Rehoboth en het verhaal van de putten (Gen. 26: 15-25)

1986-08-29
  • Jaargang 30
  • nummer 33
"De terugslag van de zegen"
Rehoboth. Naam van menig kerkgebouw en Evangelisatielokaal. Ruimte. Plaats genoeg. De vredemakers ontmoeten vaak twisters op hun weg. Dan is wijken beter dan "kijven" ,en vechten. Tegenover de engheid en vijandschap der tegenstanders betone de Christen ruimhartigheid en vredelievendheid. De vreeze Gods schenkt rust en zekerheid aan het hart, biedt ruimte en vruchtbaarheid aan het leven."

Aldus ds J. P. Tazelaar in de Ie druk van de Chr. Encyclopedie, s.v. Zo zal hij dus wel gepreekt hebben over die passage in Gen. 26. Evenmin zou het verbazen, wanneer juist in en na 1886 (het jaar van de Doleantie) heel wat kerkgebouwen en lokalen de naam Rehoboth hebben gekregen. Je kunt je zo'n in hout en steen gegrift beroep op Izaäks houding t.o.v, de Filistijnen best voorstellen. Toch is er m.i. in Gen. 26 meer aan de hand dan een verhaal over Izaäks (vermeende) voorbeeldige vredelievendheid, ruimhartigheid, inschikkelijkheid dan wel (H. Bavinck) zijn onzelfstandigheid, gebrek aan wilskracht en energie. Om te beginnen wordt ons, nadrukkelijk verteld, dat de Filistijnen Izaäk benijdden: Gods zegen over Izaäk roept hun nijd, hun 'afgunst op (26: 14). De vijandschap waarover Paulus spreekt in Ef. 2 : 14 (de tussenmuur die afscheiding maakte) begint zich hier al te manifesteren. Prof. B.Holwerda spreekt terecht over “de terugslag van de zegen". Wie door God gekozen is, zal daarmee moeten leren leven...

Markante namen...
De nijd, de vijandschap gold al de nalatenschap van vader Abrahams voorspoed, merkt Izaäk: al de putten; die de knechten van- zijn vader in de dagen van Zijn vader Abraham gegraven hadden, hadden de Filistijnen dichtgestopt en met aarde gevuld. Een verschroeide aarde politiek (v. Selms), vierkant in strijd met het verbond tussen Abimelechen Abraham (21 : 22-34). Izaäk zelf treft een regelrechte uitwijzing uit Gerar. De zegen van God wordt als een bedreiging ervaren of aangegrepen: gij zijt veel machtiger geworden dan wij. In Egypte zal later diezelfde zegen de farao doen besluiten, zich van het wapen van genocide (volkenmoord) te bedienen... Abimelechs woorden mogen klinken als een (nauwelijks beleefd) verzoek, maar zijn in feite een bevel. Wat later komt ook de legeroverste, generaal Pichol opdraven. En wat generaals te betekenen hebben, begrijpen ook wij: de dreiging van 'bruut geweld - macht als wapen. De dreiging in het verzoek is duidelijk: Izaäk gaat en vestigt zich verderop, in het dal (wadi?) van Gerar: Zijn eerste werk is de oude putten van Abraham weer te openen: Zijn goed recht als Abrahams erfgenaam. Door de oude namen weer te gebruiken, herinnert hij aan dat recht.
Gods zegen blijkt ook daar: Izaäks knechten graven een put en slaan een welaan: levend (stromend) water. Een kostbare "vondst": een bron die altijd stroomt. Maar ook hier leidt de zegen tot nijd en Izaäk geeft de put de veelzeggende naam Esek (twist) en laat de Flistijnen dit gedenkteken van Gods betwiste zegen.

... aan de heilsweg
Opnieuw graven Izaäks knechten en opnieuw vinden zij water. De geschiedenis herhaalt zich en opnieuw krijgt het gedenkteken van Gods zegen een veelzeggende naam: Sitna,d.i. tegenstand, vijandelijkheid. Die naam kan ons .helpen de tegenstander, satan, niet te vergeten: hij is er van meet af aan bij om Gods heilswerk tegen te staan, te betwisten. Dan breekt Izaäk op: hij verlaat het dal van Gerar, Weer wordt een put gegraven (bittere noodzaak vanwege al zijn vee) en vindt men water: de zegen blijft. Ditmaal wordt hem die niet betwist: hij is nu kennelijk ver genoeg weg Of men ziet in, ,dat tegen de God van Izaäk niet te vechten valt. Weergeeft hij een naam: Rehoboth, want, zei hij: nu heeft de HERE ons ruimte gemaakt, zodat wij vruchtbaar kunnen zijn. Izaäk markeert de heilsweg met namen - hij 'legt 'zo de geschiedenis van Gods daden in het beloofde land vast. Hij ondertekent a.h.v. Gods verbond. Hij beaamt Gods bevel (verkeer als vreemdeling in, dit land) en Godsbelofte (Ik ben niet u; Ik zal u zegenen). Die notitie van geloof ontbreekt nu juist in de psychologische benadering van het geval Izaäk". De een verwijt hem een zwak optreden, de ander spreekt van gebrek aan wilskracht en energie, een derde prijst zijn ruimhartigheid en vredelievendheid. De deur van de willekeur staat wagenwijd open voor wie de "verhalen" in de bijbel laat opgaan in karakterbeschrijvingen. Maar het gaat 'om Gods grote daden èn de reactie daarop, van o.a. filistijnen en van o.a. de vader der gelovigen en de zoon der belofte.


Heilsweg, de weg van het geloof
Izaäk zegt niet, vermoeid van al dat gechicaneer:' ik geef het op, God vraag te veel van mij. Nee, hij gaat letterlijk en figuurlijk in dè voetsporen van vader Abraham naar Berseba, waar hij net als zijn vader (21 : 33 v.) de naam des HEREN aanroept. En daar verschijnt hem de HERE. Niet om hem zijn “gebrek aan wilskracht en energie" te verwijten of hem om zijn "vredelievendheid" te prijzen, maar' om hem een hart onder de riem te :steken. Vrees niet, zegt God - je hoeft niet 'bang te zijn (vgl. 15 : 1). Ook sterkt Hij hem in het geloof door (zoals zo vaak bij Abraham) hem opnieuw te verzekeren: Ik zal u zegenen en uw nageslacht vermenigvuldigen.
Weer: terwille van mijn knecht, Abraham (vgl. 26: 5). God gaf Abraham niet alleen zijn verbond, maar Abraham beaamde dat, ook metterdaad. Izaäks (geloofsantwoord is: het bouw, en van een altaar – publieke proclamatie in Kanaän van de naam des HEREN. Daar spant Izaäk zijn tent en op nieuw wordt een put gegraven (uitgehouwen in de rotsbodem deze keer). Het verhaal van de putten is een ànder verhaal. Het verhaal van Gods herhaalde zegen en betrouwbare zorg waar het gaat om de prille aanvangen van de kerk., Ook het verhaal van de tegenstand van den beginne: nijd en vijandschap vanwege Gods zegen. Het 'hij wèl - wij niet" werd omgebogen tot: wij niet? - dan hij ook niet!" Maar sinds het grote Pinksterfeest gaat het heil, zoals aan Abraham beloofd, naar álle volken: De Geest houdt niet halt bij een grens. Wie daarom nu tegen het heil in is, is tegen de Geest. Zolang de tegenstander rondgaat, kan de haat zich intensiveren. Maar de kerk leeft, in geloof, bij Christus' verzekering: Ik ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief