Pastorale Notities
1988-12-23
Immanuël- Jaargang 32
- nummer 48
Dit jaar hoop ik met kerst met mijn vrouw gewoon in de kerk te zitten. De meeste dominees zijn als het even kan in hun eigen gemeente. De reserves kunnen in de dug-out blijven. Dat is natuurlijk een hele verlichting.
De dag voor Kerst blijft voor veel predikers de zwaarste van het jaar.
Dan beleven ze Jesaja 40, het begin: "iemand zegt: Roep! En de vraag klinkt: wat zal ik roepen?" Dat is dan hun vraag.
Daar zit ik dus dit jaar niet mee.
Ik zit in de bank en vraag: wat zal ik horen?
Heerlijk rustig.
Hoewel, ik mis het ook heel erg.
Sinds de dagen zijn gaan donkeren ontstaan er alsmaar stukjes Kerstpreek in mijn hoofd.
Zo werkt dat soms bij mij. Daar doe je niets tegen. Stukjes preek groeien van binnenuit en je weet zelf niet hoe.
Wat is er eigenlijk zo moeilijk aan kerstmis?
Zou het kunnen zijn dat het te veel is?
Van prof. K. Schilder is de stelling bewaard dat de moeilijkste preektekst Johannes 3 : 16 is: " Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft".
Het lijkt zo eenvoudig, maar het is teveel. Er is alles mee gezegd. Waar begin je en waar hou je op?
En denk eens aan de naam Immanuël. Daar zit toch ook het hele kerstevangelie in: Met ons is God.
Ik ken geen tweede bijbelwoord dat zo door de geest van de tijd heen breekt als dit. Iemand vergeleek de mensheid van nu met een gezelschap dat op weg is in een toeringcar, maar iemand heeft het luik naar boven dichtgeschoven. Er is alleen uitzicht opzij.
Mensen zien alleen mensen. We zijn volstrekt onder elkaar.
En wanneer God er niet is zijn we ook alles voor elkaar.
Op elkaar aangewezen.
In menselijke relaties komt de band nu onder enorme druk te staan.
Daarom breekt de band ook als de ander faalt.
De band is niet meer bestand tegen de fouten van de ander.
Maar Immanuël, God met ons, dat maakt alles anders.
Er is iemand ingestapt.
Niet van opzij, bij een halte, maar van boven.
" Toen de zonde in de wereld gekomen was heeft de Zoon gezegd: Nu ga ik ook" (Noordmans).
We zijn niet langer onder elkaar.
De communist Koejemans kwam tijdens de bezetting in een kerstnachtdienst en hoorde het oude lied: ,,0 Heer Jesu, God en mense... " Het is het begin geweest van zijn bekering tot God.
Niet langer alles voor elkaar. Wel veel, heel veel, maar niet alles.
Een goede vriend vertelde dat hij eens tot zijn vrouw had gezegd: Ik ben je God niet.
Zo is dat.
Dat hoeft ook niet.
God is zelf met ons.
" God is met ons des avonds en des morgens, is zeker met ons elke nieuwe dag". (Dietrich Bonhoeffer, Gez. 398)