Het Joods-christelijk denken over de natuur
1986-08-29
Dat de milieucrisis een serieus maatschappelijk probleem is hoeft nauwelijks betoog en dat de natuur in onze industriële samenleving onder zware druk staat evenmin. Toch is de bestudering van de culturele en religieuze wortels van die crisis tot nu toe en zeker in Nederland nog weinig ontwikkeld.- Jaargang 30
- nummer 33
Misschien omdat hier het gevoel overheerste dat er eerst maar eens wat gedaan moest worden. Wellicht ook omdat de prille studies en discussies in die, richting al snel dreigden uit te lopen op een patstelling waarbij ieder z'n vooringenomen standpunten bleef herhalen.
Hoe het ook zij, ik denk dat dit geen gunstige ontwikkeling is geweest. In de eerste plaats niet omdat fundamentele, maatschappelijke problemen aandacht verdienen over de volle breedte van het wetenschappelijk spectrum. Niet alleen waterzuiveraars en ecologen maar ook ethici en theologen zijn nodig om ons verder te brengen. Het is dan ook verheugend om te zien dat in de Angelsaksische landen de afgelopen jaren een tijdschrift tot bloei is gekomen dat Environmental Ethics heet.
In de tweede plaats is het uitblijven van serieuze- discussies in Nederland geen gunstige taak, omdat in gesprekken en media af en toe opvattingen worden geventileerd die nog stammen uit de tijd van de prille discussies, zo'n 10-15 jaar terug en nu m.i. niet meer zijn staande te houden. Daarbij gaat het met name over de rol die de bijbel en de Joods-christelijke traditie spelen en hebben gespeeld als veroorzakers van de huidige milieucrisis.
Zo heeft de Amerikaanse historicus Lynn White in 1967 een geruchtmakend artikel geschreven in het tijdschrift Science, waarin hij de Joods-christelijke arrogantie, het heersen over de natuur, aansprakelijk stelde voor 'de huidige ecologische crisis. Ondanks deze zware kritiek heeft White toch een 'alternative christian view' en hij stelt voor daarvoor aan te knopen bij Franciscus van Assisi, een advies dat b.V. door ds Hans Bouma met verve is opgevolgd. Het artikel van White bleef echter niet onweersproken. In hetzelfde Science schreef Lewis Moncrief in 1970 een stuk waarin hij White een te simpele wijze van argumenteren verweet. Hij wees op meer directe oorzaken voor de huidige milieuproblemen, zoals urbanisatie, toegenomen welvaart en op de daar achterliggende maatschappelijke processen, zoals democratisering, de ontwikkeling van de (technische) wetenschappen en het kapitalisme.
De Joods-christelijke traditie is in zijn ogen slechts één van de vele culturele factoren geweest in dit proces en bovendien vooral indirect werkzaam, b.v. via de door Weber geopperde relatie tussen christendom, calvinisme en kapitalisme. Een andere groep critici stelde zich de vraag of Franciscus van Assisi niet als méér reptesentatief moet worden gezien voor de Joods-christelijke houding' t.o.v. de natuur dan de dominant geachte stroming gebaseerd op arrogantie. Met andere woorden: is die dominante stroming wel zp bijbels?
Auteurs zoals Goudzwaard en Bouma in ons land, T. R. Derr in de Verenigde Staten (in' een rapport voor de, Wereldraad van Kerken) , Schaeffer in Zwitserland en Liedke in Duitsland menen van niet. Zij benadrukken de lijn van het rentmeesterschap en roepen het beeld op van de aarde die ons is toevertrouwd om te beheren, niet om te beheersen. Zij wijz'en daarbij op bijbelgegevens die uitdrukking zijn van, of richtlijnen geven voor een dergelijk zorgvuldig omgaan met de natuur.
Medestanders van White brengen daar tëgen in dat de natuur en de natuurkrachten in de bijbel worden ontgoddelijkt en daarmee principieel voorwerp kunnen worden van manipulatie.
Ook de scheiding mens - overige schepselen brengt ons als mensen in een unieke positie. Dat staat,wij zijn immers beeld van God, toch op z'n zachts gezegd op gespannen voet met de gelijkheidsgedachte, de broederschap met medeschepselen. Wat nu? Doet zich hier eenzelfde verlammende situatie voor als t.a.v. zoveel maatschappelijke vraagstukken: voor- en tegenstanders die zich beide beroepen op de bijbel?
Het is oud-testamenticus Houtman, verbonden aan de V.U., die m.i. met Zijn boekje: 'Wereld en tegenwereld' (1982) de discussie wezenlijk verder heeft gebracht. Houtman wijst erop dat de oudtestamentische Israëliet, die als herder en nomade begon en zich ontwikkelde tot landbouwer, omringd was door tal van gevaren. Roofdieren die een aanslag konden doen op z'n kuddes, doornen en distelen die de 'akkers dreigden te overwoekeren. Z'n houding ten opzichte van 'de" natuur 'was dan ook genuanceerd en bepaald met uniform: zorgvuldig en via wetgeving geregeld, waar het z'n vee en z'n akkers betrof, maar met een mengeling van eerbied en vrees waar het ging om de 'wilde natuur'. Talrijk zijn de bijbelse passages waarin die 'wilde', natuur beeldend wordt beschreven.' Hetzij om de almacht van God, hetzij om Zijn zorg voor deze wereld te tonen, Even talrijk zijn ook de vergelijkingen tussen de verschrikkingen die Israël te wachten staan 'bij ongehoorzaamheid en de angstaanjagendheid van die woeste natuur. Het was voor de toen levende mensen, ook buiten Israël, een ambivalentie die vergelijkbaar is met onze houding, in de Lage, landen, tegen- over de zee. Vrees en hoop vriend en vijand,. bondgenoot èn tegenstander. . Deze pluriforme mens-natuur relatie afdoen met arrogantie jegens de natuur of onder de noemer brengen van 'rentmeesterschap' doet, dus tekort aan de complexheid' die ook toen al wezenlijk was voor de relatie mens-natuur. De natuur, zowel de 'cultuurlijke' als de 'wilde' werd in het· O.T.om tal van redenen en op velerlei wijze gewaardeerd. Ik ben er van overtuigd dat we, op deze wijze lezend, niet alleen, de oudtestamentische gegevens meer recht doen maar dat we er ook nog veel van kunnen leren. Niét, door net te doen alsof wij nog in dezelfde tijd en omstandigheden leven of door de teksten te lezen als passages uit een ecologisch handboek. Integendeel, veeleer door ons af te vragen wat in die tijd, gegeven die, oecologische omstandigheden de bedoelingen van de schrijvers geweest kunnen zijn en door nauwkeurig na te gaan waar en hoe .onze situatie verschalt van die van destijds.
Om te verduidelijken tot wat voor vragen en conclusies we dan, kurnnen komen; enkele voorbeelden, Eén van de belangrijkste constateringen is dan m.i, dat voor een groot deel der -mensheid vandaag de dag niet de natuur maar de techniek een bedreiging is geworden. Het middel waarmee' we de natuur te lijf gingen om zo de bestaanszekerheid te verhogen is zelf naast zegen ook vloek geworden en soms van zegen tot vloek, met de wapentechnologie wel als meest uitgesproken voorbeeld. In Nederland dat nagenoeg geheel bestaat uit 'direct of indirect door de mens beïnvloede ('cultuurlijke') natuur,. koersen we voor het eerst in de historie aan op een constant bevolkingsaantal, Daarom lijkt het me goed te verdedigen dat onze relatie tot die natuur primair gebaseerd moet zijn op de rentmeestergedachte.
Proberen het huidige bestand aan soorten en oecosystemen te handhaven lijkt hiervan een goede uitwerking.
Bic-industrie niet, evenmin als het doen van dierproeven voor cosmetische doeleinden. Tienduizenden guldens uitgegeven voor boomchirurgie en onderwijl de zure regen onvoldoende bestrijden roept bij mij ook vragen op. Kortom, de belangrijkste vraag dient niet te zijn wat kan er nog bij door, rnaar verdragen onze wensen zich met, een goed natuurbeheer? Of een dergelijke benadering
ook uitgangspunt kan zijn voor Eskimo's in hun relatie tot zeehonden, de Brazilianen en hun regenwoud of voor de houtkappende boerin in Opper Volta, lijkt mij echter de vraag.
Natuurlijk,' ik weet ook, dat, klapmutsen doodgeslagen worden voor westers gewin; dat wij menen Braziliaans hardhout nodig te hebben en dat de Afrikaanse bodem verarmt mede omdat armoede de mensen dwingt tot uitputting ervan. Maar ondanks dat, geloof ik dat zowel het groeiend .aantal mensen als inwilliging van hun gerechtvaardigde verlangens - op een menswaardig bestaan mondiaal voorlopig nog tot verlies aan natuur moet leiden. En naar bijbels voorbeeld maakt het daarbij wel degelijk uit met welk doel natuur verdwijnt.
Naar de voorstelling van Habakuk (2 : 11 e.v.) laat 'het bomen niet onverschillig door wie en met welk doel zij gekapt' worden, Met weerzin vervullen zij de functie van steunbalken in het paleis van de wereldheerser en ze zweren met de stenen samen om hem neer te storten en te bedelven. Zou de Peruaanse .ansjovis niet met dezelfde weerzin vervuld zijn, nu zij grotendeels in de magen van Amerikaanse rijkelui's katten terecht komt in plaats van in de Peruaanse mensenmagen?
En zou tropisch hout niet met vreugde dienen all~steunbalk in de sloppenwijken van Rio de Janeiro? Habakuk blijkt uiterst actueel, niet als milieukundige, maar als profeet die ons een spiegel voorhoudt en dwingt tot verantwoording over onze omgang met de: schepping i.c, de natuur.
Tot slot nog dit: Men hoort wel eens beweren dat wij als westerse mens meer moeten kijken naar niet door onze 'beschaving' beïnvloede volkeren, 'waarmee men suggereert dat heidenen, natuurvolken, er doorgaans aardig in slagen in harmonie met de natuur te Ieven. Dat deze suggestie geloofd wordt, blijkt wel uit de regel': maat waarmee de toespraak van het Indianen-opperhoofd Seattle uit het midden van de vorige eeuw ons wordt voorgehouden als 'profetisch' voorbeeld. Nu is het geen kunst om in contrast met de natuur verwoestende en vervuilende westerse mens de Indianen als natuurvrienden af te schilderen. Dat kan, het is reeds eerder vermeld, berusten op tal van andere, historisch gegroeide verschillen.
Er is echter geen enkele evidentie en ook weinig systematisch onderzoek waaruit zou blijken dat in het algemeen voor heidense natuurvolken; zou gelden dat ze milieuvriendelijker zijn dan door het christendom beïnvloede.
Zo staat in China de steeds schaarser wordend Oehoe, nog altijd op het menu, zij het niet officieel, zoals mijn zwager, afgelopen zomer constateerde. Sterker nog, vergelijking tussen het oude Israël en omringende volkeren op het punt van' omgaan met de natuur valt uit in het voordeel van de Israëlieten (the Ecologist vol. 14, no. 3 1984).
En dat ook in het Amerika van vandaag nog: meer mogelijk is vanuit bijbels perspectief bewijzende Amish, de Mennonieten in Pennsylvanië (wie er een indruk van wil krijgen, moet nog eens de schitterende film Witnessgaan zien)..