus brengt zijn inzicht verrassenderwijs ook ter sprake wanneer hij het over de centrale inhoud van de Schrift heeft. Immers, over hetgeheimenis van Christus sprekende schrijft hij aan de Efeziërs: "Daarnaar (waarmee' hij verwijst naar zijn voorafgaande uiteenzetting) kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus ..."(3 : 4). Het lijkt ons al een afzwakking als hij, in plaats van over dat geheimenis zèlf te schrijven, het slechts heeft over zijn inzicht daarin.
En deze indruk van afzwakking wordt alleen maar versterkt als hij dan ook nog zegt dat de gemeente zich van dat inzicht een begrip kan vormen. Is de gemeente nu echt gebaat bij zoiets indirekts als het begrip van het inzicht van Paulus in het geheimenis van Christus?
Staat hier niet teveel 'verstand' tussen Christus en de gemeente in? Toch niet.
Het is geweldig wat hier staat! Paulus betrekt ons als meedenkers en gesprekspartners bij het meest eigenlijke van wat hij te boodschappen heeft.
Konkreet wil dat zeggen dat een boek schrijven over de theologie van Paulus, zoals professor Herman Ridderbos dat gedaan heeft, zonder meer geoorloofd is en niet als een gebrek aan eerbied voor de schriftinspiratie behoeft te worden uitgelegd, zoals in onze kringen wel gedaan is. De auteur deed immers niets anders dan zich een begrip vormen van het inzicht van Paulus in het geheimenis van Christus. Dat mag. Er is van de Bijbel veel meer bespreekbaar dan wij denken.
Alleen een onhistorische inspiratieleer kan menen daar een stokje voor te mogen steken. Terwijl tegelijkertijd boven die bespreekbaarheid uit en daar dwars doorheen de bijbel tot ons spreekt op een wijze die ons niet alleen de schellen van de ogen maar ook de schoenen van de voeten rukt. Van bespreken is dan geen sprake meer; alleen de aanbidding blijft over.
Eenvoudig lezen?
Bepleit ik nu een nieuw schriftlezen? Ik ben het me niet bewust. Ik ben alleen bezig te nuanceren en de gebruiksaanwijzingen die in de Bijbel zelf verstrooid liggen zorgvuldig op te zamelen. En dankbaar stel ik vast dat het meeste daarvan door de kerk op haar weg door de geschiedenis spontaan gezien is. De wijsheid heeft gelukkig niet ontbroken al heeft ze niet overal geheerst. Aan ons nu de taak om voor deze tijd de bijbel met wijsheid te lezen, met een afgebeden en geschonken intuïtie voor wat daarin eeuwig èn tijdelijk is, altijd geldig èn onder bepaalde omstandigheden van kracht. Daarbij moeten we voorzichtig zijn met het adagium van 'eenvoudig lezen'. Dat is voor het meest eigenlijke van de bijbelse boodschap wel een goed advies, maar niet als het erom gaat in bijkomstige zaken de wil van God te vinden. Ds A. J. Moggré geeft aan zijn boek 'Adam eerst...', waarin hij het heeft over de positie van de vrouw in de gemeente, een 'Ten Geleide' mee dat alleen maar bestaat uit een schriftaanhaling: I Tim. 2: 8-14.
Niet in de zin van: en daar gaan we het nu in het boek over hebben, maar integendeel: En daarmee basta!, zou er onder kunnen staan. Dat kan niet, vind ik.
Begrijp me goed, ik spreek me hiermee niet uit over de uitleg die in deze studie van de betreffende teksten geboden wordt. Die uitleg is serieus. Maar het probleem bij teksten als deze is niet in de eerste plaats de uitleg maar de toepassing.
En over dat probleem van de toepassing wordt in genoemd 'Ten Geleide' heengelopen.
Dat gaat niet, is mijn mening, dat is te 'eenvoudig'. Je werkt dan mee aan een sfeer die over zo'n onderwerp geen gesprek meer toelaat en je maakt dat de Schrift als regel voor geloof en leven schromelijk overvraagd wordt. Daartegenover zie ik mijzelf met mijn pleidooi voor een meer historisch lezen van de bijbel als een bedrijvig eendje dat ijverig rondzwemt in het kleiner wordende wak van de diskussie om dat tegen algeheel dichtvriezen te vrijwaren.