"Zij is mijn zuster" (Gen. 26: 7-14)

1986-08-22
  • Jaargang 30
  • nummer 32

De geschiedenis herhaalt zich
Daar staat dan de zoon der -belofte: Izaäk. Geboren en getogen in het land der belofte. En God is hem verschenen om te, bevestigen: JOU heb Ik geroepen.
Maar hij staat wel in Gerar, de stad der Filistijnen. En hij staat er als rechteloze vreemdeling: van mensen heeft hij geen bescherming te verwachten. Daar staat tegenover "Gods verzekering: Ik ben met U - Ik zal u zeggen - Ik zal uw nageslacht al die landen geven.

Als Izaäk - met Rebecca? - de stad doorgaat, houden de mannen van de stad hem aan. Ze vragen: getrouwd? Je vrouw? 't Antwoord is kort: mijn zuster. Want, aldus de verteller hij schrok er voor terug om te zeggen: mijn vrouw. Je hóórt Izaäk denken: de mannen van die plaats mochten mij anders eens doden om Rebecca - want zij is knap om .te zien. Haar schoonheid (24 : 16) had kennelijk niet geleden onder de geboorte van een tweeling.
De geschiedenis herhaalt zichzeggen wij veelbetekenend. Zo vader. zo zoon, Liet Abraham Sara niet zeggen in Egypte: ik ben zijn zuster? En liet hij Abimelech van Gerar niet weten: Sara is mijn zuster? Hij had zelfs bij zijn vertrek uit Haran een blijvende afspraak met Sara gemaakt: dit zal de liefdedienst zijn, die gij mij bewijzen zult: zeg van mij op elke plaats waar wij komen: hij is mijn broeder. En nu horen we dus ook Izaäk zeggen: mijn zuster ...
Welke geschiedenis?
De geschiedenis herhaalt zich. Inderdaad - maar wèlke geschiedenis?
Welke? Deze:
- in Egypte laat (de) Farao Sara naar zijn harem brengen (12 : 15)
- in Gerar laat (de) Abimelech Sara naar zijn paleis .halen (20 : 2).

En Izaäk voorziet, dat hetzelfde lot Rebecca treft: zo goed als Abraham is hij een rechteloze vreemdeling - hij heeft geen verhaal, bij wie ook; laat staan bij een koning. Zo goed als in Egypte is in Gerar de gewoonte: iemands vrouw roven en de echtgenoot vermoorden, Geen haan die daar naar kraait als 't om een vreemdeling, bijwoner gaat. Wat laat God ons hier zien? 'n Abraham, Izaäk, die een steek laten vallen? Het "klein geloof" van de vader der gelovigen en de zoon der belofte? Of de ongerechtigheid der Amodeten"? De maat was nog wel niet vol. Nog niet zo vol als in Sodom en Gomorra, Maar niet vol is nog iets anders 'dan leeg. De opgeschreven wet der oosterse gastvrijheid is, als het om vreemdelingen gaat, blijkbaar scheurpapier.
Net als vader Abraham zal zoon Izaäk zich straks verantwoorden met de gruwelijke wáárheid:: ik mocht anders eens om haar het levén verliezen. Abraham voegde daar nog bij: ik dacht: wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats (20: 11). Dat is de gruwelijke werkelijkheid van een wereld zonder de "vreze' Gods": ieder 'doet wat goed, is in zijn eigen ogen. De gruwel van de' moord is sinds Kaïn zo alledaags geworden en gebleven, dat wij het als vanzelfsprekend ervaren: zulke dingen gebeuren nu eenmaal - 's lands wijs, 's lands "eer" ..
God toornt over deze geschiedenis ...
Wij kijken er nauwelijks van op. Wij kijken ook niet .naar Farao. Abimelech, de mannen van Genar, Nee, we kijken naar Abraham en Izaäk, En we kijken hen er op aan: wat een klein geloof, wat een leugens, nou ja, noodleugens (alsof dat begrip ooit in de Schrift wordt gehanteerd). En we kijken voorbij aan wat in Egypte en Gerar (om over Sodom en Gomorra nog maar niet te spreken) blijkbaar gewoon(te) was: gewelddadigheid als een geaccepteerd feit, moord terwille van een pleziertje, Hoe zou zo'n weduwe zich, voelen? Wie bekommerd zich dáár om?
Inderdaad: de geschiedenis herhaalt zich - en het is een gruwel in Gods ogen. Hij herkent de trekken van satan in de wereld der mensen. Wie zal de wereld daarvan verlossen? 'Het heil wordt bewerkt op onheilige grond...
Wat God laat zien, is een c1oseup van een stukje wereldgeschiedenis op drie verschillende momenten. En het is elke keer hetzelfde treurige, ten hemel schreiende verhaal: er is niemand die goed doet ...
God toornt daarover. De HERE sloeg Farao met zware plagen evenals zijn huis (12: 17). D~ HERE had namelijk' elke moederschoot in Abimelechs huis toegesloten (20: 18) - ondanks de toegegeven onschuld .(20 : 6).
En waar wij naar Abraham en Izaäk kijken,daar spreekt God Abimelech aan: gij zijt een kind des doods, omdat gij die vrouw hebt genomen, want zij is gehuwd. En ook: breng de vrouw van deze man terug, want hij is een profeet; dan zal hij voor u bidden, opdat gij in leven moogt blijven. (20: 3,7 – vgl. Job 42: 8).

…en vervolgt zijn heilsgeschiedenis
God toornt. Maar Abimelech fulmineert tegen Izaäk: hoe heb je kunnen zeggen... wat heb je ons aangedaan? Maar zijn verwijten en verontschuldigingen snijden in, feite geen hout: hij weet dat Izaäk gelijk heeft, als hij zegt: ik mocht anders eens om haar het leven verliezen. Bij "toeval" kwam hij erachter, dat Rebecca Izaäks vrouw is. Maar hij heeft (eventueel via zijn voorganger) zijn les geleerd In Abrahams dagen. Hij waagt het niet, in conflict te komen met de (toornende) God van Izaäk: maar kan hij niet tegen op. Daarom kondigt hij publiek rechtsbescherming af voor Izaäk en Rebecca. En de God van Izaäk? Wat doet Hij? Maakt Hij Izaäk het standje dat wij al in gedachten hadden? Met geen wóórd... Wel maakt Hij zijn eigen woorden waar: vertoef in dit land als een vreemdeling,dan zal Ik met u zijn. En Hij was er: Hij waakte over Izaäk en Rebecca d.i. over de prille aanvangen van de kerk. De rechteloze vrreemdeling en zijn vrouw krijgen rechtsbescherming in een Filistijnse stad. Niemand kan de weg van het heil opbreken, zelfs niet in een wereld van moord en doodslag...
Dan zal Ik met u zijn en u zegenen, zei de HERE. En er, volgt geen reprimande; maar de vermelding hoe God Izaäk zegende, midden in het lood der Filistijnen. Izaäk oog sta in, dat jaar honderdvoudig, want de HERE zegende hem. En die man werd rijk; ja, gaandeweg rijker, totdat hij zéér rijk geworden was... zodat de Filistijnen hem benijdden. Wie kan Hem met succes weerstaan, als Hij de wereld wil 'verlossen' van alledaagse gruwelen als geweld, moord en doodslag? Als Hij de volkeren wil overbrengen uit de macht der duisternis in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde (Col. 1:13; 1 Pt. 2: 9)? God doet, volvoert wàa Hij zegt. God is getrouw: zijn plannen falen niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief