Normatieve vanzelf-sprekendheid (1)

1986-09-26
  • Jaargang 30
  • nummer 37
In het "Nederlands Dagblad" en in "De Reformatie" is eind 1985 het één en ander geschreven over mogelijke vormen van samenwerking van vrijgemaakten met andere christenen in één en dezelfde christelijke organisatie. Een (naar ik aanneem groot) aantal vrijgemaakten neemt namelijk het standpunt in, dat samenwerking tussen christenen in één en dezelfde christelijke organisatie alleen mogelijk is, indien er tussen deze christenen geen sprake is van een ongebroken avondmaalstafel. Herstel eerst de kerkelijke eenheid en de niet-kerkelijke vormen van eenheid of samenwerking zullen u toegeworpen worden, zo zou men dit standpunt kunnen weergeven.

Kerkelijke verschillen zijn volgens dit standpunt van doorslaggevende betekenis voor de verschillen op de andere "terreinen" van het leven, omdat kerkelijke verschillen in de grond der zaak geestelijke verschillen zijn; daarom zijn deze ook van fundamenteel belang voor de andere "terreinen" van het brede mensenleven.
Samenwerking met leden van andere kerken in één en dezelfde christelijke organisatie heeft dan ook geen zin; men moet eerst de kerkelijke verschillen oplossen, dat wil zeggen, tot kerkelijke eenheid komen, aleer men op de niet-kerkelijke "terreinen" tot eenheid of samenwerking overgaat.
Want de kerkelijke - of te wel geestelijke verschillen presenteren zich ook op de niet-kerkelijke ,,<terreinen", bij voorbeeld op het politieke "terrein", op het "terrein" van de sociaaleconomische aangelegenheden, etc.
Dit standpunt is in zijn algemeenheid (of meestal) naar mijn mening juist.
De nietszeggende algemeenheid wat de christelijke waarden en normen betreft, het zich niet direkt beroepen op de Bijbel, maar deze slechts als inspiratiebron willen accepteren, het toestaan van allerlei min of meer humanistisch gedachtengoed binnen het CDA staat natuurlijk niet los van het kerkelijk (= geestelijk) verval in de synodaal-gereformeerde kerken en in de Nederlands Hervormde Kerk. Het één zowel als het ander komt voort uit geloofsafval en dat is inderdaad van fundamenteel belang voor het gehele brede mensenleven.
Wie dit ontkent is gelijk te stellen aan de struisvogel, die ook van mening is dat, wanneer men de ogen maar sluit voor de werkelijkheid de problemen niet meer bestaan; een in hoge mate duister standpunt natuurlijk. Nu ga-at het er in de praktijk naar mijn mening wel om, dit -standpunt goed uit te werken en het niet als een sjablone, als een conventioneel model of schema (klakkeloos dus) te hanteren.
Men zal namelijk in concreto goed Ploeten aangeven, wat het geestelijk karakter van de betreffende kerkelijke verschillen is en hoe deze van fundamenteel belang zijn voor de andere "terreinen" van het leven.
Nu wil ik het over deze materie niet direkt hebben. Ik wil hoofdzakelijk het één en ander doorgeven wat in vrijgemaakte kring over eenheid en samenwerking tussen christenen helt vorig jaar is geschreven. Men worstel t daar toch enigszins met het probleem van de samenwerking van vrijgemaakten met andere christenen in één en dezelfde christelijke organisatie en ook met het probleem van de samenwerking met andere christenen, die zich in een eigen organisatie hebben gebundeld ondanks het hiervoor aangegeven door hen ingenomen standpunt. Men heeft kennelijk twijfels over de juistheid van het ingenomen standpunt, althans een aantal vrijgemaakten.
Naar blijkt spelen in de discussie hierover in vrijgemaakte kring de art. 27 t/m 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een belangrijke rol. In deze artikelen wordt gesproken over de ware kerk, waarbij een ieder zich te voegen heeft; met name in artikel 28 wordt dat beleden. Zij, die zich niet bij de ware kerk voegen maken zichzelf steriel, niet alleen wat het kerkelijk leven betreft, maar ook wat de christelijke arbeid betreJlt op de andere "terreinen" van het leven, zo luidt het, betreffende standpunt; anders gezegd: men ontvangt dan geen goede prediking en dat is natuurlijk fataal voor heel het leven. Nog anders gezegd: de drie formulieren van enigheid scheppen werkelijk eenheid tussen christenen op basis van de Bijbel en deze eenheid strekt zich ook Uit tot de met-kerkelijke "terreinen" van het leven en is daarvoor van het grootste belang.
Een andëre eenheid dan de eenheid op basis van "Schrift en belijdenis" is er niet.
Ook van dit standpunt beweer ik, dat deze in zijn algemeenheid (of meestal) juist is. Alleen men, zal in concreto naar mijn mening wel moeten aangeven hoe het zit met de kerkelijke verschillen in betrekking tot de eenwording of de samenwerking op bij voorbeeld politiek gebied (of op het gebied van de sociaal-economische aangelegenheden).
Anders gezegd: uit concrete kerkelijke verschillen volgen naar mijn mening niet automatisch principiële verschillen, die van doorslaggevend belang zijn voor de niet-kerkelijke "terreinen" van het leven. Die verschillen zullen van geval tot geval zeer nauwkeurig moeten worden aangegeven en ook van welk fundamenteel belang deze zijn voor eenwording of samenwerking tussen christenen op de andere "terreinen" van het leven dan de kerkelijke. Een aantal vrijgemaakten gaat er min 'Of meer (klakkeloos) vanuit, dat kerkelijke verschillen altijd of automatisch van fundamenteel belang zijn voor al:1e "terreinen" van het leven en dat deze daarom voor deze "terreinen" geen nadere uitleg behoeven.
De bedoeling van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (en dus ook van de artikelen 27 t/m 29) is om eenheid op basis van de Bijhel tussen de christenen te bereiken, want (nogmaals) een andere eenheid is er in Nederland tussen deze niet.
Naar vermeld speelt bij betreffende vrijgemaakten in deze aangelegenheid de opvatting over de ware kerk, waarbij men zich dient te voegen en waarin men alleen de goede prediking ontvangt een belangrijke rol r;?e kerkelijke geslotenheid van het -GPV is onder meer van deze opvatting het gevolg. Natuurlijk is het waar, dat men alleen in de ware kerk de goede prediking ontvangt en dat men deze mist in de valse kerk. Dat zit al in de definities van ware en valse kerk opgesloten.
" Alleen, hoe zit, het precies met de termen (en toepassingen ervan) ware en valse kerk in de artikelen 27 t/m 29 NGB? Wat wordt daarvan precies beleden? Hoe moeten we de termen opvatten in de praktijk van de kerkelijke verdeeldheid nu en zijn deze zonder meer in elke kerkelijke verdeeldheid toe te passen?
Daarover nu las ik in de vrijgemaakte pers een naar mijn mening nieuw geluid. Misschien wordt het daar toch nog eens bij allen lente. Maar eerst geef ik inzake ons onderwerp enkele opmerkingen door van prof. C. Trimp. Hij schreef in het "Nederlands Dagblad" van 27 november 1985 onder meer: "Het is een onjuiste stelling, dat iedere samenwerking met "anderen" de zaak van de kerk verduistert en de roeping tot kerkelijke eenheid verdoezelt'.
En: "Het doen of gedaan hebben van de goede kerkkeuze is geen garantie van goede christelijke funktionaliteit op het brede terrein van het christelijk leven".
Voorts: "Te midden van de verwarring en verdeeldheid van Nederland treffen wij vele mensen aan die met ons de secularisatie willen bestrijden.
"Wij wonen niet in hetzelfde huis en wij zijn het oneens over tall van zaken. Maar wij zijn volstrekt eenstemmig in het bestrijden van allerlei publiek kwaad, Het ligt binnen de vrijheid van kinderen -van God tot een defensief gelegenheidsverbond tussen al deze mensen toe te treden. Wie hier smalend zou spreken over 'symptoombestrijding' of 'dweilen met de Kraan open', verstaat de ernst van de situatie niet."
Met de opmerkingen van Trimp vindt een behoorlijke relativering plaats van het standpunt, dat -een (groot) aantal vrij gemaakten inneemt en dat eenwording of samenwerking van deze met andere christenen in één en dezelfde christelijke organisatie verbiedt.
Meer nog vindt dit naar mijn menin-g plaats in het artikel, dat dr K. Veling in "De Reformatie" van 9 november 1985 (jaargang 61/6) schreef over uitleg en betekenis van de artikelen 27 t/m 29 NGB. Hij schrijft: ,De overtuigingskracht van de gereformeerde confessie inzake een zichtbare christelijke kerk komt natuurlijk voort uit de concrete manier waarop de Schrift zelf over de gemeente spreekt. Alle beelden die gebruikt worden om het karakter van de christelijke kerk duidelijk te maken, wijzen zonder uitzondering, heel vanzelfsprekend, in de richting van een gemeenschap van vlees en bloed.
De gemeente is een lichaam met Christus als Hoofd. Waarom wordt dat zo gezegd? Om te onderstrepen dat de leden concreet op elkaar aangewezen zijn (1 Kor. 12).
Wie over de gemeente spreekt, spreekt ook over de ambtsdragers, die de opdracht hebben het lichaam op te bouwen. (Ef. 4). Christenen moeten zich concreet als stenen laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, dat zeggen de gemeente (1 Petr. 2). Elders worden christenen vergeleken met stukken huisraad, die allemaal edel of minder edelonmisbaar zijn in de huishouding van de gemeente, Gods huisgezin (2 Tim. 2).
Deze wijze van spreken in de Schrift verteent een frappante vanzelfsprekendheid. Voor moderne christenen die aankijken tegen kerkelijke verdeeldheid waar die beslist niet zou rnoeten voorkomen, lijkt deze vanzelfsprekendheid nogal naïef.
Naïef? Inderdaad geeft de Bijbel geen theorie waarmee kerkelijke verdeeldheid verklaard en dus ook min of meer gesanctioneerd wordt.Natuurlijk is de gemeente- van Christus concreet.
Nee, 'naïef' is hier het woord niet. Je zou beter kunnen spreken van een normatieve vanzelfsprekendheid.
God heeft nooit alleen maar met individuen te maken. Hij vergadert 'een verbondsvolk, destijds gebonden aan een nationaliteit, sinds Pinksteren uit alle naties.
Dit volk vormt een concrete eenheid: Christus het Hoofd en de christenen de leden.
Iets van dezelfde normatieve vanzelfsprekendheid vertoont ,de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
'Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen .. .' Zo is dat. Want Christus is een eeuwige Koning die niet zonder onderdanen kan zijn. Vanzelfsprekend en met een sterk normatieve lading.
Het is daarom naar mijn overtuiging ook niet vreemd als na artikel 27 zonder nadere verklaring over de concrete kenmerken van de kerk gesproken wordt over de ambten en over de tucht. En artikel 28 onderstreept nog eens de normativiteit van het spreken over de ene katholieke of algemene kerk: iedere christen moet zichdaar natuurlijk concreet als steen laten invoegen.
De algemene kerk behoort het karakter te hebben van een concrete gemeenschap. Natuurlijk is die kerk over heel de wereld verspreid en ook door de geschiedenis heen is de kerk niet te overzien. Zelfs kan de kerk soms bijna onvindbaar zijn als de wijnstok helemaal overwoekerd is. Maar blijft staan dat de gemeente bedoeld is als een volk dat voor de wereld zichtbaar is en waarin mensen concreet op elkaar aangewezen zijn."

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief