Tenach, Oude Testament en zending

1986-08-29
  • Jaargang 30
  • nummer 33
Hoe vruchtbaar het kan zijn bepaalde gangbare meningen nog eens opnieuw te bekijken vanuit een zendingstheologische interesse, bleek me onlangs bij 'de bestudering van de. problemen rond de canon, met name de canon van het Oude Testament. Ik wil dat toelichten aan de hand van een bepaald aspekt van de canonproblematiek: de indeling van de boeken van het Oude Testament. Het wordt hoe langer hoe meer als een vaststaand dogma aangenomen dat ons Oude Testament verkeerd in elkaar zit. Eigenlijk zouden de boeken van het Oude Testament moeten worden gerangschikt volgens de volgorde van de hebreeuwse canon, zeg: de joodse bijbel.

Eerst zouden de vijf boeken van Mozes - de Wet - een plaats moeten hebben, om gevolgd te worden door vroege en late profeten, om dan af te sluiten met de geschriften, Met een rabbijns kunstwoord spreekt men dan van' Tenach, In ons Oude Testament wordt de rangschikking van de Griekse vertaling van het Oude Testament uit de tweede eeuw voor Christus gevolgd, die van de zgn. Septuagint. Alleen zijn in de dagen van de Reformatie de apokriefe boeken verwijderd die tot dan toe via latijnse vertalingen van de Septuagint een plaats hadden gekregen in de bijbel, zoals tot nu toe nog het geval is in roomse bijbelvertalingen.
Men zegt dan: de hebreeuwse canon is normatief, en eigenlijk zouden we daar naar moeten terugkeren. Deze stelling wordt verdedigd door voorstanders van een joods lezen van de gehele bijbel volgens de principes ontwikkeld in het joodse leerhuis in zijn rabijnse gestalte.
Maar ook onder orthodox-gereformeerden wordt toch algemeen aanvaard dat die Hebreeuwse canonindeling normatief behoort te zijn. Nu laat ik de zaak van het joodse lezen van de bijbel hier maar rusten; daar wordt in ons blad al genoeg deskundige voorlichting over gegeven.
Wel zou ik hier de aandacht willen geven aan de ook onder ons langzamerhand gangbare gedachte dat we eigenlijk opgescheept zitten met een foute rangschikking van de boeken van het Oude Testament. Want eerlijk gezegd lijkt me dit een onhoudbare stelling. En hier is ook een zendingabelang mee gediend, om deze stelling 'te weerleggen. Gezegd wordt dat de houding van Jezus hier van doorslaggevend belang moet worden geacht.
Jezus kende en aanvaardde de hebreeuwse canon met zijn driedeling van Wet, Profeten en Geschriften, vaak aangeduid met 'Psalmen'. Matth. 23: 35 zou dit ondersteunen. Jezus verwijst hier naar twee moorden gepleegd in Israël, .een gekozen uit het boek Genesis, de moordop de rechtvaardige Abel, de ander uit het boek Kronieken, die op Zacharia in het tempelcomplex. Betekent dit niet dat voor Jezus Kronieken het laatste boek van de bijbel was? Derhalve moet Hij wel de Tenach-indeling gekend en aanvaard hebben. Nu wordt hier wel erg veel aangenomen, waar de tekst zelf niets over zegt. Maar ik vraag me toch af of dit wel relevant is in het anti-Farizeese betoog van Jezus.' Hij kiest niet een voorbeeld uit het eerste en een uit het laatste bijbelboek nee, Hij kiest twee zeer relevante voorbeelden die de Farizeeën gegriefd moeten hebben tot diep in hun ziel. De, rechtvaardige Abel werd vermoord, een man die onder de Farizeeën van Jezus' dagen zeer hoog stond aangeschreven; er was een hele literatuur rond Abel verschenen.En dan Zacharia, nota bene in de tempel vermoord. In zijn polemiek met de Farizeeën kiest Jezus met zorgvuldigheid deze twee voorbeelden, En de vraag naar de normativiteit van de hebreeuwse canon wordt hier niet aangeraakt. Deze vraag is totaal buiten de orde hier. We kunnen niets ontlenen aan deze Mattheüs-tekst ter staving van de door ons gewenste canon-indeling.
Dan wordt. nogal eens verwezen naar Luk. 24 : 44 waar Mozes, de Profeten en de Psalmen worden genoemd. Nu wordt het Oude Testament in het Nieuwe Testament op velerlei wijze aangeduid, zodat we aan deze aanduiding in Luk. 24 ook weer niet te veel waarde moeten hechten. Maar ook afgezien daarvan lijkt me de bewijskracht van deze tekst gering. De vraag is of 'de Psalmen' inderdaad voor 'het hele derde deel der Geschriften staat? Dan moet worden aangenomen dat dat gangbaar was in Jezus' dagen. Maar wie Philo of Josephus daar op 'na leest, moet toch tot een. andere conclusie komen. Al kennen zij zeker een driedeling, maar het derde deel zoals wij die kennen uit Tenach, kenden zij nog niet. En dat klopt ook wel, als we bedenken dat Tenach in de vorm waarin wij haar kennen pas een veel latere schepping is van bepaalde toonaangevende rabbijnse tradities. Het is volstrekt onwaarschijnlijk dat Jezus bij 'de Psalmen' in Luk. 24 gedacht zal hebben aan het wel zeer samengestelde derde deel van Tenach. Verder, is het wel waar dat Jezus de hebreeuwse canon normatief heeft geacht?

Er waren, in die dagen meer canons in omloop, op zijn minst die van de Septuagint.
En daar moeten' we toch wel even bij stil staan. Het wordt algemeen aanvaard dat Jezus het Oude Testament in zijn Griekse vertaling heeft gekend en gebruikt. Het Oude Testament wordt in het Nieuwe zeer vaak via de Septuagint geciteerd. Dan zou het toch wel zeer vreemd zijn wanneer alleen de hebreeuwse canon normatief zou zijn geweest voor Jezus en zijn apostelen. De Septuagint had voor hen gezag. Zou de canon-indeling dat dan niet hebben gehad?
Natuurlijk moet dan de vraag naar de plaats van de Apokriefen beantwoord worden.
Duidelijk is dat ook die gekend Zijn geweest. Er komen een aantal duidelijke citaten in het Nieuwe Testament'voor uit de Apokriefen. Et wordt wel beweerd dat er meer dan 100 aanhalingen.
en toespelingen op de Apokriefen in het Nieuwe Testament te vinden zijn. Daargelaten of dat waar is, duidelijk is dat de Apokriefen gekend werden door de kerk in die dagen.
Het is niet een probleem dat er citaten uit de Apokriefen in de bijbel staan, maar dat er zo bijzonder weinig zijn. Waarschijnlijk hadden de Apokriefen ook toen al minder gewicht dan de andere boeken; en wellicht wilde de kerk de communicatie met de synagoge niet bemoeilijken door te werken met boeken die daar niet werden erkend.

Maar laten we toch vooral niet vergeten dat de Septuagint zeer oude papieren had; zeker niet minder oud dan de hebreeuwse canon. De hebreeuwse canon in haar huidige gestalte is eerder een product van latere rabbijnse ontwikkelingen die volgens bepaalde theologische principes' haar hebben ingedeeld. We moeten niet menen dat de mannen van de Septuagint op eigen houtje maar wat hebben aangerommeld in de Diaspora. De relatie tussen de Diaspora en Jeruzalem, het geestelijke centrum van het Jodendom, was bijzonder hecht. Het is dan ook niet goed denkbaar dat men in Egypte waar de Septuagint tot stand kwam, heeft kunnen en durven en willen' afwijken van wat in Jeruzalem gangbaar was. De Septuagint moet wel autorisatie hebben ontvangen vanuit Jeruzalem, ook wat haar indeling aangaat. Wat ook makkelijk kon, omdat er geen normatieve hebreeuwse canon bestond.
Overigens moeten we de verschillen tussen de verschillende canons in omloop, zeker watomvang aangaat, niet al te groot voorstellen, Duidelijk is wel dat het niet aangaat de Septuagint terzijde te schuiven, alsof die helemaal geen gewicht in de schaal mag leggen. Het tegendeel lijkt me het geval te zijn. Te meer wanneer we bedenken welke theologische principes een rol hebben gespeeld bij de arrangering van de boeken.

De rabbijnen gingen uit van de Wet, die, als een canon in' de canon functioneerde. Alle andere boeken werden vanuit de Wet gelezen en verstaan. Vanuit de wetticistische traditie waarin de rabbijnen stonden, werd de canon geordend. De theologie van gerechtigheid voor God vanuit de werken der Wet stond hierbij centraal. Dan wordt het ook begrijpelijk waarom Kronieken achteraan werd geplaatst. Volgens de wetticistische traditie ging het in deze boeken om Israël in de crisis van na de ballingschap. Israël was bezig haar identiteit te hervinden, en vond die in de Wet. Ze confronteerde zich met haar verleden in de' gestalte van het Davidische koningshuis en de Jerusalemse tempelcultus. En hervond haar identiteit in de gedachte van haar uitverkorenheid door God' gesymboliseerd door de Wet. Daar loopt Tenach op uit: de mens, beter: Israël bezig met zichzelf, verstrikt in wetticisme. Zo is er ook geen enkele openheid naar het Nieuwe Testament toe. Vanuit Tenach is de prediking van het Nieuwe Testament over verlossing door Christus niet alleen overbodig maar ongewenst. Kronieken in haar wetticistische interpretatie sluit de deur voor het Nieuwe Testament en haar prediking. Vanuit zendingsoogpunt kan ik niet anders dan de grootste moeite hebben met een Oude Testament die .mat Kronieken eindigen zou. Ik weet wel dat ook gereformeerde kringen deze Tenachindeling voorstaan. En ik pieker er niet over hen van wetticisme te beschuldigen.
Alleen maar, men heeft het historisch gelijk niet aanzijn kimt, wanneer men vanuit het Nieuwe Testament probeert deze Tenach-indeling te rechtvaardigen. Geheel anders ligt het met, de Septtragin theologie.
Hier is de canon opgezet naar een historisch principe: het verleden komt .aan de orde in de historische boeken, het heden in de wijsheids- en poëtische boeken, de toekomst in die van de profeten. Een parallelle ordering treffen we in het Nieuwe Testament aan. Het gaat om de beweging van schepping naar herschepping, waarbij het Nieuwe Testament aansluit met de beweging van herschepping naar wederherstelling. aller dingen.
Zo komt ook de verbondsgeschiedenis tot haar recht. De Wet wordt gehistoriseerd, wat de beste bescherming is tegen wetticisme.

Daarom meen ik dan ook dat de Septuagint-indeling van de canon - zonder de Apokriefen -de beste is, het meest beantwoordt aan de missionair-universele prediking van het Oude Testament. In dit verband is het zinvol ons te herinneren dat juist in de Diaspora deze canon tot stand kwam. Men was in de Diaspora veel missionairder ingesteld dan in Palestina. Maar betekent dit alles toch eigenlijk niet dat de Apokriefen een plaats behoren te krijgen in onze bijbel? Er wordt wel gezegd dat na Maleachi de openbaring droog stond totdat die weer begon te vloeien met de komst van Johannes de Doper. Dus alle Apokniefe boeken, die in die tussenperiode geschreven zijn, kunnen geen aanspraak maken op Goddelijk gezag, zoals de canonieke boeken. Deze stelling is het eerst gelanceerd door Josephus, Er is uiteraard geen enkel bewijs voor vanuit de Schrift zelf. Bovendien is het nog maar de vraag of er na Maleachi geen boeken meer zijn geschreven die in de canon zijn opgenomen.
We zouden aan Prediker kunnen denken. Maar deze hele constructie is geschapen om bepaalde rabbijnse belangen te dienen waar Josephus een exponent van was. In alle geval, zo komen we niet van de Apokriefen af. De verwijdering van de Apokriefen is een kerkelijke beslissing geweest in de dagen der Reformatie - op de bekende Dordtse synode van 1618/19. Zeker, geleerd door het zelfgetuigenis van de gehele Schrift onder leiding van de Heilige Geest; maar niettemin een kerkelijke beslissing waarbij men heeft aangeknoopt bij al oudere kritiek op de Apokriefen Hieronymus - en gestimuleerd werd door het konnikt met Rome, die de leer van het vagevuur verdedigde met beroep op de Apokriefen. Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht... zo zou men het wel kunnen formuleren.
Opmerkelijk dat men de Apokriefen verwijderde maar de canon-indeling niet wijzigde. Mogen we niet zeggen, dat de belijdenis. van de rechtvaardiging door het geloof alleen de weg' voor een rabbijnse canon-indeling heeft geblokkeerd? Wie de geschiedenis van de groei van de canon bestudeert, wordt getroffen door de vele vragen en problemen, onzekerheden en verlegenheden die er rond de canon zijn.
Des te opvallender is dan de probleemloosheid waarmee de kerk met deze canon leeft, Ze belijdt dat het deze canon is die uit Gods hand heeft ontvangen, zonder dat ze daarmee een wetenschappelijke uitspraak doet over de canon-geschiedenis. De bijlpel in deze canonieke vorm wordt doorgegeven, in alle talen van de wereld, onder de volkeren van Afrika en Azië en elders. Canon-studie dient ter dege een zendingsbelang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief