"...zalig de doden..." (Openbaring 14: 12, 13)
1986-08-22
Uit deze tekst zijn heel verkeerde dingen te halen. Zoals er inderdaad hele verkeerde dingen uitgehaald worden. Dat is dan vooral wel, dat een gelovige het na zijn dood direct alleen maar beter krijgt. Iemand, die dood is, zo stelt men het voor, is eigenlijk beter uit dan wie leeft. Je krijgt dan na een overlijden opmerkingen en gezegden als deze: we missen vader of wie ook erg, maar we mogen het hem eigenlijk niet misgunnen, want hij heeft het nu veel beter dan hier. Hij zou niet eens terugwillen.- Jaargang 30
- nummer 32
Zo bezien doet de Here Jezus Lazarus en anderen, die Hij opgewekt heeft, dan eigenlijk iets lelijks aan. Hij heeft ze het betere weer afgepakt. Maar dat is nu iets, waar je net helemaal niets van leest. Zulke opwekkingen worden juist genoemd en beroemd als de grootste blijken van de verlossing, die de Here Jezus geeft. En wat je dáárbij dus ook ziet, dat is dat te leven voor een gelovige beter is dan dood te zijn. Je bent niet sowieso beter uit als je dood bent. Dat is nergens de doorgaande onderwijzing van de Schrift. Oók niet als hier staat: schrijf: zalig de doden, die in de Here sterven van nu aan. Dat maken wij er wel direct van, maar lees het nu maar eens rustig en nauwgezet. Wat je dan direct moet opvallen, dat is dat: van nu aan. Zalig de doden, die in den Here sterven van nu aan. Als dit werkelijk zou gaan over een beter leven dat je direct na je dood krijgt, dan is dat natuurlijk altijd al zo geweest. Ook in het Oude Testament al. Dan kan hier natuurlijk niet staan, dat dat nu dan zo zal worden: van nu aan. Welk moment dat ook is. Neen, dat is dan altijd al zo geweest.
Maar hier wil iets genoemd en onderstreept worden dat nu en vanaf nu geldt. Het wijst op een verandering. Op ietsnNieuws. Lees nú nog maar eens even: dan staat er dus: zalig de doden, die in den Here sterven, die als gelovigen sterven, van nu aan. Die nu nog als gelóvige sterven. Dat heeft als achtergrond dat dat er aldoor minder worden. De meesten sterven langzamerhand als ongelovigen. Die hebben dat van het geloof wel gezien. Waarom wel gezien? Ja, omdat het hun misschien niet zoveel meer zegt. Maar toch ook en vooral wel omdat het zo gevaarlijk wordt te geloven. Dat kan je de dood aandoen. Daar gaat het in deze hoofdstukken, 13 en 14, juist zo over. Over de opkomst van het beest, van de antichrist, met alles wat daarbij hoort. Die hele vijandschap tegen God en zijn Woord en zijn dienst. En in plaats daarvan het grote leven van: God niet meer nodig hebben. Zelf God te zijn en het zelf uit te maken. En er worden geraffineerde systemen uitgevonden om het geloof in God en het leven bij zijn Woord en dienst eruit te knijpen. In hoofdstuk 13:16 stond dat net nog zo te lezen: en het maakt dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd, en dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft.
En hoe het dan gaat, als, de duimschroeven zo aangedraaid worden, dat staat dan even eerder in hoofdstuk 13 zo aangegeven: vs. 6: en het beest opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn Naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen. En hem werd macht gegeven om tegen de heiligen, tegen de gelovigen oorlog te voeren en hen te overwinnen. En kijk, om dan nog als gelovige te leven en allicht daarom ook als gelovige te sterven. Dat is de achtergrond hier. Het kost moeite en het komt er op aan nog gelovige te zijn. Dat betekent op z'n minst weet niet hoeveel mensen tegen je te hebben. En dat wordt aldoor sterker. Dat tekent de Openbaring ook. De héle tijd van het N,T. is wel de tijd van de antichrist en van de vijandschap tegen God te noemen, maar dat groeit steeds verder uit. En in de beschrijving, daarvan is de Openbaring hier al een heel eind gevorderd. 'Dat alles staat .hier in hoofdstuk 13 en 14 al in al zijn verschrikking voor je. Om bang van te worden. Daar hoort ook een Hitler bij. En, een Stalin. Zulke systemen. Daar speelt ook een verdrukkende ontrouwe kerk een rol bij. Want hier wordt gesproken van het beest, maar in 14 : 8 ook van het grote Babylon, en dat is toch wel aanduiding van de ontrouwe verdrukkende en vervolgende kerk. Maar om in die wereld nog gelovig te zijn, gelovig te leven, ja, en daarom misschien ook nog gelovig te sterven.
Maar daarbij valt dan dus ook het woord van het begin van ons stuk, 14: 12: hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden van God en het geloof in Jezus bewaren. Wij lezen dat gauw als een woord van vermaning en aansporing. Het laatste ervoor, in vs. 11,. gaat over mensen, die het beeld en zijn beest aanbidden en het merkteken van zijn naam ontvangen. En dan lezen wij algauw zo verder: hierin blijkt de volharding der heiligen, van de gelovige, ja waarin? nu, dat je het beeld en zijn beest niet aanbidt en het merkteken van zijn naam niet ontvangt.
Het hele verband is echter anders. Hoofdstuk 14 is na de verschrikkingen; die genoemd zijn in, hoofdstuk 13; een voor de gelovigen bemoedigend hoofdstuk. Heel nadrukkelijk, daartegenover. Moet u maar eens zien in hoofdstuk 13 was dus gezegd dat aan allen een merkteken gegeven op rechterhand of voorhoofd. Maar, direct In het begin,van hoofdstuk 14 lees je dan: en ik zag en zie; het Lam stond op de berg Sion en, met Hem 144.000 op wier voorhoofd en zijn naam en de naam van zijn Vader stonden geschreven. Hij geeft ook, een teken! En zo werkt hoofdstuk 14 steeds - vs. 8: Babylon heeft al de volkeren doen drinken van de wijn van haar hartstocht - vs. 10: er is nog een wijn: de wijn, van Gods gramschap, die al zijn vijanden krijgen te drinken. Ongemengd, dus niet, verdund met water. En waar het dan op uit10QP, dat is dat van allen, die het beest van zijn beeld aanbidden wordt gezegd, dat zij, zullen gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van 't Lam. En, vs. 11: en de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt.
Geen rust dag en nacht. Voor allen die meegaan in de vijandschap tegen God en de gelovigen. Ja en wat dan? Hoe zit dan dat laatste stukje van onze tekst in elkaar? Nu dat draait dan ook weer naar de bemoediging toe, ook weer met gebruik van dezelfde woorden. Na de antichrist geeft een teken; de Here Christus geeft ook een merkteken, en: er wordt bedwelmende wijn te drinken gegeven, ze krijgen ook wijn, een andere wijn, komt nu nog: die het beest volgen hebben geen rust, dag en nacht - en de gelovigen? dat zij rusten van hun moeiten. Dat zijn de mensen met rust. Laat men zich niet vergissen. Het zijn niet de mensen, wier leven ten onder gaat en voor wie er niets overblijft.
Maar kijk, hoe zit dat laatste stukje in elkaar: die anderen hebben deelvaan het grote en gevierde leven, ja maar het loopt er op uit dat ze gepijnigd worden in alle eeuwigheden en geen rust hebben, dag en nacht.
En, moet je dan zien wat de volharding van de gelovigen oplevert, om dwars tegen alles in gelovig te zijn en gelovig te blijven, ook al verliezen ze misschien het leven erbij: hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren,hierin is die zichtbaar en ik hoorde een stem uit de, hemel zeggen: schrijf, zalig de doden; die van nu aan in de Here sterven, die nu nog geloven en daarbij allicht dood komen. Die zijn er ellendig aan toe? Die zijn zalig, gelukkig te prijzen, Ja, want wat hebben die: rust. Dat zij rusten van hun werken, want hun werken volgen hen na.
En wat betekent dat dan? Wat zit daar in? Want -wij kennen ook-wel de uitdrukking rusten ten aanzien van doden. Moet je maar eens over een kerkhof lopen. Dat is op zoveel stenen: hier rust... Of: rust zacht. En begraven wordt wel eens omschreven als: te ruste leggen. En dat staat dan bijgelovigen en ongelovigen. Iedereen heeft, zich dat toegeëigend. Maar het wordt hier gezegd van gelovigen. En het geldt ook van gelovigen. Ja van gelovigen, die ook, gelovigen zijn. Die rusten. Ja want wat voor rust is dat? Dat is niet maar stil neerliggen. Zo gezien rust inderdaad elke dode op een kerkhof, Daar is niemand meer druk doende.
Maar rusten dat betekent hier: rusten na volbracht werk. Na werk dat af is. Dat niet in de steek gelaten is en half af is blijven liggen. Hier komt terug dat volharden. hier, blijkt de volharding der heiligen: Dit gaat over mensen, die volhard hebben in het geloof. Bij alle moeite en druk en tegenwerking. Die net zo lang volgehouden hebben als moest. Toch de geboden van God bewaren. Toch blijven bij het geloof in Jezus. Dat Hij het is en dat Hij het heeft. Al zul je erom gedood worden zelfs.
Maar zo staat hier nietmaar rusten, maar: rusten van hun moeiten. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten. Die mensen mogen rusten. Want hun werk is klaar. Juist hèt werk gedaan dat gedaan moest worden. Zoals die mogen rusten, en dat zit er ook een beetje in: gerust mogen zijn. Zit over die mensen maar niet in. Dat ze een ellendig leven hebben gehad -als gelovige en er .misschien zelfs bij dood gekomen zijn. Dat zou je van zo’n leven ook kunnen laten afschrikken. Mensen; wat blijft er zo van mij en mijn leven over. Maar laat je maar niet afschrikken, want terwijl al het andere- uitloopt op, geen enkele rust te hebben, dag noch nacht, neen want, je hebt niets van je werk gedaan, loopt dit uit op zoals, wij dan terecht zeggen: rust na gedane arbeid, Op de graven van al zulke mensen is terecht, te zetten: hier rust, Rust zacht, Rust gerust.
Dat wordt ook nog onderstreept door rhet laatste wat hier gezegd wordt: dus: ja, zegt de Geest, dat zij rusten, van hun moeiten en dan: want hun werken volgen hen na. Ik zei zo net: ze. hebben hun werk gedaan, hun geloofswerk is af. Ze hebben geloofd en zijn er bij gebleven, ondanks .alles.. Maar zulk werk is iets dat niet daarginder ergens achter je blijft liggen. Jij dood in het graf en dat werk dat ligt daar ergens ver weg. Neen, dat werk gaat met je mee en dat blijft bij je. Dat raakt nooit bij je weg en dat raakt nooit verloren. Er is nu vertaald: hun werken volgen hen na. Dat doet toch, nog de raken aan een zekere afstand.
Zoals wij iemand iets kunnen nasturen. Maar dat is toch, dat jij op een gegeven moment daar heel ginder berst, ver weg en dat andere hier nog. Helemaal los van je. Maar er is hier in werkelijkheid heel bijzonder geformuleerd.
Er staat eigenlijk niet: hun werken volgen hen na, maar: hun werken volgen met hen. Je zou goed kunnen vertalen: gaan met hen mee. Die blijven bij hen. Ze blijven er door getekend; er door vergezeld en bepaald. Maar zo liggen zij. in het graf. Midden in hun geloofswerk, midden In bungedane arbeid. Inderdaad - daar middenin te rusten. En dat kan dan natuurlijk ook niet zo blijven. Bij zulk werk dat je gedaan hebt. Bij zo'n karwei dat je afgemaakt hebt. Zo rusten ze, totdat ze uitgerust zijn. En ze opstaan tot het eeuwige leven. En de Here tot zulke knechten van Hem zal zeggen: komt gij getrouwe knechten; beërft het koninkrijk dat U bereid is. Minder niet.
Zo'n dode hebben wij in ons midden, onze emeritus-predikant Klaas Doornbos. Iemand die ook zo met alle moeite de arbeid van het geloof heeft verricht, door smaad en oneer. Maar volhardend. Iemand op wie zijn grafsteen je straks ook wel mag zeggen: hier rust. Totdat hij uitgerust is. Hij ligt dan zometeen tussen vele van zijn gemeenteleden. En wij komen er straks ook eens een keer te liggen. Maar moge het van ons allen ook gelden, dat er dan te- recht opstaat: hier rusten, na gedane arbeid, na het moeitevolle werk van het geloof, moeilijk, maar wel gedaan. Hier rusten. Totdat ze uitgerust zijn.