Boekbespreking

1988-12-23
  • Jaargang 32
  • nummer 48
Dr J. Verkuyl, Ds J. M. Snoek, Intern beraad in verband met de relatie tussen Kerk en Israël.
J. H. Kok, Kampen 1988

In Trouw van zaterdag 10 december j.l. werd een onderzoek naar anti-joodse beelvorming in kinderbijbels besproken. Tot die anti-joodse beeldvorming zou - je gelooft haast niet dat het er staat - ook behoren het gebruik dat van het Oude Testament gemaakt wordt om aan te tonen dat Jezus de ware messias is. Deze enormiteit was voor mijjuist voldoende om mij ertoe te brengen nu eindelijk toch maar eens het mooie boek te bespreken van prof. dr J. Verkuyl en ds J. M. Snoek 'Intern beraad in verband met de relatie tussen Kerk en Israël', zoals ik me al eerder voorgenomen had. Ik had het boek na lezing, in het voorjaar al, een tijdje weggelegd omdat ik het er zo verschrikkelijk mee eens was, vooral met de bijdragen van professor Verkuyl. Bang voor mijn eigen enthousiasme had ik mezelf een procesje van rijping opgelegd.
Maar ik kan het niet helpen: na herlezing komt de vreugde weer met krachtige golven naar boven. Wat fijn, deze gezaghebbende stem die liefdevol naar beide kanten opkomt voor de christelijke identiteit in het gesprek tussen kerk en synagoge!

De twee auteurs van het boek hebben elkaar op veel belangrijke punten gevonden, zodat de band van het boek die hen tesamen houdt geen knellende is.
Toch verschillen ze ook weer aanzienlijk, vooral in spiritualiteit. De toon bij Snoek is vooral die van: wees jezelf, kerk! (p. 114), terwijl Verkuyl meer een belijder is die zich met het evangelie ook naar de Joden toe een schuldenaar weet. Ds Snoek valt met zijn pleidooi voor meer evenwichtigheid nog niet uit de hedendaagse toon, maar prof. Verkuyl heeft de moed zich uitermate kwetsbaar op te stellen, wanneer hij (bijvoorbeeld) schrijft: "Van zijn (Christus') reddende genade mogen wij allen leven, joden en niet-joden. En wie leeft van zijn reddende genade weet zich naar het woord van Paulus'een schuldenaar van Joden en Grieken' om bij ieder Jezus Christus aan te bevelen als degene die ons met God verzoent en wiens genade wij allen van hartslag tot hartslag nodig hebben om tot een nieuw leven te komen. Daarom kunnen en mogen christenen over hem niet zwijgen"
(p. 82). Het is wel terecht dat beide auteurs hun bijdragen afzonderlijk ondertekenen, al is het fijn dat ze het hier en daar ook gezamenlijk kunnen doen.

Als ik voor professor Verkuyl het woord 'kwetsbaar' gebruik, denk ik trouwens niet aan de synagoge en haar vijandschap tegen het evangelie. Het pijnlijke is vandaag dat je juist van je medechristenen de wind van voren kunt krijgen, wanneer je in het gesprek met de Joden van je Heiland wilt getuigen.
Dat is weliswaar goed te begrijpen wanneer je let op het belaste verleden dat op de kerk drukt, maar vooral professor Verkuyl is terecht van mening dat de beschaming daarover niet zover mag gaan datje je Joodse medemens het ene nodige onthoudt. Dit boek is dan ook geschreven om de christelijke kerk, zonder te verdoezelen wat gebeurd is en zonder te overdrijven wat verzuimd is, over haar diepe identiteitskrisis in haar verhouding tot Israël heen te helpen.
Vandaar ook dat in de titel sprake is van 'intern beraad'; de kerk moet met zich zelf klaar komen en daar willen beide auteurs hun bijdrage aan leveren. Een veelheid van onderwerpen wordt aangesneden: natuurlijk Romeinen 9-11, dan de geschiedenis, ook die van de tweede wereldoorlog, vervolgens het gevoelige onderwerp jodenzending', voorts het gesprek over de Schriften, wie is Jezus?, de belijdenis van Gods drieëenheid, de belofte van het land, het politieke zionisme en de Palestijnse kwestie, om het maar bij het belangrijkste te laten. De behandeling van dit alles moet wel beknopt zijn want er zijn maar 134 pagina's. Toch worden er in het kort heel wat mooie en bruikbare dingen gezegd. Wat het boek ook zeer waardevol maakt is dat op het eind een beschrijvende oriëntatie in de literatuur over de verschillende onderwerpen wordt geboden. En een verklarende woordenlijst besluit het geheel.

Opvallend is dat bij alle belijndheid van het boek de oekumenische openheid naar de Joden toe niet verloren gaat.
Ook professor Verkuyl beklemtoont dat er heden ten dage een unieke situatie in ontstaan waarin christenen en Joden in (de mogelijkheid van) een vrij en ongedwongen gesprek zijn gekomen en waarbij rabbijnen op een gereformeerde synode vragen kunnen stellen over het christelijk geloof. Hij staat daar positief tegenover, ook al zet hij overigens de christelijke puntjes nog zo op de i. Geen sprake van dus dat er gepleit wordt voor een egelstelling van de kerk naar Israël toe. Ik denk dat wij van de kleine gereformeerde kerken, die nogal handig zijn in het sluiten van deuren, hier goed naar moeten luisteren. Enig idealisme is Verkuyl trouwens niet vreemd als hij in dit verband spreekt van een roeping tot wederzijds getuigenis (p. 42 e.v.). Dat wederzijdse van het getuigenis komt er niet zo uit, vind ik. Trouwens, wat verwacht Verkuyl op dit punt eigenlijk van Joodse zijde? Beleeft de synagoge het getuigtmis naar de christen toe wel als een roeping?

Van een opmerkelijke ingehoudenheid is Verkuyls uitleg van Romeinen 9-11.
Weliswaar gelooft ook hij, zoals de meeste schriftverklaarders vandaag, dat ons een uiteindelijke volksbekering van Israël in het vooruitzicht is gesteld (p. 14 e.v.). Maar dat neemt bij hem niet de vorm aan van twee bedelingen: eerst de volheid der heidenen en dan de volheid van Israël, zoals volgens die twijfelachtige uitleg van Rom. 11 : 26 eigenlijk zou moeten. De nadruk valt bij hem juist op het naast elkaar, alsdan, van joden-christenen en heiden-christenen en het gezamenlijke besef van onafscheidelijke verbondenheid. Maar, zo werp ik tegen, je krijgt dan eigenlijk meer deze voorstelling dat de rest uit Israël die heel de geschiedenis door tot Christus' gemeente wordt toegebracht, op het eind een uitbreiding zal ondergaan tot een behoorlijk groot aantal.
Wel, dat zou kunnen, al wordt ook dat strikt genomen niet beloofd. Ik zelf groei nog steeds in de overtuiging dat de zin 'geheel Israël zal behouden worden' eschatologisch van aard is en dat alle inspanningen om die behoudenis voor ons zichtbaar in de geschiedenis te situeren, vruchteloos zijn. Als wij met de oude berijming van psalm 130 zingen 'Hij maakt op hun gebeden / gans Israël eens vrij / van ongerechtigheiden', dan zoeken we voor dit gebeuren toch ook een plaatsje in de historie? Het gaat dan juist om de voltooiing van de geschiedenis waardoor Gods werk gereed komt: gans Israël, dat is Gods Israël (Gal. 6: 16), dat zijn de stammen des HEREN (Ps. 122: 4), dat zijn de honderdvierenveertig duizend van Openbaring 7. Voor ons is dat de schare die niemand tellen kan; geen mens die dat totaal overziet. God echter kent degenen die de zijnen zijn.
Ik heb ook nog bedacht dat het eigenlijk niet toevallig is (en weer heb ik het oog op professor Verkuyl) dat het een doorknede zendingsman is die zijn stem zo indrukwekkend verheft tegen de verjoodsing van het christelijke geloof. Dat merk je heel duidelijk op p. 99 waar Verkuyl in gesprek is met die christentheologen die het christocentrische voor het toracentrische denken willen inruilen en die een verkiezingsleer in joods-partikularistische zin drijven, en tegen hen zegt: "Wie van de God van Israël een stam-god maakt en van de godsdienst van Israël een stam-godsdienst, tast het hart van de wet en de profeten aan en vergrijpt zich aan de majesteit van de God van Israël, die geen stamgod is, maar de God van alle volkeren en wiens verkiezing zich via zijn omgang met Israël en via Jezus Christus richt tot alle volkeren". Evenwichtig wordt hier recht gedaan aan het bijzondere van Israël en de algemeenheid van Gods heilsbedoeling. Het is eveneens terecht dat Verkuyl van de judaïseringstendenzen een uitdoving vreest van het zendingsvuur dat hem zelf altijd zozeer heeft bezield. Maar met zijn zendingselan wekt Verkuyl ook bij anderen ergenis op, zoals wel gebleken is uit reakties op wat hij over de islam geschreven heeft. De christelijke identiteitskrisis doet zich dan ook niet alleen naar de Joden toe voelen en is daarom ook niet geheel te verklaren uit de Holocaust of de Shoa. Ze komt ten diepste voort uit het losraken van de band met Jezus Christus zelf en een zich weinig aangesproken voelen door zijn verlossing.

Heel mooi en fair tenslotte vind ik het dat professor Verkuyl een lans breekt voor de eigen plaats en het bestaansrecht van de Messias-belijdende Joden (p. 108 ev.). Zij immers zijn het met name die bij de liefderijke omhelzing, die Israël vandaag vanwege de kerk ten deel valt, doodgedrukt dreigen te worden. Aardig is het dat hij de brief aan de Hebreeën aanwijst als aan hen geschreven (p. 112).
Samengevat: van harte aanbevolen!

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief