Grote mannen

1986-08-15
  • Jaargang 30
  • nummer 31
De laatste tijd bracht de krant enkele malen de visie van vooraanstaande Nederlanders, Visies, die een christenmens niet onberoerd kunnen laten. Waarom niet onberoerd? Omdat deze vooraanstaande Nederlanders in gereformeerde kring zijn geboren, gedoopt en opgevoed, maar voor de kerk verloren zijn gegaan. Voor we naar de juiste titel van deze- categorie grijpen kunnen we misschien beter net relaas even aanhoren.

Daar hebben we eerst de oud-minister dr. J. den Uyl. Onlangs zou hij een in interview voor de Ikon-radio kritiek hebben geuit op “christenen, die nogal eens pretenderen de betere helft van de samenleving te zijn”. “In vrijwel alle uitingen van christelijke organisatievormen is dat gedrag heel hinderlijk aanwezig. Daar stuit ik elke dag op, het doordringt de samenleving. De christen voelt zich beter dan de helden. Die uitstraling werkt buitengewoon beklemmend in de samenleving.”
Zo ongeveer zou hij het gezegd hebben en (hoewel hij later enkele correcties aanbracht) zo noteerde de verslaggever zijn woorden. Daargelaten of zijn beschuldigingen waar zijn, kunnen wij zulke uitspraken niet terzijde leggen. De christen heeft de opdracht een zoutend zout te zijn - maar mag van die opdracht geen onderscheiding maken. bat blijft 'waar, ook al zou dr Den Uyl zijn beschuldiginggebruiken als een ontlasting van eigen geweten.

Een tweede vooraanstaande Persoon in onze willekeurige greep is dr J. van. Baal. Eerst regeringsambtenaar in Ned. Oost-Indië, later bestuurder van Bali, Lombok, Medan, werd hij tenslotte gouverneur van Nederlands Nieuw-Guinea. Daar moest hij naar zijn zeggen de Papoea’s “zo snel en zo goed mogelijk de 20e eeuw binnenvoeren. Voor velen was dat een stap van millennia”, duizenden jaren cultuursprong. Ze verloren volgens Van Baal alle gevestigde religieuze overlevering en kregen daar iets voor in de plaats, dat hen niet gelukkig maakte:

"Er is geen erger tirannie dan de tirannie van de deugd. De Papoea's moesten en zouden bekeerd worden, zonder recht op hun portie legitieme zonde, waar volgens mij ieder mens recht opheeft. Ze moesten altijd zingen van de eeuwige vreugde, de tijdelijke was er niet bij. De eigen religie (die der stilte en zucht naar harmonie) werd hen afgenomen en er werd een stuk schuldbesef voor in de plaats' gegeven. "Daardoor zijn er mensen puur door depressie dood gegaan. Wat in het Westen nooit gelukt was: het opbouwen van een “waarlijk christelijke, puriteinse maatschappij" dat moesten die arme wilden wel opbrengen" .

De klanken zijn niet nieuw, misschien wel honderd jaar oud. Maar ze worden nog altijd gehoord. Hier uit de mond van een antropoloog, bewogen door medemenselijkheid en iemand die, geboren in Gereformeerd Scheveningen, zijn christelijk geloof heeft zien wegspoelen in het onverbiddelijke regenklimaat van Nieuw Guinea. "Zo'n hondenleven en dan nog de hel - dat kan helemaal niet".

Eveneens werd dit voorjaar een pagina gewijd aan de aftredende president-directeur van Philips, dr W. Dekker. Hij haalde in 4 jaar tijd Phillips terug uit de lauwerput, waarin deze magnaat dreigde te verzinken.
De letter W. staat voor de naam Wisse en zowel Wisse als Dekker zijn in gereformeerde kringen bekend. Dekker's vader was in touw voor de Christelijk-Nationale Schoolvereniging en voorman van de Antirevolutionairen ter plaatse. Een armoedzaaier die hogerop wilde, het type van de rechtlijnige, ijverige calvinistische doorduwer .. Zijn zoon Wisse mocht het doel bereiken: hij klom langs alle hiërarchische trappen van het wereldbedrijf tot ge top van de piramide. Hij verklaarde: dat hij vroeger zijn vader nooit thuis zag, "alleen op Zondag als we naar de kerk moesten". Zelf drukt hij vaders sporen want: "hij werkt van 's ochtends kwart over acht tot 's avonds elf. Op Zaterdag is hij in principe vrij. Op Zondagmiddag begint hij al weer aan de stukken voor de 'vergadering van de Raad van Bestuur op Maandag".

Hoewel uit het interview niet met zoveel woorden blijkt dat hij het christendom heeft afgeschreven, van de christelijke zondagszede, is hij, kennelijk afgestapt. Kortom: een man om trots op te zijn, wanneer hij zijn prachtige talenten gewillig en met vreugde ten dienste van zijn broeders had geschonken- maar iemand die daar blijkbaar, tijd noch liefde voor kan opbrengen. Glasgow gaf hem een eredoctoraat, Leiden bood hem een bjizondere leerstoel. maar de vraag is: biedt de kerk nog wel kansen aan zulke broeders? Zijn de kerkelijk-sociale verhoudingen in kleine ruimten elastisch genoeg voor armoedzaaiers en voor industriële topfiguren, ja die beide?

Enkele jaren geleden werd een gesprek gepubliceerd met minister Mr J. de Ruiter, toen van Justitie; laatstelijk van Defensie, Hij bleek een gereformeerd student geweest te zijn tijdens de vrijmaking, strijdlustig en wel, bereid aan te tonen dat. er maar één echte ware kerk bestond, die lichtelijk te herkennen was. Totdat hij op een ogenblik ging begrijpen dat dit idee toch al te dol moest zijn, dat men elkaar zo iets niet met droge 'Ogen kan verkopen. En daar ging zijn vertrouwen in de vrijmaking, in de kerkleiders, in de kerkpolitiek, in de kerk.

We behoeven niet te concluderen dat De Ruiter het geloof in Christus' genoegzame lijden verloven heeft. Maar we moeten wel vaststellen, dat de vrijgemaakte kerken, de Nederlands Gereformeerde incluis, hem kwijt zijn. Er bleef geen plaats voor hem tussen de broeders. Na deze vier namen denk ik aan de velen,die u zelf bent tegengekomen: "van huis uit gereformeerd", maar wel het huis uit. Mensen die het "in de wereld" ver brachten, verder dachten dan de kerkelijke kolommen, meet in hun mars hadden dan de gemiddelde, kerkganger kan waarderen, en hoger op de maatschappelijke ladder klommen dan hun broeders konden beogen. En die in een eenzaamheid kwamen te staan, waar ze niet meer door liefhebbend waarschuwende broeders aan de mouw konden worden getrokken. Ook ik trof, bij de instelling die ik 47 jaar gediend heb, verscheidene collega's aan, zelfs die maatschappelijk heel wat hoger geklommen waren dan ik, maar die het contact met de gereformeerde kerken volledig waren kwijt geraakt.

We kunnen vragen: hebben zij zich te goed geacht voor het kleine kerkje, of zijn ze door het kleine kerkje op een afstand gehouden? Maar een ding lijkt toch duidelijk: zich te goed achten voor het milieu, waarin men is geboren, gedoopt en opgevoed, is nooit een kenmerk van grote mannen geweest. Er zijn onder de vooraanstaande Nederlanders maar heel weinige die hun afkomst uit kleinburgerlijk milieu verloochenden; vele zijn daar trots op. En er is geen enkele reden voor mensen, die het in de wereld ver brachten, om neer te zien op een kerkje dat hun geestelijke voedingsbodem en moedermelk bood.

De vragen komen dus terug bij onszelf. Zijn wij kerkmensen gesteld op "grote mannen"? Aanvaarden wij ze als broeders, als lieden voor wie Christus aan het kruis heeft gehangen? Of zoeken wij een beschut kringetje van gelijkdenkenden, die scherpe grenzen aan hun gemeenschappelijk denken stellen en die alle verdergaande filosofie bij voorbaat in de ban doen?

Onlangs heeft Gereformeerd Nederland een groot denker als dr K. J. Popma door de dood verloren. Maar die kerken hadden hem al eerder verloren: nadat hij zich publiekelijk bij onze groep had aangesloten, is het hem onmogelijk gebleken in deze keus te volharden. Was het klimaat hem te benauwd? Was de vreze des Heeren gemengd met mensenvrees? Was ons sociale klimaat niet ingesteld op mensen, die er ver uit sprongen?

Ik weet het niet. Maar de vragen mogen ons aan het denken zetten. In de Schrift komen we tal van grote mannen tegen, die, mannen Gods bleven al sprongen ze ver boven het gemiddelde uit. Ik denk aan David, koning over het ongedeelde Israël, die zich niet te goed achtte om met het "gemene volk" voor Gods ark te dansen.
Ik denk aan Salomo, die wereld vorst, die bij voorbaat al nederig vergeving 'voor zijn volk vroeg, indien zich dat in de toekomst mocht misgaan. Ik denk aan Job, schatrijk hereboer, die zijn kinderen voor Gods troon bracht voorgeval ze Hem zouden dreigen te verlaten, en die weldeed aan weduwen en wezen. Ik denk aan J0zef van Arimathea, achtbaar raadsheer volgens de Bijbel; invloedrijk tinhandelaar die met eigen vloot op Engeland voer, zegt de overlevering; maar niet te goed om de versmade Heiland in zijn tuin te begraven. En natuurlijk denk ik aan Mozes, geadopteerd als Egyptisch prins, mogelijk troonopvolger; die zich één verklaarde met zijn slavenvolk en de gemeenschap der heiligen hoger achtte dan alle weelde aan Farao's hof. En aan Daniël, de tweede man van een wereldrijk, die de banden met de God van zijn vaderen niet ontgroeid was.

De Bijbel noemt ons vele grote mannen. Ze werden soms aangevochten als Mozes, maar bleven mannen Gods. Ze hielden \ de God van het verbond vast en derhalve het volk des verbonds.
En het volk des verbands, al kon het de grote mannen niet altijd volgen, kon zich niet van hen ontdoen. Want dat mocht niet!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief