Evangelie-prediking aan de Joden (4)

1986-09-26
  • Jaargang 30
  • nummer 37
Voor veel christenen vormt - zo hebben we gezien - de kerkgeschiedenis een beletsel om het evangelie aan de joden te verkondigen.
Gesteld nu dat het vorige artikel die hindernis heeft weggenomen, dan wil dat nog niet zeggen dat voor hen de weg nu vrij ligt om met de boodschap van het heil-in-Christus naar het oude verbondsvolk te gaan. Er zijn nog meer bezwaren die de vrijmoedigheid daartoe onderdrukken.
Is het wel nodig de joden te evangeliseren, hoor je vragen. Met deze vraag kun je dan nog verschillende kanten op. Je kunt aan het verleden (en het heden!) denken en dan overwegen: hebben de joden zo langzamerhand niet zoveel geleden dat ze alleen daardoor al gerechtvaardigd zijn voor God? Je kunt ook op de toekomst letten en dan opwerpen: is hun bij Paulus al niet beloofd dat 'geheel Israël zal zalig worden' en kunnen we dat niet rustig op z'n beloop laten, zonder er een hand voor uit te steken? Op beide vragen willen we in dit laatste artikel ingaan, waarna ik met een impressie af zal sluiten.

De gedachte dat Israël om zijn lijden gerechtvaardigd wordt, leeft onder de joden heel sterk.
Het lied van de Lijdende Knecht des HEREN uit Jesaja 53 waarin wij de Christus ontmoeten, passen zij op zichzelf toe. Israël gaat om zijn lijden temidden van de volken vrij uit.
Diep gaapt hier de kontrovers tussen de kerk en de synagoge.
Toch zijn er vandaag ook christenen die deze visie overnemen.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gesprek dat de heer Andries Knevel in het nummer van 27 september 1985 van Koers met de heren ir J. van der Graaf en dr S. Schoon gevoerd heeft en waarvan op pg. 76-78 van het boekje 'De Zaak Goeree" verslag wordt gedaan. Op gegeven ogenblik zegt Van der 'Graaf in dat gesprek: "Dat betekent dat wij tegen Israël moeten kunnen zeggen: er is onder de hemel geen andere naam tot behoud gegeven dan de naam van Jezus Christus. Hoe de Here God dat belieft uit te werken, laten we aan Hem over".
Schoon reageert daarop met: "Denkt u nu werkelijk dat joden die met de naam van de Eeuwige, de ene God, op de lippen, in het vertrouwen op die God de gaskamers zijn binnen gegaan, van de ene hel in de volgende zijn gevallen?
Iedereen aarzelt daar [a op te zeggen, hoezeer' men ook wil belijden dat alleen Jezus de weg tot zaligheid is. Die aarzeling is heel goed ... "

Ik moet zeggen dat ik deze aarzeling die dl' Schoon algemeen vindt" toch niet herken. Als men mij- vraagt of ik denk dat' ongelovigen, zij mogen jood of niet-jood zijn, verloren gaan, pleeg ik steevast te antwoorden (en Van der Graaf deed dat eigenlijk ook!): daar ga ik niet over. Wat weet ik ervan of misschien ook in de laatste ogenblikken van hun leven de Here Jezus toch hun Redder en Verlosser wordt? Het zou wel eens kunnen zijn dat op deze voor ons verborgen manier 'er veel en veel meer mensen behouden worden dan wij denken en dat wat wij kermen als de belijdende kerk slechts de eersteling van de overgrote oogst is. Maar de voorwaarde voor dit optimistisch perspektief is wèl dat de enige Naam waardoor wij behouden worden, bekend zal \ zijn.

Maar dat terzijde. Volgens dr Schóon is het absurd om aan te nemen dat de joden van de ene hel in de andere vanen. Volgens mij is hier de joodse gedachte dat het lijden rechtvaardigt, volop aanwezig. Laat ik er direkt bij zeggen dat ik het -een zeer aantrekkelijks gedachte vind. Menselijk gesproken: ik wou voor àlle lijdenden (voor joden en niet-joden, bijvoorbeeld ook voor de miljoenen slachtoffers' van Pol Pot) dat ze waar was. Toch houd ik het voor die allen veel liever op het kruisoffer van Golgotha, Alleen dat immel's heeft rechtvaardigende en verzoenende kracht. "Jezus Christus is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld:' (I Johannes 2 : 2).
Maar, zoals gezegd, daarvoor moet zijn gezegende Naam door ons zo bekend mogelijk gemaakt worden, aan [oden en niet-joden. Dat vergt verkondiging, - 'tijdig en ontijdig', zou Paulus zeggen. Er is naar de joden toe wel wat in te halen.

Maar ook nog om een andere reden zijn de christenen van onze tijd traag geworden in het brengen van de Goede Boodschap aan de joden. Een bepaalde Israël-vaste, die zij menen uit de Bijbel te kunnen opmaken, staat hun in de weg.
Opnieuw grijp ik naar het zoeven genoemde interview, waarin dr Schoon (op pg. 79) deze opvatting als volgt verwoordt: "Paulus zegt dat van de joden de aanneming tot kinderen en de verbonden en de beloften zijn. Dat blijft ook zo.
De joden zeggen nee ten aanzien van de Messias, maar ze gaan door op een heel bijzondere weg met God. Aan het eind van die weg zal, zoals Paulus zegt, geheel Israël behouden worden". Dit komt neer op de leer van de twee wegen, de joodse en de christelijke, die allebei naar hetzelfde doel leiden.
Even verder heeft Schoon het dan ook over "het gezamenlijke geloof van joden en christenen in die ene God, de .God van Israël, wiens naam één is.
Uiteindelijk vertrouwen we op de liefde 'en barmhartigheid van die ene God". Twee renbanen, één eindpunt, begunstigd door de grondbelijdenis 'van de synagoge waarop Schoon zinspeelt: 'Hoor Israël, de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is één (zie Dtn. 6 : 4).

Het is duidelijk dat in deze visie geen plaats is voor evangelie-verkondiging aan de joden.
Integendeel, christenen behoren joden aan te sporen zo goed mogelijk jood te zijn en omgekeerd. Wie ondergaat niet de bekoring die van 'deze voorstelling uitgaat? Vooral het be roep op de eenheid van God spreekt in dit verband zeer aan.
De joodse religie Iijkt daarmee een reuzenbijdrage aan de wereld-oekumena te leveren. Ook zelf ben ik daarvan wei onder de indruk geweest. Totdat het me' begon op te vallen dat ook het Nieuwe Testament met die eenheid van God hevig in de weer, is. De synagoge heeft daarop met het alleen-recht. In oppervlakkigheid zou je kunnen denken dat de belijdenis van de goddelijke Drie-eenheid ons chrisbenen zou noodzaken het nadruk leggen op de eenheid van God maar aan de synagoge (en de moskee) over te laten, maar nee, het blijkt dat de onderscheiding in drieën de eenheid van God juist bevestigt en krachtig maakt, (zoals we trouwens bij de zegen van Aäron al merken). Welnu, ik wil tegenover de leer van de twee wegen wijzen op twee plaatsen waar de apostel Paulus de wereldwijde evangelieverkondiging onder het schild van de eenheid Gods plaatst (of: achter de lokomotief van die eenheid zet). De eerste vinden we in I Timotheüs 2: 5: "Want er is één God en ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen". En de andere tekst staat in Romeinen 3: 30: ,Indien er namelijk één God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof", - wat wil zeggen dat het ene geloof in Jezus Christus voor beide kategorieën beslissend is; er is voor joden en christenen maar één weg, die van het christelijk geloof.

Langs deze ene weg 'wordt heel Israël zalig', maar dat is dan' het Israël Gods, waartoe zowel joden als niet-joden door het geloof in Jezus Christus behoren.
Het wordt mij steeds meer duidelijk dat de opvatting die uit de bekende woorden van Paulus over het behoud van heel Israël een pan-israëlitische finale van de wereldgeschiedenis opmaakt, het ongeloof van de joden in het evangelie van Jezus Christus onvoldoende Serieus neemt. Dat blijkt hier bij Schoon, maar dat is mijns inziens ook 'de reden waarom de wereld van de Evangelische Omroep zo' hard over het optreden van de Goeree's gevallen is. Zeker, daarin was een irritatie werkzaam die Ik deel (zie boven), maar daarnaast toch ook een pseudo-bijbels optimisme inzake Israëls toekomst: het oude volk van God komt er van Hoger Hand wel, daar behoeven wij niets aan te doen. Natuurlijk wil ik blijven onderscheiden tussen de leer van de twee wegen en de opvattingen van de evangelische christenheid op dit punt, maar ik moet bekennen dat me' dat wel eens moeilijk valt.

-o-

Wij hebben dus geen enkel argument 'gevonden op grond waarvan we de joden het evangelie zouden moeten onthouden.
'Als het dan maar taktisch gebeurt', hoor ik iemand schoorvoetend meekomen. Maar daar zou ik toch niet al te grif 'ja en amen op zeggen. Het lijkt zo'n vanzelfsprekende eis, maal' hoe voldoe je er nu precies aan?
En: Me beoordeelt dat? We hoorden Paulus al, met zijn 'tijdig en ontijdig' ("Verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen ... ", II Timotheüs 4 : 2), en dat laat zien dat takt onze hoogste wijsheid niet kan zijn. Onwelwillendheid zal trouwens elke benadering voor ontaktisch houden, Terwijl onbeholpenheid wel eens een gedrevenheid kan uitstralen die in onze wollige tijd weldadig aandoet: ha, tenminste iemand, die nog een. 'sensus religionis', een godsdienstig benul heeft!
Nee, beter dan takt is de nederigheid.
Dat je met eerbied voor God en met achting voor je (joodse) medeburgers de boodschap van het evangelie spreekt.

Ik wil tenslotte die nederigheid illustreren met een vakantie-impressie.
Deze zomer hebben we een week in de stad Rome doorgebracht. Ik was al eens in Jeruzalem geweest en vond het Uit een oogpunt van evenwicht nodig dat daar een Rome-ervaring naast kwam te staan. (Uit belde zijn we immers voortgekomen!) Zo langs de oever van de Tiber wandelend stuitten we recht tegenover het 'Liber-eiland op het imposante gebouw van de joodse synagoge, 'een waardig godshuis dat volkomen recht doet aan de belangrijke plaats die de joodse gemeenschap in onze westerse samenleving inneemt.
Ook het interieur was de moeite van het bezichtigen waard.
Rechts terzijde van de synagoge stond een kleine christelijke kerk, Ze was ouder dan haar joodse zuster en het leek erop dat ze in vroeger tij d de toegang tot het joodse ghetto had beheerst. De eigenaardige indruk die het naast elkaar .van enerzijds die forse synagoge en anderzijds die petieterige kerk opriep, was dus niet bedoeld maar historisch zo geworden.

Ik raap dit nu als beeld even op. De onvolprezen 'Van Egeraat' had me er namelijk op geattendeerd dat er op het kerkje, in het hebreeuws en in het latijn, een tekst geschreven staat die een toelichting geeft bij de uitnodigende gestalte van een in kleuren geschilderd Jezus-beeld. Na enig zoeken vonden we die ook. Het was Jesaja 65: 2: "De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk dat volgens eigen overleggingen wandelt op een weg die niet goed is".
Een ernstig woord, dat nu niet vanuit de hoogte maar vanuilt de laagte klonk. Ik was er gelukkig mee dat ik vanuit het 'allerchristelijkste' Rome juist mt beeld als een soort geestelijk model kon meenemen, Niet van hoe het in het verleden geweest is, maar van hoe het zou moeten zijn: een pretentieloze kerk die de eerbiedwaardige synagoge onder het uitbrengen van diepgeestelijke kritiek op de Here Jezus wijst.

Er is een tijd geweest dat de joden in Europa het evangelie vanuit een machtspositie kregen voorgehouden. Die fase van de geschiedenis lijkt voorbij; het kan nu vanuit een kwetsbaarder plaats (waar dat kerkje in Rome een beeld van is).
Maar of het nu ook echt nederiger zal toegaan, zal toch meer van ons hart dan van de omstandigheden afhangen. Zoals er vroeger toch ook nederige evangelie-predikers tot Israël 'zijn uitgegaan en zoals er ook in het hoeden nog (God betere!) hoogmoedigen zijn die dit tot . hun taak rekenen - dwars tegen alle konjunktuur in. De nederigheid die ik bedoel is dan ook iets anders dan een modegevoeligheid.
Ze komt van de Heilige Geest, niet van de tijdgeest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief