Evangelie-prediking aan de joden (2)
1986-09-12
Op het eind van het boekje 'De Zaak Goeree' geeft dr Schoon een behandeling van de bekende teskt: "Zijn bloed (kome) over ons en over onze kinderen" uit Matth. 27 : 25. Hij had dat al eens uitvoeriger gedaan in 'Verkenning en Bezinning', een reeks geschriften over de verhouding van de Kerk en het joodse volk, 16e jrg. nr. 4, 1983; tweede druk 1984..Wat we aan het slot van het onderhavige boekje aantreffen is een verkorte versie daarvan. Het is terecht dat deze omstreden tekst in behandeling genomen wordt, maar de wijze waarop dat hier gebeurt is teleurstellend. Het eindigt ermee dat dat bijbelwoord monddood wordt gemaakt vanuit Romeinen 9-11: "Zou Paulus niet beluisterd mogen worden als een correctie op het woord van Mattheus?" (pg. 127). Hier kunnen we natuurlijk niet mee akkoord gaan. Maar niet alleen vanwege dit resultaat, ook om de gevolgde methode van dr Schoon moeten we zijn tekstbehandeling afwijzen. Hier worden eenvoudige bijbellezers niet mee geholpen.- Jaargang 30
- nummer 35
Die zeggen na het lezen van zijn uitleg volhardend: "Het staat er toch maar ... ", - zoals dr Schoon trouwens zelf al vreest.
Om een bepaalde reden wil ik op de geboden uitleg nader ingaan.
Natuurlijk, ik ben nieuwsgierig naar wat deze' tekst nu werkelijk te zeggen heeft in verband met onze benadering van de Joden, maar daarnaast gaat het me om de Schriftuitleg in het algemeen, die eruit spreekt. Steeds vaker kom ik in gereformeerde publikaties exegetische exercities tegen die aantonen dat het rapport over het Schriftgezag 'God met ons' nog maar het topje is van de vrijzinnige ijsberg die daar komt binnenvaren. De bijbel is bij deze exegese niet langer Heilige Schrift maar een historisch en religieus dokument waarin je stuit op knoeierijen waar ieder eerlijk mens zich vol afschuw vanzou moeten afkeren.
Wat voor problemen van de tekst door deze werkwijze misschien nader tot een oplossing worden gebracht, in ieder geval komt daar een veel groter probleem VOoOinr de plaats, namelijk hoe geschriften van zulk bedenkelijk allooi het ooit tot Heilige Schrift hebben kunnen brengen. Dus mag dit geen verklaren meer genoemd worden,
De lezer oordele zelf over de volgende aanhaling: "Ook wanneer men wil uitgaan van de historische mogelijkheid van de scèné (bedoeld is die van Matth. 27: 25) "moet toch vooral de aandacht gericht worden op de tendens, die Mattheüs in de weergave van het bericht heeft willen leggen.
Want, afgezien van datgene wat historisch precies heeft plaatsgevonden, is het bericht óók in deze bijzondere zin "historisch" te noemen, dat het de weergave inhoudt van de wijze waarop de christelijke gemeente in de tijd van Mattheüs het gebeuren van het jaar 70 heeft ervaren" (pg. 122). Wat staat hier nu eigenlijk?
Toch dit dat de evangelist Mattheüs het gebeuren van het jaar 70 als een straf van God voor helt 'afvallige Israël heeft leren zien 'en dat hij vanuit deze (vermeende) straf heeft teruggekonkludeerd tot Israëls schuld. Dit is van de bijbel een voorstelling van zaken die inderdaad in bijzondere zin 'historisch' is te noemen, ze is zelfs een historie-vervalsing. Wie zal iemand die zo te werk gaat, hij moge dan evangelist zijn en al, nog serieus kunnen nemen?
Hij verdient evenveel afkeuring' en verachting als de vrienden van Job die immers ook .achteraf uit Job's ellende zijn zonde voor God afleidden. '
Dr Schoon komt met deze 'verklaring' in verband met de vraag hoe Mattheüs toch heeft kunnen schrijven dat 'heel het volk' daar voor Pilatus die kreet over Jezus' bloed heeft kunnen uitschreeuwen. Inderdaad is dat een punt dat verklaring behoeft omdat op dat historischeogenblik Slechts een' fraktie van het joodse volk op Gabbatha bijeen is" geweest.
Hoe dit te verduidelijken? Hier mag zeker de veronderstelling te hulp worden geroepen dat de evangelisten de feiten van Jezus' leven in regie hebben genomen, zoals ik dat onlangs in mijn artikel 'Over Mevr. Linnemann overwoog ten aanzien van de tempelreiniging. Maar dan moeten we er wel aan vast houden dat de evangelisten met een zodanige rangschikking aan de feitelijkheid van het gebeuren in de diepste zin des woords volkomen recht hebben gedaan.
Zo zou ten aanzien van de zwaar geladen uitdrukking 'heel het vork' in Matth. 27 : 25 overwogen kunnen worden dat de joodse afwijzing van Jezus voor Pilatus bepaald niet uit de lucht is komen vallen. Dat het integendeel een bezegeling was van de doorsnee-houding , die het volk Israël van toen tegenover de Heiland aangenomen had. "Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen", schrijft de vierde evangelist (Joh. 1: 11).
Mattheüs staat op vele plaatsen van zijn evangelie bij dat verschrikkelijke feit stil. En dit heeft hem het recht gegeven het geroep van de joden voor Pilatus niet als een incident maar als een symptoom te beschrijven: ''heel het volk' sprak zich daarin uit. Uitgezonderd natuurlijk de vele joden die wèl in de Here Jezus hebben ge":' loofd. Dit lijkt mij een betere verklaring dan die van dr Schoon. Een verklaring die het niet moeilijk maakt om aan de verschuldigde eerbied tegenover de bijbelschrijvers vast te blijven houden.
Want werkelijk, dat valt bij dr Schoon niet altijd mee. Wat denkt u bijvoorbeeld hiervan: "Pilatus wordt" (in het evangelie van Mattheüs) "getekend als. een passieve figuur, als een zwakkeling, terwijl hij in de profane geschiedschrijving bekend staat als een bruut en een wreedaard". En dan ter verklaring: "De jonge christelijke gemeente had te lijden onder de vervolging van de romeinse overheid en kon zich niet permitteren deze overheid al te zeer aan te klagen door één van haar dieriaren als hoofdschuldige in het proces van Jezus aan te wijzen" (pg. 118). Moet dit nu werkelijk Schriftverklaring heten? Goed, het verband wijst uit dat dr Schoon hier de mening van anderen aanhaalt ("Er is meermaals op gewezen ... ") Maar waarom weerspreekt hij dit niet? Waarom tellen zulke bijdragen volwaardig mee in het gesprek over de uitleg van de tekst? Lieten de eerste christenen zich nu werkelijk zo leiden door de vrees voor vervolging van 'Overheidswege?
En afgezien daarvan, was die vervolging in de tijd dat Mattheüs schreef niet meer te duchten van joodse dan van romeinse zijde? Het 'is dubbel onzinnig wat hier staat. Sommige verklaringen zeggen meer over de verklaarder dan over dat wat verklaard moet worden . .. Ik voor mij vind de voorstelling helemaal niet zo moeilijk' dat Pilatus, inderdaad overigens bekend als bruut en wreedaard, in het proces tegen de Here Jezus uit z'n rol is gevallen.
Wrede mensen zijn vaak tegelijk ook bijgelovige mensen en raken wanneer ze ook maar uit de verte een zweem van het bovenmenselijke opvangen geheel uit hun doen. En trouwens, wiens gedrag is tegenover de Christus eigenlijk voorspelbaar?
Wat nu de uitleg van de tekst zelf betreft, dr Schoon geeft daar op pg. 119 een goede omschrijving van: "Degenen die de formule in Matth. 27: 25 uitspreken, willen (... ) te kennen geven dat zij bereid zijn de verantwoordelijkheid van Pilatus over te riemen". Of er daarbij "absoluut geen sprake is van zelfvervloeking, zoals hij toevoegt, geloof ik niet. Het vervolg van zijn uitleg, op pg. 122 en verder, laat zien dat Schoon zelf zich niet eens aan deze forse tegenstelling houdt.
Hij vermoedt immers dat Mattheüs de vloek van het jaar 70 in zijn verslag van het proces tegen Jezus ingefrommeld heeft en geeft zo zelf voet aan het 'misbruik' van de tekst dat hij afwijst. Nee, het blijft erbij dat het Israël van toen zich met dit ontzettende woord verantwoordelijk verklaard heeft voor het doodvonnis van Jezus en dat het zich daarmee blootgesteld heeft aan de goddelijke straf daarvoor. Deze beide elementen zitten in de gebruikte spreekwijze opgesloten (zie I Kon, 2:31-33 samen met II Sam. 3: 28, 29).
Tegelijk stellen we vast dat de Almachtige zich niet gehaast heeft de afgeroepen straf over zijn volk te brengen. (Zo formuleer ik het liever dan dr Schoon doet die tot 'twee maal toe cynisch schrijft dat God zich niet specialiseert in het verhoren van vloeken, zle pg, 116 en 126). Hij heeft integendeel over dit Israël een tijdperk van zeer rijke genade laten aanbreken met deze verkondiging van de apostelen: "God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden om u te zegenen, door ieder uwer af te brengen van zijn boosheden" (Hand. 3 : 26). Waar het Nieuwe Testament zich het meest over verbaast is niet dat de joden de Christus van de rondwandeling hebben afgewezen, - in Hem kon men zich immers nog vergissen - maar dat de boodschap van de Opgestane bij hen op ongeloof gestuit is. Daarom geloof ook ik niet dat het goed is het joodse volk voortdurend met die uitroep voor Pilatus' rechterstoel achterna te zitten.
Dat is niet in overeenstemming met de herkansing die Israël van God in de pinkster-bedeling gekregen heeft. Het is wel een ernstig woord, maar de Here God pint ons op zulke dingen die wij zeggen toch niet vast. Hij is een God van liefde en genade.
Toch is ook dit weer anders dan wat dr Schoon schrijft: (De gelovige bijbellezer) "gelooft immers niet in een god, die zich specialiseert in het verhoren van vloeken. Hij gelooft in een God die luistert naar het gebed om vergeving van zijn Zoon aan het kruis" (pg. 126). Dat kun je toch zo niet tegenover elkaar stellen, want wat blijft er over als we de vergeving afwijzen? En als Schoon dan toevoegt en vraagt: "Wat voor luguber godsbeeld houden christenen er op na (... ), wanneer God en zijn wil verbonden worden met wraak en vergelding?", - wel, dan weten we weer waarom we vrijgemaakt zijn. Want daar ging het destijds toch om, of de verbondswraak een werkelijkheid is, ja of nee?
De verbondswraak van Levitikus 26 : 25 en Hebreeën 10 : 26-31, eerst voor de jood en ook voor de niet-jood.
(wordt vervolgd)
Rechtzetting
In het artikel van de vorige week stoorde een hinderlijke fout de lektuur.
De 4e kolom, ruim boven het midden, had een regel dubbel.
Er had moeten staan: "Ik vermag niet in te zien dat deze opdracht naar de joden toe sinds 'Auschwitz' vervallen zou zijn. Nee, het optreden van de Goeree's is stuitend door hun gebrek aan ootmoed en solidariteit met de joden."