Boekbespreking
1986-09-19
Gevouwen handen, open ogen door ds P. Groenenberg.- Jaargang 30
- nummer 36
uitg, Oesterbaan & Le Cointre, Goes.
171 blz., prijs ing. f 19,90, geb. f 23,90.
Here, leer ons bidden', we kunnen het de discipelen telkens opnieuw nazeggen (Iruc. 11 : 1). Zij waren in de leer bij Hem, drie jaar lang. Wij niet minder, zij het dan door Zijn Woord en Geest, en gedurende ons hele leven.
Bij dat ‘leren’ wil bovengenoemd boek hulp bieden. De auteur – vrijg. Gereformeerd predikant te Amersfoort – gaf het een moditatief karakter; hij bespreekt daartoe ‘een aantal bijbelgedeelten uit het Nieuwe Testament, waarin direkt of indirekt gezegd wordt, dat we moeten bidden om bepaalde dingen en voor bepaalde zaken en mensen’. De omvang van het boek bracht met zich, dat hij een keus moest maken en zich beperkte tot een 13-tal Schriftgedeelten. Aan de orde komen o.a. onderwerpen als leven in angst, gebedsgenezing, afdwalende kinderen, toekomstverwachtingen, ambtsdienst.
Vrijwel elk hoofdstuk begint met een paragraaf ‘aktualiteit’, waarin we direkt een probleem van deze tijd betrokken worden, soms wel op een iets wat geforceerde manier; daarna volgt onderwijs-uit-de-Schriften. De klemtoon valt in het boek meer op het onderwijzen dan op het meditatieve. Vanuit de per hoofdstuk gekozen Schriftgedeelten gaat de schrijven zijn weg door de Schrift. Uit het register van Bijbelplaatsen (omvang 4 bladzijden!) blijkt wel hoe hij oog heeft voor de Openbaring-als-geheel. Daardoor tracht hij het specifieke van afzonderlijke teksten te doen uitkomen. Zo legt hij bijv. bij Lucas 19: 1-8 (de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter) verband met het gebed om de werderkomst van onze Heer (2 Petr. 3) en bij 1 Joh. 5 : 16 wijst hij op talloze plaatsen waar over het werk van de Heilige Geest en het weerstaan daarvan sprake is.
Op die manier tracht hij bij de eerbied die het gebed vergt: (gevouwen handen) de ogen te openen om uit de Schriften te leren wat en waarom we bidden mogen en ook moeten. Dat laatste krijgt wel een zeer sterk accent.
Graag zou ik het hierbij laten, maar dat zou wel een onvolledige bespreking. Niet zonder schroom ga ik verder, omdat zo gemakkelijk een misverstaan van elkaar ontstaat, zeker als een aantal kritische opmerkingen volgt.
Het lijkt me namelijk (en dat als eerste) dat onze broedere schrijver (onbewust?) vanuit een schema (dogma) de Schriften leest en daarmee zijn lezers aan boord komt. Wat tè zeggen, bijvoorbeeld van de volgende perdccop:
- Eerst stellen we de vraag of bidden wel zin heeft. God weet toch alles? Hij laat zich toch niet verbidden?
God verhoort wel, maar nooit zo, dat die verhoring in strijd komt met wat Hij reeds vóór de grondlegging van de wereld heeft besloten (blz. 8).
Uitspraken als deze komen we herhaaldelijk tegen. Maar heeft hij dan niet gelezen van Abraham (Gen. 18) of Hiskia (Jes. 38) en van onze Heer Jezus Christus (Matth, 26: 39), die ècht· door hun bidden een beroep op de HERE deden om verandering te brengen in wat Hij besloten had? En van Ezra, die tot het volk zegt, dat de HERE zich heeft laten verbidden (8 : 23). Zo staat de Bijbel vól gebeden, die de HERE hoorde en waarop Hij afzag van wat Hij van plan was; zie ook Joël 2 : 14 en Ps. 145 : 19. De bidders waren zich alle wèl bewust van hun afhankelijkheid en smeekten om ontferming. Maar ze durfden dat toch, pleitend op Gods beloften en ze eerden Hem om Zijn genade Itewillen horen op hun hulpgeroep.
Dàt soort onderwijs ontvangt in het boek nauwelijks aandacht, Wel tref je (en dat als tweede opmerking) een aantal andersoortige, (te) forse uitspraken.
Enkele daarvan:
- door het gebed komen de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, 2 Petr. 3 : 13) blz. 12);
- (het gebed van) de gemeente (... ) heeft ook een taak om de komst van de Heiland op de wolken van de hemel te doen aanbreken (blz. 72);
- dat Hij er ook belang bij heeft, dat de dag van zijn komst aanbreekt (blz. 90); - de Here wacht op dat gebed (om zijn wederkomst); wanneer wij daarin laks zijn, kan Hij niet verder en vertragene de dag van de wederkomst (blz, 98);
- die voltooiing komt. Mede door ons. Laten we bidden en werken (blz. 167).
Soms vraag je je onder het lezen af (en dit als derde punt): is dat wel zo? Spreekt de Schrift bijv. in 1 Tim. 2: 1, 2a (ook) over het bidden om bekering van overheidspersonen (blz. 62)?
En zouden we, naar 1 Joh. 5 : 6 wèl mogen bidden om bekering van afgedwaalde kinderen, maar de ouders 'mogen echter niet bidden of de Here de zonden van hun kinderen wil vergeven-
Dan vraag je iets aan de Here wat· Hij niet kan en mag . doen. Dan doe je iets waarvan Johannes zegt: dat kan en mag je niet doen' (blz. 54). Is bekering zonder zondevergeving wel mogelijk? En mogen we die twee wel tegenover elkaar zetten?
Wat nu als algemens conclusie te geven? Ondanks veel goeds, dat het boek geeft, blijft er een te grote reserve bij me om te zeggen: neem het ter hand. Er is m.i, veel lektuur, die beter is.
Ik noem nu zomaar enkele werken: dr J, G. Woelderink "Uit de praktijk der Godzaligheid"
(hoofdstuk VI) eh A. J anse "Van de rechtvaardigen" (hoofdstuk V). Voorts diens brochure "Jonge mensen aangesproken over bidden en bijbellezen" (uitg. Gereformeerd Bchoolblad),
M. de Jonge, Voorburg